Deze samenvatting gaat in op de ontwikkeling van en kritiek op de charismatische beweging. 
 
 
Voorwoord
 
Waarom deze samenvatting (onderhand meer een studie)? In 2013 leerde ik een Nederlandse organisatie kennen die de Toronto Blessing en enkele aspecten van de Word of Faith aanhangt. Zelf wist ik niets van deze leren af, maar al snel kwam ik uit op de moderne charismatische beweging. Het werd mij echter helder dat op het internet hier niet echt duidelijk uitleg over wordt gegeven. Dit is althans mijn ervaring.
 
De moderne of neo-charismatische beweging is een wereldwijde religieuze beweging die snel groeit. Zij wordt gerekend tot het evangelisch protestantisme en bestaat voor een groot deel uit jongeren en jonge volwassenen. Deze samenvatting gaat in op wat deze beweging nu inhoudt: haar oorsprong, haar ontwikkeling, haar uitgangspunten, haar leringen en theologie, haar (verwante) stromingen, haar praktijken, haar extremiteiten, en de kritiek hierop. Want hoewel er in de beweging veel wordt gesproken over het mooie van het volgen van Jezus, zijn er diverse kritische kanttekeningen te plaatsen bij wat er geleerd wordt over bepaalde onderwerpen. 

Ik wil duidelijk stellen dat ik geen theoloog ben. Ik heb enkel een samenvatting/studie gemaakt op basis van wat ik op het internet heb gevonden, op basis van bepaalde boeken of uitgaves en op basis van antwoorden op mijn e-mails, waarin ik aan bepaalde personen of organisaties verdere uitleg over een bepaald onderwerp heb gevraagd. Daarom, hoewel teksten op deze site misschien een aanzet kunnen zijn tot een kritische benadering, wil ik er op wijzen hier verder zelf onderzoek naar te doen. ‘Onderzoek alles, behoud het goede’ (1 Tess. 5:21). 
 
Succes met lezen, het is heel wat tekst…
 
R.K.
januari 2014

‘Opgegroeid in de gereformeerde kerk traditie, maar ook daarbuiten gekeken…’
 

N.B. 1. Soms is er geen bronvermelding van bepaalde tekst. Dit heeft als reden dat ik deze samenvatting in eerste instantie voor mijzelf heb gemaakt. Pas later vatte ik de idee om ook anderen deze te laten lezen.

N.B. 2. Het gebruik maken van een bron wil niet per definitie zeggen dat ik het eens ben met alles beweerd door deze bron.

N.B. 3. De tekst kan aangepast of uitgebreid worden. 

N.B. 4. Het kan voorkomen dat na verloop van tijd bepaalde links niet meer actief zijn.
 

Gegeven bijbelteksten zijn uit de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV, 2004), omdat deze rechtstreekse vertaling uit de grondteksten tot nu toe, naar mijn mening, qua exegese (objectieve uitlegkunde) de meest betrouwbare vertaling naar het hedendaags Nederlands is gebleken. 
In deze samenvatting maak ik ook gebruik van de Herziene Statenvertaling (HSV, 2010), hoewel ik geen voorstander ben van het gebruik van deze vertaling (zie kritiek). De HSV is een herziening van de Statenvertaling (SV, 1637), vergelijkbaar met de Engelse King James Bible (1611). Op alle drie bestaat kritiek, maar omdat de charismatische leer afkomstig is uit de Verenigde Staten, heb ik besloten bepaalde (Engelse) bijbelteksten weer te geven uit de HSV; mede omdat sommige (ontstane) uitdrukkingen en leringen niet of moeilijk afgeleid kunnen worden uit de NBV. Bij gebruik staat HSV vermeld. Bij het gebruik maken van andere vertalingen staat dit ook vermeld.
 
 

Inhoud:

Inleiding
 
Hoofdstuk 1: De heilige Geest en de Geestesgaven
1.1.              De heilige Geest
Bekering en wedergeboorte
1.2.              De charismatische gaven of Geestesgaven
De vijfvoudige bediening

golfHoofdstuk 2: De eerste golf: het ontstaan van de Pinksterbeweging
De Heiligingsbeweging
2.1.              Begin Pinkstergemeente
De ‘doop met de heilige Geest’
Tongentaal

Hoofdstuk 3: Latter Rain
3.1.              Geschiedenis (New Order of) Latter Rain

golfHoofdstuk 4: De tweede golf: de charismatische beweging
4.1.              Kenmerken charismatische beweging
4.2.              Startpunt charismatische beweging

golfHoofdstuk 5: De derde golf: de neo-charismaten: krachtevangelisatie, nieuwe apostelen en profeten (NAR), geestelijke oorlogsvoering  
Krachtevangelisatie
Nieuwe apostelen en profeten (NAR)
Kingdom Now
Geestelijke oorlogsvoering
Kritiek op de derde golf beweging

golfHoofdstuk 6: De vierde golf: de Toronto Blessing en de Word of Faith beweging
Toronto Blessing beweging
Word of Faith beweging

Hoofdstuk 7: Word of Faith  
7.1.             Ontstaan Word of Faith theologie
7.2.             Uitgangspunten Word of Faith
7.3.             Critici tot de Word of Faith

Hoofdstuk 8: Lakeland Revival  

Hoofdstuk 9: Charismatische invloed in Nederland  
TRIN (nu: Gospel Music Festival, GMF)
Bijbel- en discipelschapscholen
9.1.            Nederlands onderzoek: ‘Ooit evangelisch’
9.2.            Namen binnen de moderne (neo-)charismatische beweging in Nederland

Hoofdstuk 10: Kritiek op de (neo-)charismatische beweging  
10.1.            Kritiek op de (neo-)charismatische leer
De heilige Geest op de voorgrond
De ‘doop met de heilige Geest’
Tongentaal
Handoplegging
Genezingen
Nieuwe apostelen en profeten, profetieën en bijzondere openbaringen?
Hedendaagse krachtevangelisatie naar aanleiding van Marcus 16:17-18
De uitleg van Joël 2:23b en 28-29
Kingdom Now
Geestelijke oorlogsvoering
Bevrijdingspastoraat
Aanbidding en lofprijzing: de ‘Sacrifice of Praise’
Vasten en bidden
10.2.            Contemplatieve technieken
10.3.            Passieve houding
10.4.            Kritiek op de manifestaties ‘in de geest’
Trance- en religieuze ervaringen in de opwekkingen van de achttiende eeuw
Bijbelse onderbouwing van de manifestaties ‘in de geest’?
Kundalini?
10.5.            Kritiek op de Toronto Blessing
10.6.            Hypnose- en beïnvloedende situaties binnen de charismatische beweging
Hypnose in religie
Benny Hinn: genezer of hypnotiseur?
Marjoe Gortner
Uiteindelijke conclusie manifestaties ‘in de geest’
10.7.            Kritiek op de Word of Faith leer
Ander evangelie

Bijlage 1: Fietssleutel kwijt? Even bidden! (blog)
Bijlage 2: Column/commentaar: Botsautootjes ‘in de geest’
 
 

Inleiding

pinksteren1De moderne of neo-charismatische beweging moet niet verward worden met de Pinksterbeweging. Als inspiratiebron heeft deze echter zeker gefunctioneerd, vooral voor de charismatische beweging binnen de kerken. Wil je je gaan verdiepen in de charismatische theologie (leer over God en goddelijke zaken) is het noodzakelijk eerst in te gaan op de heilige Geest. De charismatische leer over de ‘doop met de heilige Geest’ en het geloof in huidige bovennatuurlijke ‘Geestesgaven’ zijn cruciaal voor de beweging. Het is echter afwijkend met wat geleerd wordt in de traditionele kerken.
 

Hoofdstuk 1: De heilige Geest en de Geestesgaven

1.1. De heilige Geest

De heilige Geest wordt binnen het christendom beschouwd als de geest van God. Samen met God en de Zoon van God (Jezus Christus) vormt de heilige Geest de heilige Drie-eenheid.

De werking van de heilige Geest is één van de centrale thema’s van de bijbel. In de bijbel wordt ‘geest’ gebruikt voor Gods aanwezigheid en kracht. De aanduiding van Gods geest met ‘heilig’ komt vooral in het Nieuwe Testament voor.
Het Hebreeuwse woord voor geest is roeach, het Griekse woord is pneuma. Deze woorden betekenen in de eerste plaats ‘wind’ of ‘adem’.
De combinatie met het woord ‘heilig’ is vooral bekend uit het Nieuwe Testament (vooral bij Lucas en Johannes). Maar ook daar wordt het woord ‘geest’ veel vaker los gebruikt. In het Oude Testament komt de combinatie ‘heilige Geest’ maar enkele keren voor (Psalm 51:13 en Jesaja 63:10-11).
In het Oude Testament komt de kracht van de geest van God eerst naar voren bij rechters (richteren) en profeten. De rechters krijgen Gods geest voor een bepaalde tijd, zodat ze een ongewone taak kunnen volbrengen. Als beschreven wordt dat profeten vervuld worden met Gods geest betekent dit dat ze in een toestand van verrukking zijn: de religieuze inspiratie uit zich in geestvervoering.
Met de overgang van het leiderschap van de rechters naar het koningschap, verandert ook het beeld van de geest van God. Gods geest wordt nu verbonden aan een functie. De zalving van de koning wijst erop dat Gods geest met de koning is. Later wordt dit ook toegepast op de messias en op het hele volk.
In Ezechiël en Joël krijgt de Geest een opvallende rol. Bijvoorbeeld in het visioen over het dal vol beenderen in Ezechiël 37:1-14. Gods geest schenkt nieuw leven aan wanhopige mensen in ballingschap. In het bijbelboek Joël is de uitstorting van de Geest over het hele volk een teken dat de ‘dag van de Heer’ aanbreekt.
In het Nieuwe Testament wordt de christelijke gemeente beschreven als een gemeenschap aan het einde van de tijd die vervuld is met de Geest. Dat komt in alle geschriften van het Nieuwe Testament naar voren. De heilige Geest komt in allerlei contexten ter sprake, bijvoorbeeld:
– Het verhaal over de uitstorting van de heilige Geest, bekend als Pinksteren en te vinden in Johannes 20:19-23 en Handelingen 2:1-13.
– De opstanding van Jezus en van de christenen is verbonden met Gods geest (Romeinen 1:4).
– De Geest is aanwezig in het optreden van Jezus (bijvoorbeeld bij het uitdrijven van demonen, zie Matteüs 12:28).
– In de brieven van Paulus, wanneer hij spreekt over de plaats van de Wet in het leven van christenen (bijvoorbeeld Romeinen 8:2-4).
– In het evangelie volgens Johannes heeft de Geest een bijzondere functie. De Geest wordt als een soort sfeer afgezet tegen de sfeer van de wereld, de duisternis en het vlees (zie bijvoorbeeld Johannes 3:6).
(Bron: https://www.debijbel.nl/kennis-achtergronden/christelijk-geloof/127)

Tijdens de afscheidsgesprekken in het Johannesevangelie (Johannes 13-17) legt Jezus de functie van heilige Geest uit. De Geest heet in Johannes vaak ‘pleitbezorger’ (bijvoorbeeld Johannes 14:16-17). Het Griekse woord paraklêtos kan behalve ‘pleitbezorger’ ook ‘helper’ of ‘trooster’ betekenen. Het is zijn taak om iemand bij te staan en voor hem het woord te voeren.
Tot de taak van de heilige Geest behoort vooral dat hij de leerlingen ‘alles duidelijk [zal] maken en alles in herinnering [zal] brengen wat ik tegen jullie gezegd heb’ (Johannes 14:26). Hij zal hun ‘de weg wijzen naar de volle waarheid’ (Johannes 16:12-16). En dat wordt exclusief aan de leerlingen beloofd (Johannes 14:15-18).
(Bron: https://www.debijbel.nl/kennis-achtergronden/christelijk-geloof/128)

In de bijbel worden verschillende metaforen en symbolen aangeduid om de heilige Geest te beschrijven:
pentecost1Vuur. Johannes de Doper zegt tegen zijn toehoorders dat zij gedoopt zullen worden met de heilige Geest en met vuur. Op Pinksteren hebben de discipelen vuurtongen op hun hoofden, dat gezien wordt als het ontvangen van de heilige Geest.
Water. Alle gelovigen zijn gedoopt in één Geest en door hem doordrenkt. De heilige Geest wordt ook aangeduid als het levende water.
De zalving. De zalving met olie werd als symbool gezien als het ontvangen van de heilige Geest. In het Oude Testament werden koningen gezalfd met olie. images (5)
Een duif. Toen Jezus de heilige Geest ontving daalde er een duif op hem neer (zie bijvoorbeeld Lucas 3:22).
De wind. Verschillende keren in de bijbel gaat een handeling en/of de komst van de heilige Geest gepaard met het opsteken van een wind. Ook Jezus zelf maakt een vergelijking tussen de heilige Geest en de wind.
(Bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Heilige_Geest)

Bekering en wedergeboorte

Binnen het christendom gelooft men dat de heilige Geest een belangrijke rol speelt in het proces in aanloop naar bekering: het moment dat men het christelijk geloof gaat aanhangen. Mensen kunnen weliswaar overtuigd worden door argumenten en/of op basis van het gevoel besluiten christen (volgeling van Jezus) te worden, maar uiteindelijk is het de heilige Geest die hen daartoe aanzet.
In de christelijke traditie gelooft men dat wanneer iemand tot bekering komt, hij/zij de heilige Geest ontvangt die hem/haar helpt een christelijk leven te leiden. Dit ontvangen noemt men de wedergeboorte en is onlosmakelijk verbonden aan de bekering. De wedergeboorte wordt gezien als een eenmalige gebeurtenis, waardoor er een levendige verbinding (relatie) met God ontstaat. (Zie ook Wikipedia: Kerken_over_wedergeboorte). 

Vrucht van de Geest

‘Vrucht van de Geest’ is een bijbelse term die de negen zichtbare eigenschappen (vruchten) samenvat van een waar christelijk leven geleid door de heilige Geest. We leren uit de bijbel dat deze eigenschappen geen op zichzelf staande ‘vruchten’ zijn waaruit we vrijuit kunnen kiezen. In plaats daarvan is de vrucht van de Geest een negenvoudige ‘vrucht’ die iedereen karakteriseert die oprecht door de heilige Geest wordt geleid. In Galaten 5:22 staan deze eigenschappen door de apostel Paulus genoemd: liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing.

1.2. De charismatische gaven of Geestesgaven

De term charisma is afkomstig van het Griekse woord charis dat ‘genade’ betekent. In het christelijk geloof heeft de meervoudsvorm charismata betrekking op de zogeheten charismatische gaven (letterlijk ‘genadegaven’). Men noemt ze ook wel ‘Geestesgaven’: gaven gegeven door en het werk van de heilige Geest. De apostel Paulus wijdt enkele passages in zijn brieven aan de gaven: Brief van Paulus aan de Romeinen hoofdstuk 12, Eerste brief van Paulus aan de Korintiërs hoofdstukken 12-14, Brief van Paulus aan de Efeziërs hoofdstuk 4. Paulus gaat hier in op de ‘bijzondere’ (bovennatuurlijke) en ‘gewone’ (niet-bovennatuurlijke) Geestesgaven, welke bekend in de vroege gemeente.
De kerken van Paulus bestonden uit kleine groepen mensen die in huiskamers bijeenkwamen. In de tijd van het Nieuwe Testament is de huisgemeente het fundament van de christelijke beweging. Christenen kwamen in de eerste eeuw niet bij elkaar in speciale kerkgebouwen. Hun bijeenkomsten waren in huizen van welgestelde gemeenteleden. Deze huizen hadden hooguit plaats voor dertig tot veertig mensen. 

Paulus schrijft in 1 Korintiërs 12:7: ‘In iedereen is de Geest zichtbaar aan het werk, ten bate van de gemeente.’ De apostel schrijft verder dat de christenen in de gemeente elkaar nodig hebben: ‘Al deze gaven worden geschonken door een en dezelfde Geest, die ze aan iedereen afzonderlijk toebedeelt zoals hij wil.’ (1 Kor. 12:11) Paulus vermeldt de volgende gaven van de heilige Geest in zijn brieven (het schuingedrukte woord is de vertaling uit de HSV):

1. Profetie/profeteren (Rom. 12:7, 1 Kor. 12:10). ‘Profetie’ in de bijbel houdt in het doorgeven van een boodschap van God voor anderen.
In 1 Kor. 14:1 noemt Paulus profetie de belangrijkste van de gaven: ‘Jaag de liefde na en streef naar de gaven van de Geest, vooral naar die van de profetie.’ (NBV) ‘Maar iemand die profeteert spreekt tot mensen, en wat hij zegt is opbouwend, troostend en bemoedigend.’ (1 Kor. 14:3, NBV)
2. Woord van wijsheid (NBV: ‘het verkondigen van wijsheid’) (1 Kor. 12:8).
3. Woord van kennis (NBV: ‘het overdragen van kennis’) (1 Kor. 12:8).
4. Onderwijzen (Rom. 12:7).
5. Werkingen van krachten (NBV: ‘de kracht om wonderen te verrichten’) (1 Kor. 12:10).
6. Gaven van genezingen (NBV: ‘de gave om te genezen’) (1 Kor. 12:9).
7. Geloof (vast vertrouwen op God) (1 Kor. 12:9).
8. Het onderscheiden van geesten (NBV: ‘om te onderscheiden wat wel en niet van de Geest afkomstig is’) (1 Kor. 12:10).
9. Dienstbetoon (behulpzaam zijn, NBV: ‘bijstand’) (Rom. 12:7).
10. Bemoediging (SV: ‘die vermaant’, NBV: ‘troosten’) (Rom. 12:8).
11. Uitdelen (geven in oprechtheid zonder bijbedoeling) (Rom. 12:8).
12. Over anderen ontfermen (uit medeleven mensen helpen, NBV: ‘barmhartigheid’) (Rom. 12:8).
13. Leiding geven (bestuur van de gemeente) (Rom. 12:8).
14. Tongentaal (spreken in vreemde talen, NBV: ‘in klanktaal spreken’) (1 Kor. 12:10).
15. Het vertalen van tongentaal (NBV: uitleg van de betekenis) (1 Kor. 12:10).

De vijfvoudige bediening

Paulus noemt in Efeze 4:11 vijf ambten die een persoon op zich kon nemen. Men noemt dit ook wel ‘de vijfvoudige bediening’. Deze bestaat uit:

1.          Apostelschap (Het Griekse woord apóstolos betekent ‘degene die gezonden is’; letterlijk: ‘boodschapper’ of ‘vertegenwoordiger’. De term wordt in de christelijke traditie met name gebruikt voor iemand die door Jezus is uitgezonden om het evangelie te verspreiden.)
2.         Profetie (een profeet geeft een boodschap van God aan anderen door). Profetie was volgens Paulus een directe openbaring van God, die bedoeld was om de kerk op te bouwen.
3.         Evangelisatie (een evangelieverkondiger brengt het geloof tot de ongelovigen).
4.         Herderschap (een herder draagt verantwoordelijkheid voor het geestelijk welzijn van gemeenteleden).
5.         Leraarschap (een leraar laat de gemeenteleden in kennis groeien).
 

Nu nog Geestesgaven zoals toen?

Dat de heilige Geest ook tegenwoordig werkzaam in de kerk aanwezig is, wordt in de gereformeerd protestantse theologie niet betwijfeld. Maar er wordt daarbij nadrukkelijk onderscheid gemaakt tussen de ‘bijzondere’ (bovennatuurlijke) en ‘gewone’ Geestesgaven. Dit noemt men ook wel de cessationistische visie. Met cessationisme bedoelen we de opvatting dat de heilige Geest nadat Paulus in Rome aankwam, niet meer openlijk zichtbaar is met wonderen en tekenen zoals in de vroeg-christelijke gemeente, totdat Jezus terugkomt. Wij beschikken nu over het afgeronde Nieuwe Testament als definitieve grondslag van de verkondiging, en het christelijk geloof hoeft nu niet meer via uiterlijke tekenen te worden bevestigd.
De huidige werking van de ‘gewone’ Geestesgaven (bijvoorbeeld om bijstand te verlenen, te troosten, om leiding te geven) wordt niet betwijfeld. Het zijn schijnbaar gewone talenten van mensen binnen de gemeente, die door Paulus niettemin tot de Geestesgaven worden gerekend. Aan iets bovennatuurlijks hoef je hierbij echter niet te denken.

Aan het begin van de twintigste eeuw begonnen groepjes evangelische christenen te onderwijzen dat de bijzondere Geestesgaven ook tegenwoordig actief zijn: tongentaal, profetie (profeteren), genezingen en het ontvangen van bijzondere openbaringen (dromen, visioenen). Deze christenen zouden bekend worden als de Pinkstergemeente.
Na de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) kwamen ook delen van de historische kerken onder invloed van deze leer, waaronder de Rooms-Katholieke Kerk en protestantse kerkgenootschappen. Deze stroming binnen de kerken, die niet specifiek gebonden is aan de Pinkstergemeente, noemt men de charismatische beweging.
Vanaf de jaren (19)80 deed zich een radicale verandering voor in evangelische theologie met ingrijpende gevolgen: het ontstaan van de moderne of neo-charismatische beweging (‘neo’ betekent ‘nieuw’).
 

golfHoofdstuk 2: De eerste golf: het ontstaan van de Pinksterbeweging

In het vervolg van deze samenvatting wordt steeds gesproken over ‘golven’ (de eerste, tweede, derde en vierde golf). Een ‘golf’ staat (volgens de voorstanders) voor een opwekking (religieuze opleving) onder invloed van de heilige Geest. Een opwekking – of het Engelse ‘revival’ – verhoogt geestelijke interesse of vernieuwing in het leven van de plaatselijke kerk of de samenleving met een lokaal, nationaal of internationaal effect. (Dit moet worden onderscheiden van het gebruik om te verwijzen naar een evangelische bijeenkomst of reeks bijeenkomsten.)
In de geschiedenis van het christendom zijn ‘opwekkingen’ niet zelden gepaard gegaan met extatische verschijnselen bij de gelovigen.

Extase

In de geschiedenis van het christendom is religieuze extase (een verlies van controle over zichzelf) voortdurend aanwezig geweest. In de jonge christelijke kerk was religieus enthousiasme een gewoon verschijnsel dat zelfs werd aangemoedigd. Het heeft zeker bijgedragen aan de uitbreiding van de gemeente. Anderzijds werden er al vanaf het begin controles en criteria ingevoerd om echte van onechte religieuze ervaringen te kunnen onderscheiden. Extatische en enthousiaste religiebeleving stonden doorgaans op gespannen voet met de officiële kerk. Vaak was in deze bewegingen namelijk sprake van verzet tegen autoriteitsaanspraken van het officiële leergezag. Door innerlijke verlichting en rechtstreekse openbaring door middel van de heilige Geest te claimen, werden hervormingen van de kerk nagestreefd. Binnen de gevestigde kerken zijn extatische en enthousiaste religieuze groeperingen altijd verbonden met sektarisme en fanatisme.
(Bron: http://www.jacquesjanssen.nl/wp-content/uploads/2008/11/the-house-of-god.pdf)

laodiceaTijdens de tweede helft van de tweede eeuw, in Phrygia, het gebied van de stad Laodicea (nu Turkije), stichtte Montanus, een voormalige heidense priester, een charismatische beweging: het Montanisme. Veel praktijken van de montanisten (glossolalie, profetie, vasten, stuiptrekkingen) zijn opnieuw geïntroduceerd door de verschillende charismatische bewegingen in de twintigste eeuw. Net zoals de moderne charismatici weken de montanisten af van het christendom door hun ervaringen, omdat zij dachten dat de bijzondere openbaring van God niet opgehouden was met de geschriften van de apostelen. De beweging kende een groot succes in Klein-Azië en verspreidde zich zodanig in de hele kerk. Er was ook sprake van beïnvloeding door de leer van de stoïcijnen. Het stoïcisme, een beweging die te vergelijken is met de huidige New Age beweging, won veel aan belang in de tweede eeuw door toedoen van de Romeinse keizer Marcus Aurelius (121–180, keizer van 161 tot 180). Er is dus een vergelijkbare situatie met de huidige door een charismatische beweging in de kerk en een New Age beweging in het heidendom.
De omvang van het Montanisme bracht een reactie teweeg bij christelijke apologeten, zoals Apollinaris, Apollonius, Miltiades, Melito en Hippolytus. Zij voerden aan dat echte profeten onfeilbaar zijn, niet in extase raken, geen glossolalie (zie 2.1. ‘Tongentaal’) beoefenen en zich niet verrijken; iets wat wel het geval was bij de montanisten. De bisschoppen moesten het officieel afkeuren, zelfs aangeven als demonisch en de charismatici excommuniceren om hun ketterse leer langzaam te laten uitsterven. (Bron: http://www.apologetique.org/nl/artikelen/religie/heterodoxie/neomontanisme/BDG_glossolalie_nl.htm)

De Heiligingsbeweging

John Wesley
John Wesley

De pinksterleer over de ‘doop met de heilige Geest’ is voortgekomen uit een theologie binnen de Heiligingsbeweging. Mede onder invloed van het methodisme, ontstond in het noorden van de VS deze evangelische opwekkingsbeweging in de tweede helft van de negentiende eeuw. De beweging kende een stroming die sterk gericht was op de ‘ervaringstheologie’ van de Britse theoloog en predikant John Wesley (1703-1791), de vader van het methodisme*.
Zoals de bekering meende Wesley dat de heiliging (de vernieuwing van iemands leven door de heilige Geest ontvangen met de wedergeboorte) een (proces)ervaring met specifieke kenmerken moet zijn. Het definitieve resultaat zou een ‘second blessing’ (tweede zegen) zijn: de Geestesdoop.
De ‘Geestesdoop’ verwijst naar een persoonlijke mystieke ervaring na de wedergeboorte, waarin de gelovige gereinigd zou worden van de neiging om te zondigen: de ‘volheid van geest’. Sommige heiligingsstromingen gingen hierbij zelfs uit van een zondeloosheid, hoewel Wesley het hier niet mee eens was. De Geestesdoop zou een gelovige toerusten met kracht tot getuigen. Men leerde op basis van dit alles drie ‘ervaringen’:

  1. De bekering (inclusief wedergeboorte).
  2. De heiliging (de ‘ervaring naar volmaaktheid’). Tijdens de heiliging moet het hart ‘leeg’ en ‘rein’ worden van de oude mens, waarna het de ‘derde ervaring’ kan ontvangen.
  3. De Geestesdoop (de ‘volheid van geest’) als mystieke ervaring: een ‘second blessing’ door de heilige Geest.

Een van de heiligingspredikers, de methodist Charles Parham, stichtte in 1900 een bijbelschool. Zijn studenten meenden in de bijbel te vinden dat tongentaal het bewijs van die Geestesdoop is – iets, dat de Heiligingsbeweging tot die tijd niet had geleerd.

* Wesley en zijn volgelingen werden ‘methodisten’ genoemd, doordat zij schematisch (methodisch) tijden van gebed en meditatie aanhielden. In de samenkomsten ontbrak het niet aan uitingen als het spreken in tongen, het getuigen van dromen en visioenen, en het spreken van richtingwijzende woorden (‘profetie’).

(Geraadpleegde bronnen: http://www.allesinhem.nl/wp-content/uploads/2013/02/genoeg-of-is-er-meer.pdf, http://www.refoweb.nl/vragenrubriek/17747/heiligmaking/, https://nl.wikipedia.org/wiki/Heiligingsbeweginghttps://en.wikipedia.org/wiki/Holiness_movementDe charismatische beweging – Dr. Karel Blei, pagina 32-34)

2.1. Begin Pinkstergemeente

Charles Fox Parham

De Amerikaanse predikant en gebedsgenezer Charles Fox Parham (1873-1929) speelde een cruciale rol in het ontstaan van de Pinksterbeweging. Naast dat hij methodist was, voelde Parham zich verwant met de Heiligingsbeweging. Op 15 oktober 1900 begon hij de Bethel Bible School in een landhuis in Topeka (Kansas, VS). Het betrof een kortdurende opleiding voor toekomstige zendelingen.
Parham verliet eind december zijn studenten (allen afkomstig uit de Heiligingsbeweging) een paar dagen en gaf hen opdracht aan de hand van het bijbelboek Handelingen uit te zoeken wat het bewijs was van de Geestesdoop. Zijn studenten brachten daarna verschillende dagen door met gebed en bijbelstudie. Agnes_OzmanOp nieuwjaarsdag begon, na handoplegging door Parham, de studente Agnes Ozman (foto rechts) ‘in tongen te praten’. Parham meende dat zij Chinees had gesproken. De dagen daarna ondergingen Parham en meerdere studenten vergelijkbare ‘tongen-ervaringen’. Twee studenten verlaten de school echter en bezorgen Parham negatieve publiciteit.

Parham zag de Geestesdoop als een bekrachtiging tot wereldevangelisatie in de laatste dagen voor de terugkomst van Jezus. Deze opvatting bracht hem er toe de Geestesdoop te verbinden met het spreken in tongen. Naar aanleiding van Handelingen 2 zag hij dit als het spreken in bestaande talen: iedere Geestvervulde christen is automatisch geroepen voor het zendingsveld dat behoort bij de ontvangen taal en langdurige taalstudie is overbodig.

(Geraadpleegde bron: http://www.stucom.nl/document/0081.htm.)

William Seymour en Azusa Street

Parhams school te Topeka werd in 1901 opgedoekt en in 1905 opende Parham een tienweekse bijbelschool in Houston (Texas, VS). Hier volgde William Joseph Seymour (1870-1922), afkomstig uit de Heiligingsbeweging, lessen die hij vanwege zijn Afro-Amerikaanse achtergrond op de gang moest volgen. Seymour voltooide de opleiding echter niet; na zes weken besloot hij zijn studie te beëindigen en vertrok hierna naar Los Angeles (Californië, VS). Seymour verzocht en kreeg een vergunning als voorganger van Parhams Apostolic Faith Movement, en hij deed zijn werk in Los Angeles onder Parhams autoriteit.
Nadat was gebleken (na teleurstellende ervaringen op het zendingsveld) dat de gebezigde tongentaal geen aardse talen betrof, ontwikkelde Seymour een geloof in glossolalie (een onbegrijpelijk en ongebruikelijk spraakgedrag, zie verder ‘Tongentaal’) als een bevestiging van de ‘doop met de heilige Geest’ (de Geestesdoop), waardoor een gelovige de beschikking zou hebben tot de gaven van de Geest. De nadruk lag hierbij op de bovennatuurlijke gaven: tongentaal, profetie (profeteren), genezingen en het ontvangen van bijzondere openbaringen (dromen, visioenen). De Pinkstergemeente, waarvan Seymour als de belangrijkste inspirator wordt gezien, richtte zich hiermee in het nastreven en najagen van (persoonlijke) ervaringen als bewijs van de ‘volheid van geest’ – een ‘ervaringspraktijk’ die bekritiseerd werd door de historische kerkgenootschappen. In navolging van Parham leerde Seymour dat de (extatische) tongentaal het zichtbare bewijs was van de ‘doop met de heilige Geest’.

William J. Seymour
William J. Seymour

Onder Seymours leiding brak een religieuze opleving uit vanuit een voorheen (Afrikaans) methodistisch kergebouw aan de 312 Azusa Street in Los Angeles (1906-1909), welke als laatste dienst deed als stal met daarboven te verhuren kamers. De opwekking wordt algemeen gezien als het begin van de Pinkstergemeente (aanvankelijk ‘tongenbeweging’ genoemd). De diensten werden gekenmerkt door vele extatische emotionele en lichamelijke uitingen (manifestaties) ondergaan door het aanwezige publiek. Een opvallend aspect was dat de groep interraciaal was, hetgeen vrij omstreden was in de Verenigde Staten (VS) van het begin van de twintigste eeuw.

Extatische verschijnselen

De diensten van de opwekking in Los Angeles kenden weinig structuur. Mensen predikten en getuigden als bewogen door de heilige Geest (profeteren), spraken en zongen ‘in tongen’, en ondergingen verschillende andere extatische ervaringen. Deze verschijnselen trokken al snel de aandacht van de media.
De kranten schreven kritische berichten over de opwekking en noemden de gelovigen ‘Holy Rollers’, ‘Holy Jumpers’, ‘Tangled Tonguers’ en ‘Holy Ghosters’. Deze benamingen sloegen op de taferelen die de journalisten gadesloegen. Zo was de Los Angeles Times niet zo vriendelijk in de beschrijving: ‘De bijeenkomsten worden gehouden in een bouwvallig hutje op Azusa Street en de aanhangers van de vreemde leer praktiseren de meest fanatieke godsdienstige rituelen, prediken de wildste theorieën en werken zichzelf toe naar een vreemde staat van opwinding in hun eigenaardige ijver. De buurt wordt ’s nachts vervuld met het afschuwelijke gehuil van de aanbidders, die uren heen en weer zwaaien in een zenuwslopende houding van bidden en smeekbeden doen.’

312 Azusa Street, 1907
312 Azusa Street, 1907

Een andere plaatselijke verslaggever beschreef in september 1906 de gebeurtenissen met de volgende woorden: ‘… schandelijke vermenging van de rassen … ze krijsen en maken huilende geluiden, dag en nacht. Ze rennen, springen, schudden overal, schreeuwen om het hardst, draaien rond in cirkels, vallen op de door zaagsel bedekte vloer; schokken, schoppen en rollen hier helemaal overheen. Sommigen van hen vallen flauw en bewegen uren niet, alsof ze dood zijn. Deze mensen lijken wel gek, geestelijk gestoord of onder één of andere spreuk te zijn. Ze beweren te worden vervuld met de Geest. Ze hebben een neger als hun prediker die een groot deel van de tijd op zijn knieën blijft zitten met zijn hoofd verscholen tussen houten kratten melk. Hij praat niet veel, maar soms hoor je hem schreeuwen: ‘Bekeert u!’ En hij behoort leiding te geven aan dit alles… En ze zingen herhaaldelijk hetzelfde liedje: ‘De Trooster is gekomen’.’

De eerste editie van de Apostolic Faith publicatie (een tijdschrift dat Seymour zelf uitgaf) beweerde een meer voorkomende reactie van bezoekers: ‘Trotse, goed geklede predikers kwamen om te “onderzoeken”, maar snel werd hun hoogmoed vervangen door verwondering. Ze raakten overtuigd en heel vaak zag je ze daarna binnen korte tijd over de vuile vloer wentelen; God om vergeving vragend en ze als kleine kinderen makend.’
Charles Parham was echter ook scherp in zijn kritiek: ‘Mannen en vrouwen, blank en zwart, knielden samen of vielen over elkaar heen. Een blanke vrouw, misschien wel in het bezit van rijkdom en cultuur, zie je vallen in de armen van een grote “buck” neger, waarna ze stevig wordt vastgehouden als ze rilt en schudt in een bizarre imitatie van de pinksterzegen. Verschrikkelijk en verschrikkelijk jammer!’
Kort na het uitbreken van de opwekking bracht Parham een bezoek aan Seymour en probeerde een corrigerende rol te spelen met betrekking tot de vele extatische uitingen tijdens de diensten en de interraciale geloofsgroep. Parham was hier tegenstander van. Het veroorzaakte een definitieve breuk tussen Seymour en Parham.

William Durham

Durham
Durham

Toen Seymour op zendingreis was, sprak William Howard Durham (1873-1912) in Azusa Street. Durham, die een andere achtergrond (baptistisch) had dan Seymour, verkondigde dat er geen proces van heiliging nodig was voor de ‘doop met de heilige Geest’. Hij maakte er twee ‘zegeningen van de Geest’ van: 1. bekering (inclusief wedergeboorte) en 2. doop met de heilige Geest.
Dit leidde tot verdeeldheid onder de aanhangers van Seymour. Vandaag de dag hangen de meeste blanke pinksterchristenen de leer van Durham aan, terwijl bij zwarte pinkstergelovigen de drie fasen (inclusief de heiliging) gangbaar zijn.
(Bronnen: https://www.lucepedia.nl/dossieritem/pinksterbeweging/de-pinksterbeweging, subkop Methodisme, http://www.allesinhem.nl/wp-content/uploads/2013/02/genoeg-of-is-er-meer.pdf, pagina 5)

Bovenstaande kort schematisch samengevat (bekering is inclusief wedergeboorte):
Methodisme-stroming Heiligingsbeweging: bekering — heiliging — Geestesdoop.
Parham: bekering — heiliging — Geestesdoop — tongentaal als bewijs.
Seymour: bekering — heiliging — doop met de heilige Geest, waardoor een gelovige de beschikking krijgt over de (bovennatuurlijke) Geestesgaven — tongentaal als bewijs.
Durham: bekering — doop met de heilige Geest — tongentaal als bewijs.

De toeloop van christenen uit andere Amerikaanse steden en het buitenland, was zo groot dat er gedurende drie jaren dagelijks bijeenkomsten in Azusa Street werden gehouden. Deze mensen namen de nieuwe leer weer mee naar hun kerken.
De pinksterleer ondervond echter veel weerstand van de kant van de andere evangelische christenen en de gevestigde kerken. Dit leidde ertoe dat de mensen die de nieuwe leer hadden aanvaard, eigen gemeenten stichtten.

De ‘doop met de heilige Geest’

De Pinksterbeweging meent dat het heilsfeit Pinksteren zich bij iedere gelovige herhaalt en koppelt dit heilsfeit los van de wedergeboorte. Men ziet de ‘doop met de heilige Geest’ dan ook als een tweede zegen (‘second blessing’) bij een gelovige. De geest van God zou zich dan ten volle met de geest van de mens verbinden (de ‘volheid van geest’).

Samengevat stelt men dat door de bekering (inclusief wedergeboorte) God aan een mens eerst het gewone geloof geeft dat genoeg is om gered (behouden) te worden (vergeving van je zonden door je geloof in Jezus Christus). Bij de wedergeboorte komt de heilige Geest in ons wonen. Maar dit blijft gevoelsarm en kil als er niet een tweede zegen bij komt: de doop met de heilige Geest. Pas bij deze tweede ervaring word je echt overstelpt door Gods geest. Je ontvangt dan de gaven van de Geest en kracht om te getuigen. Zonder deze ‘doop’ blijft het behelpen.

Pinksterleer in het kort

– De waterdoop die iemand binnen de Pinkstergemeente ondergaat (als getuigenis van zijn/haar bekering) is de ‘volwassenendoop‘ door onderdompeling in water. De gelovige treedt dan toe tot de geloofsgemeenschap als geheel, en niet tot een bepaalde plaatselijke gemeente.
– Naast de ‘doop met de heilige Geest’ als aparte ervaring (‘een tweede werk van genade’), voegde men de leer toe dat het spreken in tongen hiervan het noodzakelijke bewijs is. De tongentaal zou daarmee de bevestiging zijn van iemands geloofszekerheid en dus redding.
– Men begon de mensen de handen op te leggen voor het ontvangen van de ‘doop’. De weg om de ‘doop’ te ontvangen: er in geloof om bidden, naar voren komen in een samenkomst en je de handen op laten leggen. Degene die je de handen oplegt, bidt dat je gedoopt mag worden met de heilige Geest: de handoplegging gaat gepaard met gebed. Daarna moest men eventueel nog wachten op de ‘doop’.
– Pinkstergelovigen geloven dat de bijzondere Geestesgaven, welke bekend waren in de eerste christelijke gemeente(n) tijdens de eerste eeuw, ook tegenwoordig actief zijn binnen een gemeente. Men meent dat een gelovige deze gaven ontvangt door de ‘doop’.
– De Pinkstergemeente onderschreef het protestantse principe van de Sola Scriptura* (de bijbel is genoeg). Zij kwam hieraan tegemoet door te stellen dat bepaalde uitingen niet beschouwd mogen worden als gelijk aan of ter vervanging van de bijbel.
– De pinksterchristenen waren verder in hun leer in alle opzichten volledig evangelisch; ze predikten het bijbelse evangelie.

* De leer over de genoegzaamheid van de bijbel (Sola Scriptura: alleen door de Schrift) stelt dat we in de bijbel alles hebben ontvangen wat we moeten weten voor ons eeuwig behoud en het leiden van een godvruchtig leven. De leer van de apostelen is afgerond en neergelegd in het Nieuwe Testament. Wel hebben we de heilige Geest nodig om de bijbel te begrijpen en toe te passen. 

Tongentaal

Parhams overtuiging dat het spreken in tongen verstaanbare talen zijn, bedoeld voor evangelisatie, is in de rest van de Pinksterbeweging na teleurstellende ervaringen op het zendingsveld losgelaten. Men besefte dat het geen aardse talen waren. Hierna werden ze bestempeld als hemelse talen: een onverstaanbare, niet-bestaande taal (glossolalie*), waarin de gelovige op directe wijze met God communiceert. In de Pinkstergemeente werd de glossolalie vooral gezien als een bevestiging van iemands redding, binnen charismatische kringen wordt de glossolalie vooral benaderd als een gebedstaal en kenmerk van de ‘volheid van geest’.

* Glossolalie of glossolalia is een onbegrijpelijk en ongebruikelijk spraakgedrag. De gebruikte woorden zijn voor buitenstaanders onbegrijpelijk en hebben geen overeenkomst met een bestaande taal. Er is geen sprake van een syntaxis (structuur van een woord of zin), maar er is wel een bepaalde fonetische (spraakklank) structuur die taalgebonden lijkt te zijn. Een Chinese glossolalist zal bijvoorbeeld een ander klankspectrum gebruiken dan een Engelse. De glossolalist beschouwt zijn glossolalie over het algemeen wel als een communicatieve uiting.
Hoewel glossolalie kan voorkomen bij psychotische aandoeningen (geestelijke stoornis waarbij men zich iets inbeeldt wat niet waar is), heeft het verschijnsel voornamelijk religieuze betekenis. Het verschijnsel komt onder andere voor bij de Inuit, Samen, verschillende sjamaanse culturen en in de voodoocultuur. Ook in het christendom komt er binnen een aantal groeperingen en kerken (vooral die van de Pinkster- en charismatische beweging) glossolalie voor die men kan aanduiden als christelijke glossolalie. 

(Geraadpleegde bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Glossolalie)

In perspectief

De opwekking in Los Angeles stond niet op zichzelf. Zo was zij beïnvloed door een methodistische opwekking in Wales (‘The Welsh Revival‘, Engeland, 1904-1905). Deze religieuze opleving was voornamelijk gebaseerd op muziek en vermeende bovennatuurlijke verschijnselen, zoals de visioenen van Evan Roberts (1878-1951). The Welsh Revival beïnvloedde ook de rest van Groot-Brittannië, Scandinavië, delen van Europa (waaronder Nederland), Noord-Amerika, de missiegebieden van India en het Oosten, Afrika en Latijns-Amerika. De Pinksterbeweging tot (omstreeks) 1960 wordt ook wel benoemd als de vroege, oude, klassieke of traditionele Pinksterbeweging. In theologisch opzicht is de Pinksterbeweging een stroming binnen de evangelische beweging. Andere stromingen zijn bijvoorbeeld het baptisme en het methodisme.
 

Hoofdstuk 3: Latter Rain

Opmerking R.K.: Qua duidelijkheid zou ik nu de charismatische beweging binnen de gevestigde kerken (hoofdstuk 4) moeten behandelen. Deze is namelijk ontstaan vanuit de pinksterleer. Maar omdat ik deze samenvatting chronologisch schrijf, heb ik er voor gekozen eerst de Latter Rain leer te bespreken.

LatterRain_Soft_EdgeDe Latter Rain (late regen) beweging is oorspronkelijk rond 1880 in de VS ontstaan, uit ontevreden baptisten en methodisten. Hoewel Parham en Seymour deze 1880’s beweging als voorloper van de Pinksterbeweging omarmden, ontstond na de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) in Canada een nieuwe Latter Rain beweging met zulke afwijkende doctrines dat deze door de Pinkstergemeente afgewezen werd. Ook de traditionele kerken betitelden vele leringen als zijnde ketters (afwijkend en niet-christelijk). De moderne of neo-charismatische beweging (zie hoofdstuk 5) is echter zeer sterk beïnvloed door deze Latter Rain theologie. Het vormt de basis van de neo-charismatische leer.

We moeten duidelijk onderscheiden dat de vroege Pinkstergemeente en de charismatische beweging binnen de kerken (zie hoofdstuk 4) niet uitgaan van de(ze) Latter Rain leer. De pinksterchristenen en gelovigen binnen de charismatische beweging in de kerken, verkondigden in alle opzichten het bijbelse evangelie zoals gepredikt in hun eigen kerken – met uitzondering van hun leer over de ‘doop’ en huidige bovennatuurlijke Geestesgaven

Een grote opwekking vlak voor de terugkomst van Jezus

De basis van de Latter Rain leer van na de Tweede Wereldoorlog, is dat men meent dat de christenen tegenwoordig op de rand van een nieuwe periode staan; één waarin de heilige Geest zijn kracht zal demonstreren op een nog grotere manier dan de wereld ooit gezien heeft: de ‘latter rain opwekking’. Dit standpunt is het gevolg van een zeer symbolische en typologische uitleg van de bijbel, welke het kenmerk is van dit Latter Rain onderwijs. Het uitgangspunt is gebaseerd op de profetie in Joël 2:23b, gekoppeld aan de verzen 28 en 29.
Joël 2:23b: Die zal regen op u doen neerdalen, vroege regen en late regen in de eerste maand. Joël 2:28-29: Daarna zal het geschieden dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees: uw zonen en uw dochters zullen profeteren, uw ouderen zullen dromen dromen, uw jongemannen zullen visioenen zien. Ja, zelfs op de dienaren en op de dienaressen zal Ik in die dagen Mijn Geest uitstorten. (HSV)
De beweging interpreteert beide regens in vers 23 als een uitstorting van de heilige Geest. Men leert dat de uitstorting van de heilige Geest op de discipelen op Pinksteren de ‘vroege regen’ is, waarmee  de profetie uit Joël 2:28-29 in vervulling is gegaan. De periode van de apostelen, beschreven in Handelingen, zou daarmee de ‘vroege regen opwekking’ zijn (geweest). De ‘late regen’ (Engels: ‘latter rain’) opwekking zal een geweldige uitstorting van de heilige Geest zijn, vlak voor de terugkomst van Jezus op aarde (de eindtijd of ‘de laatste dagen’).
De term Latter Rain komt tevens voort uit bijbelpassages zoals Jeremia 3:3, 5:23-25, Hosea 6:3, Zacharia 10:1 en Jakobus 5:7.

Deze Latter Rain beweging leert een andere zienswijze op de periode voor de terugkomst van Jezus dan de verbondsleer. De Latter Rain zienswijze mondde in de jaren (19)70 uit in de heerschappij- en hersteltheologie welke bekend staat als Kingdom Now (Koninkrijk Nu, zie hoofdstuk 5). Kort gezegd gaat deze theologie uit van een grote wereldwijde christelijke opwekking (de ‘latter rain’), waarin de christenen het koninkrijk van God op aarde zullen verwezenlijken waarna Jezus (pas) kan terugkeren op aarde om dit koninkrijk te ontvangen.
Latter Rain ging hiermee tevens in tegen de eindtijd-zienswijze binnen het dispensationalisme (de bedelingenleer), de tegenhanger van de verbondsleer en aangehangen binnen de vroege Pinkstergemeente.

Onderricht

In het onderwijs wordt de nadruk gelegd op de acceptatie van nieuwe apostelen en profeten, bijzondere openbaringen (zoals – persoonlijke – profetieën, ‘bovennatuurlijke ervaringen’ en ‘richtlijnen rechtstreeks van God ontvangen’), een demonenleer met als basis dat demonische bezetenheid de uitleg is van de vele problemen die gelovigen ondervinden, en de handoplegging in verschillende situaties. Het onderricht omvat de volgende overtuigingen:

– De doop met de heilige Geest en de Geestesgaven kunnen worden overgebracht via handoplegging van de ene naar een andere gelovige. Dit noemt men ‘impartatie’ (overbrenging). Als men werkelijk berouw toont en gelooft in Jezus Christus is de impartatie alles wat een gelovige nodig heeft om de ‘doop met de heilige Geest’ te ontvangen. De impartatie-leer had men overgenomen van William Branham (zie verder).
De Pinkstergemeente leerde dat de handoplegging gepaard moest gaan met gebed: degene die je de handen oplegt, bidt dat je gedoopt mag worden met de heilige Geest. Daarna moest men eventueel nog wachten op de ‘doop’.
– Goddelijke genezing kan worden toegediend door middel van handoplegging.
– Persoonlijke profetie begeleid door handoplegging.
– Christenen kunnen bezeten zijn door demonen en kunnen hiervan bevrijd worden door handoplegging.

– Door middel van aanbidding (de ‘Sacrifice of Praise’) kun je in de ‘aanwezigheid van God geraken’. Men aanbidt (eerbetoon geven) God door middel van muziek, dans, het opheffen van de handen en spontane lof (prijzen, loven, roemen). Men gaat hierbij uit van de tempeldienst ingesteld door koning David in het Oude Testament.
– Vrouwen hebben een volledige en gelijke bedieningsrol in de kerk.
– Het gebruik van vasten en bidden.
– De kerk vervangt Israël. De vervangingsleer (of substitutietheologie) onderwijst dat de kerk de vervanging is van Israël, omdat het land Christus verwerpt. De vele beloften die in de bijbel gemaakt zijn aan Israël, zullen vervuld worden binnen de christelijke kerk: deze heeft de plaats van Israël overgenomen.

Herstel vijfvoudige bediening

Een belangrijk aspect van dit Latter Rain onderricht is dat van de acceptatie van nieuwe apostelen en profeten (herstel vijfvoudige bediening). Men meent dat God de bedieningen (ambten) van apostel en profeet heeft hersteld in deze huidige tijd . Deze personen geven ‘huidige waarheid’ (‘wat zegt de Geest tegenwoordig?’) en hun uitspraken kennen dezelfde autoriteit (gezag) als de Bijbel. Deze ‘nieuwe orde’ (‘new order’) van apostelen en profeten zal de kerk verenigen door hun instructies, en de bestaande kerkstructuren en gekozen leiderschappen vervangen: in de ‘laatste dagen’ voor de terugkomst van Jezus zullen de verschillende christelijke denominaties (kerkgenootschappen) verdwijnen en de ware kerk zal samenvloeien tot stadsgrote kerken onder leiding van deze nieuw ingestelde apostelen en profeten; dit is de Latter Rain opwekking. Het zal een volledige oecumenie zijn: eenheid van de christenheid. Deze hersteltheologie is door George Warnock (1917) in 1951 uitgewerkt in het boek ‘The Feast of Tabernacles’ (‘Het Loofhuttenfeest’).
De Latter Rain opwekking zal kort zijn en Gods werk afsluiten: de kerk (versterkt door nieuwe apostelen en profeten) zal zegevieren over de gehele wereld, waarna Jezus kan terugkomen. Latter Rain meent dat de laatste dagen (voor de terugkomst van Christus op aarde) al zijn aangebroken.

Joëls Leger

Branham (zie verder) leerde dat de kerk zich gereed moest maken voor de terugkomst van Jezus. Uitwerking van dit principe vond plaats door de Latter Rain theologie van Joëls Leger: de manifestatie van de ‘zonen van God’.
Ontstaan uit de grote wereldwijde Latter Rain opwekking zou deze groep ‘gezalfde’ christenen een belangrijk kenmerk zijn van de ‘late regen’. De ‘gezalfden’ zullen de heilige Geest zonder beperkingen ontvangen, en dezelfde wonderen en tekenen kunnen verrichten als Jezus toen hij op aarde was. Hierdoor zullen zij de wereld voor Christus veroveren, zodat hij kan terugkomen op aarde. Deze theologie is gebaseerd op Joël 2:1-11, waarin wordt gesproken over een leger ‘zoals er nooit tevoren is geweest’, op Psalm 82:6, waarbij men ‘U bent goden’ toepast op deze speciale groep gelovigen, en op Romeinen 8:19: ‘De schepping ziet er reikhalzend naar uit dat openbaar wordt wie Gods kinderen zijn’ (‘For the earnest expectation of the creature waiteth for the manifestation of the sons of God’, King James Version).
De manifestatie van de ‘zonen van God’ is een volgens de traditionele kerken en bijbelwetenschappers ketterse leer. De Assemblies of God (1914), het grootste verband van pinkstergemeenten ter wereld, beschouwde al vanaf het begin veel Latter Rain leringen als ketters, zoals deze leer van Joëls Leger en de praktijk van persoonlijke profetie begeleid door handoplegging. Andere gevestigde pinkstergroepen namen soortgelijke resoluties aan.

3.1. Geschiedenis (New Order of) Latter Rain

De vier oprichters van het Sharon College

Naar aanleiding van het geloof in een ‘nieuwe orde’ van hedendaagse apostelen en profeten, wordt de beweging ook wel de New Order of Latter Rain genoemd. George Hawtin (1909-1994) wordt betiteld als de ‘vader’ van de beweging. Hij was samen met zijn broer Ernest en Percy Hunt voorganger en docent aan het Pentecostal (Pinkster) Bethel Bible Institute in Saskatoon, Canada. In oktober 1947 begonnen zij het Sharon Bible College in North Battleford (Saskatchewan, Canada). De drie mannen deden dit samen met de sympathiserende pinksterpredikant Herrick Holt, stichter van de Foursquare Church in North Battleford. Ook namen zij zeventig leerlingen van het Bethel Bible Institute mee; dit was de meerderheid van de studenten.

De predikanten waren geïnspireerd door William Branham,  een gebedsgenezer binnen de genezingsbeweging Healing Revival (zie verder), en waren zo beïndrukt door de extatische manifestaties tijdens Branhams diensten dat ze zelf ook hiernaar op zoek gingen. Ze begonnen te bidden en te vasten op zoek naar deze ‘verdieping’ van het christendom, want ze waren bezorgd over de afnemende (aangenomen) werking van de heilige Geest, eens zo duidelijk in het begin van de Pinkstergemeente. Men wilde het geloof weer ‘ervaren’ en ging op zoek naar de extatische ervaringen.
Het vasten en bidden namen een belangrijke plaats in binnen de Latter Rain beweging, geïnspireerd door de leer over vasten en bidden beschreven in het boek ‘The Atomic Power With God Through Fasting and Prayer’ (1946) van de Amerikaanse gebedsgenezer Franklin Hall (1907-1993). Hall onderwees dat vasten een manier was voor opwekking en herstel van de kerk, en dat een christelijk gebed vruchteloos – of tenminste zwaar belemmerd – zou zijn zonder vasten. In wat hij leerde (link) betrad hij de gebieden van astrologie (‘sterrenwichelarij’) en occultisme.
De beweging streefde naar lange periodes van vasten en op 11 februari 1948 profeteerde een jonge vrouw, na een periode van vasten, over een open deur die God had ingesteld voor de studenten en hen vroeg hier doorheen te gaan. Een volgende profetie beschrijft de open deur als de deur naar de gaven en bedieningen in het lichaam van Christus. Men stelde dat hiermee een grote opwekking werd geprofeteerd: de ‘latter rain’.

Sharon Bible College, North Battleford

Tijdens de diensten werden mensen uit het publiek naar voren geroepen en kregen een handoplegging vergezeld van een profetie door zowel de leerkrachten als hun leerlingen. Profetie was een belangrijk kenmerk van de Latter Rain beweging.
Veel geïnteresseerden woonden de diensten bij. Dit leidde tot wat wordt beschouwd als de eerste ‘campmeeting’ (7-18 juli 1948) die uiteindelijk bezocht werd door duizenden bezoekers.

Kritiek

Er was felle kritiek op het afwijkende onderwijs en de ongedwongen benadering van verschillende academische onderwerpen door Hawtin en zijn medestanders. Forse kritiek was er onder andere op het geloof in een demonenleer welke er vanuit ging dat demonische bezetenheid de uitleg is van de vele problemen die gelovigen ondervinden. Daarnaast was er kritiek op het stimuleren van lange tijden van vasten (met veertig dagen als ideaal om zo ‘een speciale kracht/band met God te bereiken’). Ook het manifest ‘zonen van God’ en de toegepaste handoplegging in verschillende situaties vormden punten van kritiek.

Healing Revival

Hawtin en zijn Latter Rain medestanders waren sterk beïnvloed door William Branham (zie verder), een vooraanstaand leidend figuur binnen de genezingsbeweging Healing Revival. Deze ging uit van de fundamentele leerstellingen van de Pinksterbeweging, maar meende dat God een hernieuwde zalving voor genezing aan hen had toebedeeld. De ‘Sharon-broeders’ gingen nauw samenwerken met de genezingsbeweging.
Healing Revival kwam in de VS op in de late jaren (19)40 en (19)50. Branham wordt algemeen beschouwd als de initiatiefnemer en gangmaker van de beweging. Zo was hij de bron van inspiratie voor Thomas Lee Osborns (1923-2013) wereldwijde ‘kruistocht ministery’ (ook in 1958 in Nederland), en tientallen andere kleinere ‘ministeries’ (bediening-organisaties) die betrokken waren bij de Healing Revival. Veel van deze ministeries deelden hun genezing-getuigenissen in het tijdschrift ‘The Voice of Healing’, uitgegeven om zo samenhang mogelijk te maken binnen deze ministeries en de stroming in het algemeen. De Healing Revival stond daardoor ook bekend als de Voice of Healing beweging. Naast Branham waren Oral Roberts (zie verder) en Jack Coe (1918-1956) prominente figuren binnen de beweging.
Een gevolg van de beweging was een hernieuwd geloof in en de nadruk op goddelijke genezing. Daarnaast kwamen thema’s als het geven van tienden, heiligheid, gebed (bidden) en vasten aan bod. De spoedige terugkomst van Jezus was een belangrijk uitgangspunt. Bijeenkomsten werden onder andere gehouden in enorme tenten.

revival tent
Healing Revival tentbijeenkomst

Bij de Latter Rain was profetie een belangrijk kenmerk, terwijl bij de Healing Revival genezing meer op de voorgrond stond. Bij de Pinksterbeweging had tongentaal meer bekendheid.

William Branham

William Branham
William Branham

William Marrion Branham (1909-1965) begon op zijn 24ste als tent-evangelist. Hij had een baptistenachtergrond en beweerde tijdens zijn leven verschillende openbaringen te hebben gehad, waaronder ettelijke met een engel (‘The Voice’: ‘De Stem’) die regelmatig met hem zou hebben gecommuniceerd. Branham was sterk beïnvloed door het werk van Franklin Hall en meende dat de toenmalige nieuwe pinkstergroepen de grote eindtijdopwekking ‘Latter Rain’ inluidden.
Branham was de eerste die handoplegging voor genezing en bevrijding (van vermeende demonen) uitoefende. Hij was de pionier in het concept dat demonische aanwezigheid lichamelijke ziekte kan veroorzaken.

Branham raakte in de loop van de jaren (19)60 in opspraak, omdat hij meende dat de theologie van de Drie-eenheid, zoals in de meeste kerken werd uitgedragen, geen bijbelse basis had. Hij vond het een leugen van de duivel. Hij leerde dat er één God is die zich op verschillende manieren manifesteert. Ook leerde hij dat de ‘Christelijke Bruid’ (de kerk) zich gereed moet maken voor de komst van de ‘Bruidegom’ (Christus). Op basis van deze leer is onder andere de Kingdom Now theologie ontstaan (zie hoofdstuk 5). Daarnaast leerde hij dat Kaïn niet een zoon was van Adam, maar het resultaat van seksuele gemeenschap tussen Eva en de slang in het paradijs. Branham beweerde dat zijn onderricht door goddelijke openbaring aan hem werd gegeven. (Link)

Oral Roberts

Oral Roberts
Oral Roberts

Granville Oral Roberts (1918-2009) was één van de eerste Amerikaanse evangelisten die in jaren (19)50 het medium televisie begon te gebruiken. Hij begon zijn ministery in 1947 en had een methodisten-pinksterachtergrond. Roberts verkondigde de Seed-Faith (‘Zaadgeloof’). Dit is de leer dat de door het geloof ontvangen dingen beginnen als een zaadje. De naam komt uit Mattheüs 17:20: ‘Als u een geloof had als een mosterdzaad, u zou tegen deze berg zeggen: Verplaats u van hier naar daar! En hij zou gaan, en niets zou voor u onmogelijk zijn.’ (HSV) Seed-Faith kent raakvlakken met de leer van de Word of Faith (zie hoofdstuk 7).
Roberts stichtte de Oral Roberts Evangelistic Association (1947) en Oral Roberts University (1963), beide gevestigd in Tulsa (Oklahoma, VS). Hoewel Roberts sympathisant werd van de Word of Faith beweging, waren het in 1979 professor Charles Farah jr. en in 1982 Farahs student Daniel Ray McConnell, allebei verbonden aan de Oral Roberts University, die felle kritiek uitten op de Word of Faith leer.
In het begin van zijn bediening lag bij Roberts sterk de nadruk op genezing en bevrijding, geïnspireerd door Branham. Roberts beweerde zelfs dat hij doden kon opwekken. Door de jaren heen verschoof bij hem het accent echter steeds meer naar evangelisatie. Roberts was een groot voorbeeld voor mensen in het bevrijdingspastoraat* en genezingsbedieningen**. Hij claimde echter vele genezingen waarvan geen bewijzen zijn. Vele profetieën die hij heeft uitgesproken zijn niet uitgekomen. De bekendste is wel die van het City of Faith (Stad van Geloof) ziekenhuis.
220px-CityPlex_Towers_in_Tulsa,_OklahomaRoberts beweerde een openbaring van God te hebben ontvangen om het City of Faith Medical and Research Center te bouwen. In 1989, slechts acht jaar na de opening, bestond er een schuld van 25 miljoen dollar en sloot Roberts het ziekenhuis in Tulsa. Het grootste deel van het complex werd omgebouwd tot kantoorruimte en verhuurd als City Plex Towers (foto rechts).

* Bevrijdingspastoraat: geestelijke verzorging waarin mensen bevrijd worden van vermeende demonische gebonden- of bezetenheid.
** Gebedsgenezing: het pogen mensen te genezen door tussenkomst van een religieus geïnspireerde genezer of predikant.

De ‘Sharon-opwekking’ in het Canadese North Battleford verloor haar kracht na een aantal jaren. Degenen die waren veranderd door de leer vormden verschillende groepen die algemeen bekend werden als de ‘Latter Rain beweging’. Hoewel de Sharon-groep de grote impuls gaf aan de Latter Rain, was het het Elim Bible Institute in Hornell (later in Lima, beide New York, VS) dat in de jaren daarna de leer veel invloed gaf, terwijl de Sharon-groep verbannen werd naar de vergetelheid.

De effecten van de Latter Rain op de belangrijkste pinksterdenominaties was na het midden van de jaren 1950 minimaal. Dit was deels te wijten aan de rol van de Assemblies of God (1914) in de confrontatie met de Latter Rain. Toch hebben toen diverse pinkstergemeenten predikanten en leden verloren aan de Latter Rain. Dit staat echter in schril contrast met het verlies na de opkomst van de ‘derde golf’ in de jaren (19)80. Veel elementen van de Latter Rain en Healing Revival zijn toen uitgangspunten geworden van de moderne charismatische beweging (zie hoofdstuk 5).

(Geraadpleegde bronnen: http://www.apologeticsindex.org/l05.html, https://en.wikipedia.org/wiki/Latter_Rain_(post%E2%80%93World_War_II_movement)Covenant Theology: A Critical Analysis Of Current Pentecostal Covenant Theology)
 

golfHoofdstuk 4: De tweede golf: de charismatische beweging

Na de Tweede Wereldoorlog kwamen delen van de oude kerkgenootschappen onder invloed van de pinksterleer, waaronder de Rooms-Katholieke Kerk en protestantse kerkgenootschappen. Deze stroming noemt men de charismatische beweging; een naam ontleent aan de ‘charismatische gaven’ waar een bijzonder belang aan wordt gehecht (evenals in de Pinksterbeweging).

Voorheen verlieten mensen die een (extatische) pinksterervaring hadden gehad (of hierin geïnteresseerd waren geraakt) hun kerken. Een verandering trad hierin op in de jaren (19)60. De trend werd dat men van in plaats de kerk te verlaten, andere mensen binnen de kerk uitnodigde om diezelfde ervaringen te ondergaan. Deze trend werd toen ook wel ‘neo-pentacostalism’ (nieuwe Pinksterbeweging) genoemd. De mensen bleven in hun methodistische kerken, baptistengemeenten, nazarener kerken, gereformeerde kerken en katholieke kerken, om deze zo van binnenuit te veranderen. Deze ‘nieuwe Pinksterbeweging binnen de kerken’ werd bekend als de charismatische beweging.
Als verschil met de Pinksterbeweging kun je noemen dat de pinkstergelovigen eigen gemeenten kennen en uitgaan van evangelisatie- en zendingswerk. Charismatische gelovigen zien hun beweging meer als een kracht voor vernieuwing binnen de eigen kerken, in rooms-katholieke kringen noemt men dit ook wel ‘de charismatische vernieuwing’ (men sprak liever van ‘vernieuwing’ dan van ‘beweging’, omdat ‘beweging’ toch nog de suggestie van iets náást de kerken zou kunnen geven).

4.1. Kenmerken charismatische beweging

De charismatische beweging is een stroming binnen de christelijke kerken die een grote nadruk legt op het persoonlijk geloof en de ervaring hiervan door de gaven van de heilige Geest (de Geestes- of charismatische gaven). ‘Charismatisch’ is een verzamelwoord voor deze christenen die geloven in deze verschijnselen van de heilige Geest in het leven van een gelovige die de ‘doop met de heilige Geest’ heeft ontvangen. Aanhangers vindt men zowel binnen het katholicisme als het protestantisme.
Het kenmerkende van de charismatische beweging is de leer over de ‘doop met de heilige Geest’ als tweede ervaring. Tweede kenmerk is de overtuiging dat alle bijzondere Geestesgaven er nog zijn en dat een gemeente (en een gelovige) alleen optimaal kan functioneren als die gaven uitgeoefend worden: het spreken in tongen, profetie (profeteren), genezing (meestal door handoplegging), en het ontvangen van bijzondere openbaringen van God. Beide kenmerken gaan uit van de pinksterleer.

4.2. Startpunt charismatische beweging

Dennis Bennett
Dennis Bennett

Het is niet eenvoudig om een precies startpunt voor de charismatische beweging te noemen, maar vaak wordt dit gelegd bij Dennis Bennett (1917-1991), een Amerikaanse episcopale*  priester.
Op 4 april 1960 sprak Bennett in Saint Mark’s Episcopal Church in Van Nuys (Californië, VS) en vertelde zijn gemeente dat hij was ‘gedoopt met de heilige Geest’; een geestelijke ervaring die gepaard gaat met het ‘spreken in tongen’: een in extase uitstoten van onverstaanbare klanken (glossolalie). Tot dan toe kreeg deze ‘doop’ vooral aandacht binnen de Pinksterbeweging. Na afloop van zijn preek ondergingen veel gemeenteleden dezelfde ervaring. Het was een soort herhaling van de gebeurtenissen in 1906 in Los Angeles. Dit werd door de pers opgepikt en zodoende werd dit door heel de VS en verder bekend. Toch bleken zich binnen de gevestigde kerken elders ook vergelijkbare gebeurtenissen te hebben voorgedaan, zonder dat men die goed had weten te plaatsen. Bennet werd gevraagd zijn ambt in Saint Mark’s Episcopal Church neer te leggen, wat hij ook deed. Hij werd daarna één van de gezichtsbepalende figuren van de beweging.

* De Episcopaalse Kerk is de Anglicaanse Kerk (Groot-Brittannië) van de VS. De kerkelijke organisatie lijkt veel op die van het rooms-katholicisme, maar wijkt daar op enkele essentiële punten van af. Sommige kerken beschouwen zich als katholiek, anderen zien zich meer als protestant. (De Anglicaanse Kerk is ontstaan in 1534 toen de Britse koning Hendrik VIII deze afscheidde van de Katholieke Kerk.)

In de jaren (19)60 en (19)70 kwam de aandacht voor de bovennatuurlijke ‘gaven van de Geest’ de gevestigde kerken als de anglicanen, lutheranen en rooms-katholieken binnen. De Katholieke Charismatische Beweging kwam tot stand; in dit kader wordt gesproken over ‘de charismatische vernieuwing’ (binnen de Rooms-Katholieke Kerk).

David du Plessis
David du Plessis

Op internationaal niveau was David du Plessis (1905–1987), afkomstig uit de Zuid-Afrikaanse Pinksterbeweging, van grote invloed. Hij is met name bekend, omdat hij als één van de eerste pinksterchristenen toenadering zocht tot de gevestigde kerken.
Verschillende predikanten van bijvoorbeeld de lutheranen of de (evangelische) southern baptists (het grootste protestantse kerkgenootschap in de VS) werden gevraagd hun kerk te verlaten. Dit in tegenstelling tot priesters binnen de Episcopaalse en Rooms-Katholieke Kerk, op de voorwaarde dat zij niet voor een te grote scheiding van geesten zouden zorgen. De charismatische beweging had binnen de Oosters-orthodoxe Kerk veel minder invloed dan binnen andere kerken.

Veel charismatische christenen zijn terug te vinden binnen de verschillende gevestigde kerken. Dat betekent dat deze charismatische christenen veel van hun geloofsovertuiging delen met de kerkgemeenschap waarvan zij deel uitmaken. Ondanks dit verschil, streven charismatische christenen gemeenschappelijk naar vernieuwing binnen al deze diverse kerken. En die vernieuwing moet ‘charismatisch’ zijn.
In de officiele kerken maakt men een radicaal onderscheid tussen de beginfase (de tijd van de apostelen, toen alles nog in beweging was en de Geestesgaven en -ervaringen uitzonderlijke gebeurtenissen waren die typisch behoren bij de begintijd van de verbreiding van het evangelie) en de tijd daarna (toen alles zijn vaste vorm had en ook de bijbel haar definitieve omvang had gekregen): bijzondere Geestervaringen zouden nu niet meer nodig zijn. Maar volgens charismatische christenen (en pinkstergelovigen) maken de kerken zich hiermee te gemakkelijk af. Zou de heilige Geest zich ook niet vandaag kunnen doen gelden als een bezielende macht, als een macht die in de bestaande kerkelijke orde opschudding teweegbrengt?

 
golfHoofdstuk 5: De derde golf: de neo-charismaten:
krachtevangelisatie, nieuwe apostelen en profeten (NAR), geestelijke oorlogsvoering

Vanaf de jaren (19)80 heeft zich een radicale verandering voorgedaan in evangelische theologie met ingrijpende gevolgen: de ‘derde golf’. Het bleek een voortzetting te zijn van de Latter Rain leer van na de Tweede Wereldoorlog. Men spreekt ook wel van de neo- (nieuwe) charismaten: de moderne charismatische beweging. De twee prominentse personen binnen deze beweging zijn John Wimber en Charles Wagner.

R.K.: Qua theologie zou de titel ‘moderne Latter Rain beweging’ beter zijn (hoewel in het algemeen de leer van Joëls Leger – de manifestatie van de ‘zonen van God’ – niet wordt onderwezen), maar zo wordt de stroming in de praktijk niet benoemd. Deze term geeft echter wel het duidelijke verschil aan tussen deze beweging en de charismatische gelovigen binnen de kerken (die veel van hun geloofsovertuiging delen met de kerkgemeenschap waarvan zij deel uitmaken).
In de praktijk wordt tegenwoordig met ‘de charismatische beweging’ doorgaans deze stroming van neo-charismaten bedoeld. Soms is de aanduiding hiervan ‘extreem charismatisch’ of ‘de moderne charismatische beweging’.

John Wimber

John-Wimber-5
John Wimber

De Amerikaan John Richard Wimber (1934-1997) was voorheen muzikant, onder andere bekend als pianist en manager van The Righteous Brothers. Hij bekeerde in mei 1963 tot het evangelisch christendom en sympathiseerde in het begin met de leer van de Quakers. Wimber leidde in 1970 elf bijbelstudiegroepen, waarbij meer dan vijfhonderd mensen betrokken waren. In 1974 richtte hij het Department of Church Growth op bij het Charles E. Fuller Institute of Evangelism and Church Growth, opgericht door het Fuller Theological Seminary en de Fuller Evangelistic Association. Wimber leidde de afdeling tot 1978 en ontmoette hier Charles Wagner (zie verder).
Wimber sloot zich in 1977 aan bij Calvary Chapel, waar hij een eigen kerk leidde in Yorba Linda (Californië, VS). Wimbers ideeën leidden echter tot een conflict, waarna de kerk zich in 1982 aansloot bij een kleine groep van kerken gesticht door Kenn Gulliksen: de Vineyard Christian Fellowships. Deze kent haar wortels in het evangelisch christendom, maar gebruikte de term ‘Empowered Evangelicals’ (Bekrachtigde Evangelischen) ter onderscheiding van de Pinksterbeweging. Gulliksen droeg na korte tijd de leiding over aan Wimber. Daarna maakten de kerken een groei door, wat resulteerde in de oprichting van de Association of Vineyard Churches (1986).

Uitgangspunten

Wimber legde de nadruk op het stichten van eigen gemeenten (‘church growth’). In de theologie staan wonderen* en tekenen** centraal (krachtevangelisatie). Tevens leerde Wimber dat er tegenwoordig weer nieuwe apostelen en profeten zijn (herstel vijvoudige bediening), en dat christenen een ‘geestelijke oorlog’ moeten voeren met de duivel en zijn demonen. Ook werd door Wimber de Latter Rain eindtijdvisie overgenomen, naast andere leringen.
Wimber en zijn Vineyard-kerken gaan hierbij in tegen de traditionele christelijke uitgangspunten, waarbij gesteld wordt dat (1) de heilige Geest nadat Paulus in Rome aankwam niet meer openlijk zichtbaar is met wonderen en tekenen zoals in de eerste gemeente(n), totdat Jezus terugkomt (de cessationistische visie), (2) apostelen en profeten behoren bij de beginperiode van de kerk (‘het fundament van de gemeente’: Efeziërs 2:19-20), (3) er in de bijbel niet opgeroepen wordt een (geestelijke) strijd aan te binden met de duivel en zijn demonen, (4) de bijbel van een neergang (afval) van het geloof tot Jezus’ terugkeer op aarde spreekt, en niet van een (wereldwijde) opwekking.

* Wonder: een zeer indrukwekkende en naar menselijk denkvermogen (schijnbaar) onverklaarbare gebeurtenis.
** Tekenen: wonderen ‘ter bevestiging van’; in de trant van een kenmerk, een merkteken.

Krachtevangelisatie

Wimber was van mening dat de tongentaal niet het kenmerk is van de ‘doop met de heilige Geest’, maar een kenmerk. Ook ‘uitdrijving van demonen’ (exorcisme) en ‘genezing door handoplegging’ zijn volgens hem kenmerken. Hij baseerde dit op Marcus 16:17-18:
En hen die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: in Mijn naam zullen zij demonen uitdrijven; in vreemde talen zullen zij spreken; slangen zullen zij oppakken; en als zij iets dodelijks zullen drinken zal het hen beslist niet schaden; op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen gezond worden. (HSV)
Hoewel in het algemeen gepleit wordt deze passage niet te gebruiken als basis voor een leer of praktijk, omdat deze niet tot de oorspronkelijke tekst behoort, leerde Wimber dat in de verkondiging van het evangelie de demonstratie van bovenstaande wonderen en tekenen een essentieel element is en door elke gelovige uitgeoefend kan worden. Hij was ervan overtuigd dat wanneer de kracht van het evangelie bewezen werd door deze wonderen en tekenen, mensen tot geloof zouden komen. Hij legde de nadruk op ‘krachtevangelisatie’ door deze uitingen (men noemt dit ook wel ‘powerchristendom’) en de stroming wordt ook wel betiteld als de ‘wonderen en tekenen beweging’ (‘Signs and Wonders Movement’). Het slangen oppakken en iets dodelijks drinken werden door Wimber afgeraden; je kunt er namelijk door sterven.

Wimber had op basis van 1 Korintiërs 12:13 de overtuiging dat de ‘doop met de heilige Geest’ plaatsvindt bij de wedergeboorte en geen tweede ervaring is, maar dat het ervaringsgerichte aspect van de ‘doop’ (zoals het spreken in tongen) zich eventueel pas later kon voordoen. Hij stelde dat men ten onrechte deze eerste Geestesuiting bij een gelovige betitelde als de ‘doop’.
1 Korintiërs 12:13: ‘Wij zijn allen gedoopt in één Geest en zijn daardoor één lichaam geworden, wij zijn allen van één Geest doordrenkt, of we nu Joden of Grieken [niet-Joden] zijn, of we nu slaven of vrije mensen zijn.’ 

Wimber beweerde dat iedere wedergeboren gelovige over elke Geestesgave kan beschikken. Hij zei hierover: ‘My perception is that every born-again christian can manifest any gift that he wants to, because with the coming of the Holy Spirit you have the Source of all gifts.’ (‘Mijn zienswijze is dat elke wedergeboren christen elke gave kan manifesteren die hij wil, want met de ontvangst van de heilige Geest heb je de bron van alle giften.’)

In navolging van hoofdstuk 2 kunnen we de theorie/theologie over ‘de doop’ nu als volgt kort schematisch samenvatten (bekering is inclusief wedergeboorte):
Methodisme-stroming Heiligingsbeweging: bekering — heiliging — Geestesdoop.
Parham: bekering — heiliging — Geestesdoop — tongentaal als bewijs.
Seymour: bekering — heiliging — doop met de heilige Geest, waardoor een gelovige de beschikking krijgt over de (bovennatuurlijke) Geestesgaven — tongentaal als bewijs.
Durham: bekering — doop met de heilige Geest — tongentaal als bewijs.
Wimber: bekering/doop met de heilige Geest — tongentaal als een bewijs (naast genezingen en demonen uitdrijven).

Bijzondere openbaringen

Wimber stelde dat de bijbel het woord voor toen was en dat de huidige profetenwoorden, dromen, beelden, visioenen en stemmen, Gods Woord voor nu zijn. Deze zijn volgens hem een uitbreiding op wat in de bijbel geschreven is (buiten- of extra-bijbelse openbaringen). Wimber baseerde dit alles op de profetie uit Joël 2:28-29:
Daarna zal het geschieden dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees: uw zonen en uw dochters zullen profeteren, uw ouderen zullen dromen dromen, uw jongemannen zullen visioenen zien. Ja, zelfs op de dienaren en op de dienaressen zal Ik in die dagen Mijn Geest uitstorten. (HSV)
Tegen de traditioneel christelijke eis dat elk gebruik, elke ervaring en elke leer een duidelijke basis in de bijbel moet hebben, bracht Wimber in dat we de Geest niet mogen opsluiten in de bijbel. Hij ging hiermee in tegen het protestantse principe van de Sola Scriptura (de bijbel is genoeg), iets dat de vroege Pinkstergemeente onderschreef .

Worship

Een belangrijk onderdeel in de Vineyard-diensten is ‘worship’ (aanbidding). Een muziekband neemt hier een centrale plaats in. De liedjes zijn modern en pop-achtig.

Kerkgroei

Wimber legde een bijzondere nadruk op de stichting van gemeenten (Engels: ‘church growth’ of ‘church planting’). Het zijn lokale en zelfstandige gemeenten binnen een bestaand netwerk. ‘Kerkgroei is de beste vorm van evangelisatie’, meende Wimber. Zowel tijdens zijn leven als na zijn dood (1997) heeft de Vineyard beweging vele honderden gemeenten, zowel in de VS als daarbuiten, gesticht (wereldwijd anno 2017 ruim 1650).

Wimber was aanhanger van de Kingdom Now theologie in navolging van de Latter Rain (zie verder ‘Kingdom Now’).

Nieuwe apostelen en profeten (NAR)

Charles Peter Wagner
Charles Wagner

De term ‘derde golf’ is in 1983 geïntroduceerd door de Amerikaanse theoloog Charles Peter Wagner (1930). Sinds 1982 draagt hij samen met Wimber de leer uit van hedendaagse krachtevangelisatie en ‘church growth’. Naast zijn inzet voor geestelijke oorlogsvoering (zie verder) is Wagner bekend geworden om zijn theorie van de Nieuwe Apostolische Reformatie (NAR). Een reformatie is een hervorming die een bepaald herstel als doel heeft.
Wagner diende als zendeling in Bolivia onder de South American Mission and Andes Evangelical Mission (nu SIM International) van 1956 tot 1971. Daarna diende hij gedurende dertig jaar (1971-2001) als hoogleraar Church Growth (kerkgroei) aan het Fuller Theological Seminary’s School of World Missions (Pasadena, Californië, VS) tot zijn pensionering in 2001. Hier werkte hij van 1975 tot midden 1977 samen met Wimber. Wagner was de voorzitter van Global Harvest Ministries van 1993 tot 2011 en is momenteel verbonden aan het Wagner Leadership Institute (Pasadena, Californië, VS), gesticht door hemzelf in 1998. Daarnaast is Wagner momenteel de vice-president van Global Spheres Inc.. Hij is auteur van meer dan zeventig boeken.

Wagner meent dat God de vijfvoudige bediening aan het herstellen is. Deze hersteltheologie gaat ervan uit dat in de christelijke geschiedenis een neerwaartse en opgaande lijn te zien is.
De neergaande lijn is begonnen toen de Romeinse keizer Constantijn de Grote in 313 het christendom institueerde (waarna in 380 de Katholieke Kerk als staatsgodsdienst van het Romeinse rijk werd uitgeroepen). Daarna zijn er vele misstanden gegroeid.
De 
Reformatie (1517) begon met het herstellen van de waarheden; in dit geval de genade van Jezus Christus. Sindsdien zijn er continu vernieuwingsbewegingen geweest die iets van die verborgen waarheden openbaarden. Zo legden het Puritanisme en Piëtisme de nadruk op een persoonlijke relatie met de Schepper.* Begin vorige eeuw ‘ontdekte’ de Pinksterbeweging de heilige Geest en het spreken in tongen. Nu zou God de vijfvoudige bediening aan het herstellen zijn met nieuwe apostelen en profeten: de Nieuwe Apostolische Reformatie (‘New Apostolic Reformation’: NAR).
Wagner leert dat de eindtijd nu al is aangebroken, met als bewijs de huidige ‘wonderen, tekenen en nieuwe openbaringen’. De verwachting is dat Jezus zal terugkeren bij het volledige herstel van de gemeente (de kerk). Wagner bouwde hiermee duidelijk voort op de Latter Rain leringen en legde hiermee de basis voor de huidige internationale apostolische en profetische beweging. Een bekend voorbeeld hiervan is de Kansas City Prophets (KCP, nu Metro Christian Fellowship, Missouri, VS), met als enkele bekende namen Rick Joyner (1949), Paul Cain (1929), Bob Jones en John Paul Jackson. 

* Het Puritanisme maakt deel uit van een internationale piëtistische beweging binnen het protestantisme in de zeventiende en achttiende eeuw. Zo was er in Duitsland het Piëtisme, in Nederland de Nadere Reformatie en ontstonden in de VS binnen puriteinse kringen de First en Second Great Awakening.

Kingdom Now

De Latter Rain zienswijze op de eindtijd mondde in de jaren (19)70 uit in de heerschappij– en hersteltheologie welke bekend staat als Kingdom Now (Koninkrijk Nu). Deze leer kreeg vooral bekendheid vanaf 1980. De theologie is een vorm van chiliasme of millennialisme en is een postmillennialistische leer: een interpretatie van Openbaring 20 die de terugkomst van Jezus plaatst na (Engels: ‘post’) het duizendjarig vrederijk. De leer is sterk beïnvloed door de Latter Rain en gaat uit van huidige nieuwe apostelen en profeten (herstel vijfvoudige bediening), en ‘geestelijke oorlogsvoering’ (zie verder).
De Kingdom Now theologie stelt dat God sinds de zondeval door Adam en Eva, de controle over de wereld heeft verloren aan Satan. God zou nu op zoek zijn naar mensen die hem zullen helpen deze heerschappij te herstellen. De leer gaat er van uit dat Jezus niet eerder kan terugkeren op aarde, totdat al zijn vijanden door de gelovigen bedwongen zijn.

Wij bevinden ons volgens Kingdom Now nú in het koninkrijk van God en als gevolg daarvan zouden de gelovigen over de aarde moeten regeren (naar Openbaring 5:10). Een strategie hierbij is te proberen sociale instellingen – waaronder overheden en wetten – onder Gods gezag te brengen. Kingdom Now aanhangers zijn dan ook tegen scheiding van kerk en staat, en streven naar een totale theocratie (regeringsvorm waarbij de geestelijke overheden tevens het staatsbestuur in handen hebben).
Wagner meent dat Kingdom Now de beste praktische theologie is om sociale veranderingen in de samenleving door te voeren. Politiek actieve christenen, vooral in de VS, willen als gevolg hiervan invloed krijgen op seculier (niet christelijk) burgerlijk bestuur. Dit is in de VS onder andere terug te vinden in het Oak-project. Dit project is door meer dan driehonderd leiders van ‘ministries’ opgezet om in de VS het politieke, culturele en sociale leven in lijn met de bijbel te brengen.

Geestelijke oorlogsvoering

armourWagner is ook bekend geworden door zijn zienswijze op ‘geestelijke oorlogsvoering’ (‘geestelijke strijd’ of ‘spiritual warfare’), in navolging van de Kingdom Now leer. De basisvisie van Wagner is dat christenen een ‘strategisch-geestelijke oorlogvoering’ tegen Satan en zijn demonen moeten voeren om de wereldwijde opwekking (de ‘Latter Rain’) voor te bereiden, en zodoende de terugkomst van Jezus op aarde. Wagner meent dat er drie niveaus zijn binnen deze ‘oorlogsvoering’:

1. Grondniveau: Persoon tot persoon; bidden voor elkaars persoonlijke behoeften. Dit verwijst naar het uitdrijven van demonen uit mensen (bevrijdingspastoraat).

2. Occult niveau: Houdt zich bezig met demonische krachten vrijgegeven door activiteiten die verband houden met satanisme, hekserij, astrologie en andere vormen van occultisme (sjamanen, New Age channelers, occultisten, tovenaars, waarzeggers).

3. Strategisch of kosmisch niveau: Het terugdringen en ontbinden van demonen die over regeringen en overheden heersen. Op dit niveau maakt men gebruik van ‘spiritual mapping’: geestelijke (territoriale) machten worden boven een bepaald gebied in kaart gebracht, waarna wordt gebeden om deze te bestrijden, ook op de plek zelf. Het houdt in het ‘ontdekken’ waar demonen het meest actief en krachtig zijn, waarom ze die macht kunnen behouden en ook wat hun namen zijn.

Het uitgangspunt van Wagner bij dit alles is dat Satan en zijn demonen letterlijk in de wereld zijn, dat territoriale demonen van Satan kunnen worden geïdentificeerd bij naam en dat christenen verplicht zijn een geestelijke strijd met hen aan te gaan.

Samengevat

De derde golf theologie kent zijn oorsprong bij John Wimber en Charles Wagner. De neo-charismatische leer blijkt een voortzetting te zijn van de Latter Rain. De theologie kent als basis hedendaagse krachtevangelisatie (tongentaal, exorcisme, genezingen), het geloof in nieuwe apostelen en profeten (herstel vijfvoudige bediening), en ‘geestelijke oorlogsvoering’. Men is aanhanger van de Kingdom Now leer.

Kritiek op de derde golf beweging

(Bron: Covenant Theology, pagina 48-50)

Opmerking: Omdat de Toronto Blessing en de Word of Faith beweging (‘de vierde golf’; zie de volgende hoofdstukken 6 en 7) een concreet resultaat of invulling zijn van de derde golf theologie, worden deze soms ook wel geschaard onder de noemer ‘derde golf’. Onderstaande kritiek betreft dan ook tevens deze beide bewegingen.

Kritiek op de derde golf beweging is dat – in tegenstelling tot de ‘oude’ Latter Rain beweging, die uitging van een pure geestelijke opwekking – deze ‘nieuwe’ Latter Rain beweging macht, heerschappij, gezondheid, welvaart en sociaal-politieke veranderingen nastreeft. Dit hedendaagse onderwijs heeft in alle opzichten als doel overname van huidige pinkster- en charismatische stromingen.

De beweging laat geen ruimte voor het natuurlijke; alles is ofwel goddelijk ofwel demonisch. Hoewel schijnbaar academisch in hun geschriften, interpreteert men historisch kritisch onderzoek (bijbelwetenschap) ofwel op eigen wijze of verwerpt men simpelweg de conclusies hiervan, waarbij men zich uitsluitend baseert op eigen ervaring.
Tegenstanders van dit concept stellen dat Jezus geen ophef maakte over demonen; in het Nieuwe Testament exorcisme (uitdrijving van boze geesten) geen teken van geloof was; er in de bijbel geen geestelijke oorlog is tussen de gelovigen en demonen; en de uitdrijving door deze derde golf evangelisten meer lijkt op de praktijk van heidense exorcisten; het lijkt in ieder geval niet op de gevallen van demonenuitdrijving in het Nieuwe Testament, waar de strijd al gewonnen is.

In 2002 verwoordde de Assemblies of God haar standpunt ten opzichte van de derde golf leer als volgt: ‘We keuren Latter Rain doctrines (leringen) en praktijken af, zoals “impartatie”, “birthing” (niet vertaald, omdat het mij onduidelijk is wat hiermee bedoeld wordt), “Joëls Leger” en de “vijfvoudige ministeries” bestempelt als “bedieningen” met “voorspellende profetie” en andere vreemde leringen “die schriftuurlijk zijn opgericht, maar enkel dienen om eensgezindheid af te breken… en neigen naar het stichten van verwarring en verdeeldheid”.’
(‘That we disapprove of Latter Rain doctrines and practises such as “impartation”, “birthing”, “Joël’s Army” and the “five fold ministries” thought as “offices” with “predictive prophecy” and other extraneous teachings “which being founded scripturally, serve only to break fellowship…and tend to confusion and division”.’)
 

golfHoofdstuk 6: De vierde golf:
de Toronto Blessing en de Word of Faith beweging

Een verdere ontwikkeling van de derde golf theologie werd gedaan door de Toronto Blessing (Toronto Zegen) en de Word of Faith (Woord van Geloof) beweging. Dit noemt men wel ‘de vierde golf’ (hoewel sommigen deze twee bewegingen onder de ‘derde golf’ scharen). De Toronto Blessing beweging oefent op dit moment (2014) wereldwijd een grote invloed uit binnen de verschillende charismatische stromingen. Zo hebben in Nederland naar schatting zo’n honderd (pinkster- en evangelische) charismatische gemeenten de Toronto Blessing leer omarmd

Toronto Blessing beweging

De Toronto Blessing beweging is begonnen in januari 1994 in een Vineyard gemeente in het Canadese Toronto. De stroming is vooral bekend geworden door de extatische (een verlies van controle over zichzelf) manifestaties (lichamelijke of emotionele uitingen) die aan de werking van de heilige Geest worden toegeschreven, zoals het ‘lachen in de geest’, ‘dronken in de geest’, het ‘vallen en rusten in de geest’ en zelfs het maken van dierengeluiden (‘brullen, blaffen, krijsen… in de geest’). Minder komt voor het ‘dansen in de geest’ (een soort van tap- of balletdansen).
Op de eigen site schrijft men: ‘De Toronto Blessing is een overdraagbare zalving (zegen). In zijn meest zichtbare vorm overwint het aanbidders met uitbarstingen van lachen, huilen, kreunen, schudden, vallen, “dronkenschap” en met zelfs gedragingen die zijn beschreven als een “kruising tussen een jungle en een boerderij”.’
De manifestaties kennen grote raakvlakken met de extatische verschijnselen tijdens het ontstaan van de Pinkstergemeente in Los Angeles. Dezelfde emotionele reacties waren ook te aanschouwen gedurende de vroegere Britse opwekkingen en The First en Second Great Awakening in de VS, en vergelijkingen zijn onder meer gemaakt met bepaalde mystieke ervaringen binnen het Hindoeïsme en mystieke en gnostische tradities van andere religies wereldwijd (zie hoofdstuk 10.4. en 10.5.).

‘In de geest’ manifestaties

Het ‘lachen in de geest’ (‘heilig lachen’ of ‘holy laughter’) komt er op neer dat de gelovige zo vol is van de ‘heilige Geest’ dat deze een enorme lachkick krijgt. Het gaat soms zover dat men er ‘dronken van wordt in de geest’. Men zou dan zo vol van Gods glorie zijn, dat men niet meer op de benen kan blijven staan en als een dronken persoon rondloopt.
image002‘Vallen en rusten in de geest’ gaat letterlijk om ‘vallen’: iemand legt een ander de handen op en het gevolg is dat degene die de handen wordt opgelegd, achterover valt. Sommigen maken schokkende bewegingen en/of blijven een tijd in zwijm op de grond liggen. De Toronto beweging beweert dat de heilige Geest de oorzaak is van deze manifestaties. John Arnott (zie verder) legde tijdens een predikantenmeeting (19 oktober 1994) uit: ‘Er gebeurt een overdracht van de zalving van de Geest die je niet alleen ziet, die je niet alleen zelf ervaart, maar die je ook mee naar huis neemt naar je eigen mensen.’
Critici stellen echter dat deze ‘in de geest’ ervaringen het gevolg zijn van suggestieve beïnvloedingspraktijken door de voorgangers zelf, het verwachtingspatroon binnen het publiek en de sfeer tijdens de diensten (zie hoofdstuk 10.5. en 10.6.).

Begin Toronto Blessing

John en Carol Arnott
John en Carol Arnott

Het voorgangersechtpaar John en Carol Arnott van de (Vineyard) Airport Church (ontstaan rond 1988), bij het vliegveld van Toronto, raakten geïnspireerd door opwekkingen in Argentinië en Zuid-Afrika. Ze nodigden Randy Clark van de Vineyard kerk te Saint Louis (VS) uit in januari 1994, waarna deze drie maanden in Toronto predikte . Clark was in augustus 1993 in Tulsa (VS) beïnvloed door BrownRodney Howard-Browne (1962) (foto links), een Zuid-Afrikaanse Word of Faith prediker met een ministry in Louisville (VS). Howard–Browne was de vroegst bekende voorstander van het ‘heilig lachen’ en wordt de ‘heilige Geest barkeeper’ genoemd, door de vele ‘dronken in de geest’ manifestaties tijdens zijn diensten. In Toronto introduceerde Clark de aanpak en technieken van de Zuid-Afrikaan en de daarmee gepaard gaande extatische manifestaties en ervaringen. Tijdens dat jaar groeide de kerk naar duizend leden. Clark richtte daarna in hetzelfde jaar de ministry Global Awakening op.

Randy Clark

Bezoekers van de opwekking namen de aanpak en methoden weer mee naar hun eigen gemeenten. Meldingen van soortgelijke opwekkingen kwamen daarna uit Atlanta, Anaheim, Saint Louis, een aantal Canadese steden, Cambodja en Albanië. Grootschalige opwekkingen als de Toronto Blessing hebben later ook plaatsgevonden in Pensacola, Florida, VS (de zogeheten Brownsville Revival, 1995-2000) en Bath (Engeland).

In 1995 plaatste Wimber de Airport Church buiten het verband van de internationale Vineyard beweging. Hij vond dat in Toronto veel te veel de nadruk werd gelegd op de vreemde extatische manifestaties en de Vineyard beweging was niet bij machte hier goed toezicht op te houden. Wimber spreekt in zijn brief aan de 550 wereldwijd verspreide Vineyard kerken van ‘exotische (door een ander klimaat voortgebrachte) praktijken die buiten-bijbels zijn’. Gelijktijdig schrijft hij in dezelfde brief: ‘Dat gezegd hebbende, ben ik persoonlijk niet van mening dat dit demonisch of per se goddelijk is. Ik breng dit onder in de categorie “ik weet het niet”.’ Feit is dat Wimber deze ‘in de geest’ praktijken afkeurde.
De kerk in Toronto ging zelfstandig verder als Toronto Airport Christian Fellowship (TACF) en heet tegenwoordig ‘Catch The Fire Toronto’. In 1996 stichtte de TAFC ‘Partners in Harvest’, met als doel alle door de opwekking geraakte (wereldwijde) groeperingen te verenigingen. Later werd ook nog ‘Friends in Harvest’ opgericht.

Bevrijdingspastoraat

Door de beweging heeft het bevrijdingspastoraat een grote stimulans gekregen, maar werden de bevrijdingsdiensten ook extremer dan daarvoor. Bevrijdingspastoraat is de geestelijke verzorging waarin mensen bevrijd worden van vermeende demonische ‘gebonden’- of bezetenheid. Men stelt dat ‘gebondenheid’ (demonische invloed op een bepaald wilsgebied van een persoon) kan ontstaan doordat je ergens zonde je leven hebt binnengelaten, door dingen die je hebt meegemaakt (verwondingen aan ziel en geest) of vanuit je voorgeslacht (generatievloeken). Daarnaast leert men dat ook een christen demonisch gebonden of bezeten kan zijn. (Zie voor uitleg hoofdstuk 10.1. ‘Bevrijdingspastoraat’.)
Men onderwijst hoe je kunt ‘opereren in het bovennatuurlijke’: spreken in tongentaal, profeteren, leren wat God in dromen en visioenen tegen je zegt, onderricht in lichamelijke en geestelijke genezing, en geestelijke oorlogsvoering.

‘Vaderhart van God’

Opvallend aan de Toronto Blessing was dat deze weliswaar bekend werd vanwege de ‘in de geest’ manifestaties, maar eigenlijk draaide om de ‘openbaring van het vaderhart van God’. Deze boodschap luidt: kom zoals je bent en weet hoe kostbaar je bent in Gods ogen. Gods liefde wordt hierin benadrukt en velen houden zich vast aan de gelijkenis van de verloren zoon, waarin de vader op de uitkijk blijft staan (Lucas 5:11-32).
 

Word of Faith beweging

Binnen de Toronto Blessing stroming komt het voor dat aspecten van de Word of Faith leer onderwezen worden. De Word of Faith beweging wordt dan ook wel geschaard onder de noemer ‘de vierde golf’, hoewel zij een eigen oorsprong kent. De beweging wordt in het hoofdstuk hieronder behandeld.
 

Hoofdstuk 7: Word of Faith

Word of Faith (Woord van Geloof) is een beweging die uitgaat van een letterlijke interpretatie van bijbelteksten. De beweging kent enkele overeenkomsten met de pinksterleer, maar heeft als oorsprong de leringen van de New Thought beweging.

De Word of Faith predikt inhoudelijk een andere redding door de verzoening* dan de traditionele christelijke leer. Bovendien onderwijst men dat de verzoening door Jezus is volbracht in de hel, en niet aan het kruis.
De redding houdt volgens Word of Faith in dat een wedergeboren gelovige een nieuw wezen (schepping) is geworden door het geloof in Jezus Christus (naar aanleiding van 2 Korintiërs 5:17** en Galaten 6:15***): iedere gelovige is een ‘kleine god’ en gezondheid en voorspoed zijn beloofd aan alle gelovigen, en beschikbaar door het ‘woord van geloof’ (‘word of faith’) door het uitspreken van een ‘positieve belijdenis’. Basis hiervan is dat de beweging het geloof definieert als een daadwerkelijke spirituele (geestelijke, niet-stoffelijke) letterlijke kracht, beschikbaar voor elke gelovige (uitleg volgt). Critici – ook binnen de Pinksterbeweging – betitelen deze leringen als afwijkend en niet-christelijk (ketters) .
De term ‘Word of Faith’ is afgeleid van Romeinen 10:8 die spreekt van ‘het Woord des geloofs, dat wij prediken’. (HSV)

* De verzoening is het herstel van de relatie tussen de mens en God. Traditionele christenen geloven dat Jezus het door zijn dood aan het kruis mogelijk heeft gemaakt om deze relatie te herstellen, nadat de mens deze door zondig te zijn verbroken had. ‘Verzoening’ houdt in zijn algemeenheid in dat de vriendschap in een relatie hersteld wordt, nadat er een breuk is opgetreden.
** 2 Korintiërs 5:17: ‘Daarom ook is iemand die één met Christus is, een nieuwe schepping. Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen.’
*** Galaten 6:15: ‘Het is volkomen onbelangrijk of men wel of niet besneden is, belangrijk is dat men een nieuwe schepping is.’ 

7.1. Ontstaan Word of Faith theologie

Phineas Quimby
Phineas Quimby

De Word of Faith beweging wordt gerekend tot de moderne of neo-charismatische beweging, maar kent een andere oorsprong. Haar wortels liggen bij de Amerikaanse hypnotiseur en magnetiseur Phineas Parkhurst Quimby (1802-1866). Hij verkondigde een eigen leer met betrekking tot genezingen en geloofde dat ziekte en kwalen genezen konden worden door positieve gedachten en een positieve houding, door je opvattingen over ziekte te veranderen. Ziekte ontstaat volgens hem in de geest als gevolg van foute gedachten of overtuigingen en een gedachte die openstaat voor Gods wijsheid kan elke ziekte overwinnen. Quimby geneesde veel psychosomatische ziekten en klachten. Hij gebruikte hierbij hypnosetechnieken (mesmerisme).

Quimby’s metafysisch werk wordt algemeen erkend als de basis die heeft geleid tot de New Thought (Nieuwe Gedachte) beweging, ontstaan in de VS in het begin van de negentiende eeuw. New Thought bevordert de volgende ideeën: oneindige Intelligentie – of God – is immanent (het goddelijke manifesteert zich in de materiële wereld), de menselijke geest is de totaliteit van de echte dingen, de ware menselijke persoonlijkheid is goddelijk, een gelovige gedachte is een kracht voor goed, ziekte ontstaat in je geest en ‘positief denken’ heeft hierop een helende werking.
Met bovenstaande ideeën als uitgangspunt leert men de law of attraction (wet van aantrekking): door de focus op positieve of negatieve gedachten brengt een persoon positieve of negatieve ervaringen in zijn leven. Dit zou een basisregel zijn van/in het leven. Hoewel Quimby nooit de uitdrukking ‘law of attraction’ heeft gebruikt, was zijn basisaanname dezelfde – hoewel Quimby zich slechts beperkte tot genezingen. Naast genezingen en gezondheid past de New Thought beweging zijn zienswijze echter ook toe op het terrein van financiën, relaties en ambities. De oorsprong van de law of attraction ligt in het hermetisme, New England transcedentalisme en het Hindoeïsme.
Voorbeelden van New Thought bewegingen zijn Christian Science (waarvan oprichtster Mary Baker Eddy patiënt en leerling was van Quimby) en de New Age beweging.

Vermenging door Kenyon

Essek William Kenyon
Essek Kenyon

Uitwerker van het concept van de law of attraction door de ‘postieve belijdenis’ is de Amerikaan Essek William Kenyon (1867-1948). Hij was voorganger bij de New Covenant Baptist Church en oprichter van het Bethel Bible Institute in Spencer (Massachusetts, VS). Kenyon combineerde de New Thought leer met de pinksterleer, wat resulteerde in een doctrine waarin mystiek en orthodox christendom vermengd zijn.
Kenyons redenatie mondde uit in de centrale leer dat gezondheid en voorspoed beloofd zijn aan alle gelovigen en beschikbaar zijn door geloof: als men positief denkt en belijdt kan men zijn eigen positieve gezondheid en voorspoed scheppen. Het is hiermee een welvaartsevangelie (of succes- of voorspoedevangelie). Dit duidt een christelijke leer aan die een grote mate van materiële rijkdom en gezondheid in dit leven belooft aan wie gelooft. Een slogan van Kenyon was: ‘What I confess, I possess.’

download (9)
Kenneth Hagin

De Amerikaanse pinksterprediker Kenneth Erwin Hagin (1917-2003) nam Kenyons leer over en werd de ‘vader’ van de Word of Faith beweging. Hagin, afkomstig uit de genezingsbeweging Healing Revival, was beïnvloed door William Branham en Tommy Lee Osborn (1923-2013). In 1963 richtte hij de Kenneth E. Hagin Evangelistic Association op (verhuisd in 1966 naar Tulsa, Oklahoma, VS). Hierna opende hij in 1974 in Tulsa het RHEMA Bible Training Center.
Volgens hemzelf onderging Hagin op 22 april 1933 zijn bekeringservaring. Hij vertelde dat hij in een tijdsbestek van tien minuten driemaal gestorven is (uit zijn lichaam getreden) en iedere keer de poort van de hel zag, maar steeds weer tot leven kwam. De derde keer vroeg hij om vergeving van zijn zonden. Hagin claimde ook dat hij in 1934 door een openbaring van God opstond van het sterfbed. Hij beweerde nog meerdere malen directe openbaringen van Christus te hebben ontvangen.

Er bestaat geen theologisch bestuursorgaan voor de Word of Faith beweging. De ministeries zijn onafhankelijk en staan op zichzelf.

7.2. Uitgangspunten Word of Faith 

De Word of Faith leer zoals tegenwoordig uitgedragen, bezit maar weinig orthodox christelijke uitgangspunten. Dit komt tot uiting in wat men leert over diverse onderwerpen. De Word of Faith wordt dan ook door critici (ook binnen de Pinksterbeweging) betiteld als een ketterij (zie 7.3. en hoofdstuk 10.7.).

Woord van geloof (word of faith)

Het geloof wordt door de Word of Faith gedefinieerd als een kracht naar aanleiding van Marcus 11:22-23:
En Jezus antwoordde en zei tegen hen: ‘Heb geloof in God. Want, voorwaar, Ik zeg u: wie tegen deze berg zal zeggen: Word opgeheven en in de zee geworpen, en niet zal twijfelen in zijn hart, maar zal geloven dat wat hij zegt, gebeuren zal, het zal hem gebeuren wat hij zegt.’ (HSV)

‘Geloof’ is een onafhankelijke spirituele kracht en een fundamentele wet van het universum. God schiep het universum door zijn geloof. Hij visualiseerde het in zijn verbeelding en sprak het toen tot bestaan door ‘gelovige woorden’ uit te spreken. ‘Laat het zo zijn’ en geloven dat het zou zijn.
De basis van de leer betreft dit ‘word of faith’ (‘woord van geloof’) en het is deze leer waar de beweging haar naam aan ontleent. Er wordt aangenomen dat ‘woorden van geloof’ kunnen worden gebruikt om te realiseren wat men gelooft met betrekking tot gezondheid en rijkdom. Wetten inzake deze ‘kracht van geloof’ worden verondersteld onafhankelijk te zijn van Gods wil en dat God zelf onderworpen is aan deze wetten.

Positieve belijdenis

De concrete invulling van deze ‘woord van geloof/word of faith’ leer is dat van de positieve belijdenis (Kenyon bouwde hiermee verder op het concept van de ‘law of attraction’).
De mens kan de ‘kracht van geloof’ gebruiken om zijn eigen werkelijkheid creëren. Het gaat om het visualiseren (als beeld voorstelbaar maken) van wat je wilt en het dan in bestaan spreken met het geloof in uw woorden, de zogenaamde positieve belijdenis: ‘name it and claim it’ (‘benoem het en maak er aanspraak op’). Deze belijdenis kan bijvoorbeeld bestaan uit het uitspreken van een belofte uit de bijbel. Dit zal energie opwekken om zo het beoogde doel te verwezenlijken. Een ‘negatieve bekentenis’ kan dan ook negatieve resultaten opleveren; gelovigen moeten dus bewust zijn van hun woorden. Zij halen hierbij het eerste gedeelte van Spreuken 18:21 aan:Leven en dood zijn in de macht van de tong,…‘ (HSV) en ook Numeri 14:28: … zegt de Heer, zoals u in mijn oren gesproken hebt, dus zal ik doen. (HSV)

Leer over genezing (ziekte en lijden)

De positieve belijdenis is duidelijk herkenbaar in de leer over genezing. Word of Faith leert dat volledige genezing (van geest, ziel en lichaam) onderdeel is van Christus’ verzoening. Hierbij wordt Jesaja 53:5 aangehaald: ‘door zijn striemen is ons genezing geworden’, (HSV) en Matheus 8:17, die zegt dat Jezus de zieken genas, zodat ‘…vervuld zou worden, hetgeen gesproken is door Jesaja de profeet: “Zelf nam Hij onze zwakheden en droeg onze ziektes”.’ (HSV)
In deze leer van genezing zie je heel duidelijk dat men uitgaat van een letterlijke interpretatie van bijbelteksten.

Ziekte en lijden zijn demonische machten, waarvan Jezus de gelovigen heeft verlost. We kunnen onze genezing opeisen door geloof (‘name it and claim it’): het tot stand spreken van onze gezondheid door een positieve belijdenis. Omdat de mens in feite een geest is die enkel in een lichaam woont, zijn ziekte en genezing hoofdzakelijk geestelijke en niet lichamelijke werkelijkheden. Dus als de fysieke symptomen van de ziekte aanhouden nadat we onze genezing hebben opgeëist, is dit alleen wat onze lichamelijke zintuigen ons vertellen. We moeten deze zintuiglijke kennis ontkennen door de hogere geest-kennis van het geloof, welke weet dat de genezing echt is opgetreden in het geestelijke rijk. Het is echter niet het ontkennen van de pijn of ziekte. Volgens de aanhangers zijn ziekte en lijden pogingen van Satan om gelovigen te bestelen van hun recht op totale gezondheid en geluk.

Verzoening: Jezus stierf geestelijk (JDS)

De Faith leraren ontkennen dat de dood van Jezus aan het kruis zondaars redt! Wat er volgens hen echt gebeurde aan het kruis was dat Jezus daadwerkelijk zondig werd. Hij nam de spirituele aard van Satan op zich en werd zo omgevormd van een goddelijk naar een demonisch wezen; hetzelfde als wat – volgens hen – Adam was gebeurd in Eden. Deze leer wordt aangeduid als JDS (Jesus died spiritually: Jezus stierf geestelijk): de verzoening vond niet plaats aan het kruis, maar na Jezus’ dood in de hel.

Men stelt dat de ‘gedemoniseerde geest’ van Jezus naar de hel ging, waar hij werd gemarteld door demonen gedurende drie dagen en drie nachten. Daarna werd Jezus geestelijk herboren in de hel en versloeg Satan door zijn herstelde goddelijkheid. De consequentie van deze ‘geestelijke dood’ is dat de Word of Faith leert dat Jezus opnieuw geestelijk geboren moest worden. Dit zou dan bij zijn opstanding zijn gebeurd. Dezelfde wedergeboorte wordt nu verleend aan iedere gelovige, die dan bevrijd wordt van zijn satanische natuur en een (kleine) god wordt.

Vergoddelijking van de mens: kleine goden

De Word of Faith leiders leren dat de gelovigen ‘kleine goden’ zijn. Een veel voorkomende uitspraak binnen de beweging is dat God de mens heeft gemaakt als een ‘exact duplicaat van God’, naar aanleiding van Genesis 1:26-27 en Johannes 10:34.
Genesis 1:26-27: ‘God zei: “Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken; zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt.” God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen.’ 
Johannes 10:34: ‘Jezus zei: Staat er in uw wet niet geschreven: “Ik heb gezegd: ‘U bent goden?’” (Jezus haalt hier de tekst uit Psalm 82:6 aan.)

De Word of Faith stelt dat een mens zijn verloren godheid (door de zondeval in het paradijs) kan terugwinnen door zich te bekeren tot Christus en deze gelovige dan een incarnatie (vleeswording) van God wordt, evenals Jezus Christus was: de gelovige is een andere Christus. De ‘Faith-uitleg’ hierover:
Adam was in het paradijs Gods gelijke, hij was ‘God geopenbaard in het vlees’: de god van de planeet aarde. De mens heeft geen onafhankelijke aard van zichzelf, het enige wat hij kan doen is delen in ofwel Gods aard of dat van Satan. Door toe te geven aan Satan (door de zondeval), verloor Adam zijn godheid aan de duivel. Deze werd daarmee terecht en legaal ‘de god van deze wereld’: nadat Adam gezondigd had, is God zijn autoriteit (macht, gezag) over de aarde kwijtgeraakt aan Satan.
Samengevat: Door de zondeval kende Adam een duivelse wedergeboorte en verwierf hiermee Satans natuur. Maar door Christus kan een mens zijn verloren godheid terugwinnen. Men onderbouwt dit met Genesis 1:26-27 en Johannes 10:34 (hierboven weergegeven).
N.B. Verscheidene Faith leraren, bijvoorbeeld Rodney Howard-Browne, menen dat Christus zijn ware godheid verlaten heeft toen hij mens werd. Op aarde nam hij slechts deel aan Gods natuur in dezelfde zin als de onschuldige Adam dat deed, als een perfect man. Jezus was niet God in het vlees, maar een van de Geest vervulde profeet onder het verbond met Abraham.

Welvaartstheologie

Hoewel in de jaren (19)40 en (19)50 veel genezing-evangelisten leerden dat geloof financiële beloning kon opleveren, was het Hagin die de Word of Faith zienswijze op welvaart introduceerde. De beweging meent dat Christus gelovigen van de vloek van armoede en ziekte heeft verlost door zijn werk van verzoening, zodat gelovigen in een staat van perfecte gezondheid en materiële welvaart kunnen leven. Het is hiermee een welvaartstheologie (Engels: prosperity theology). Het lijden komt volgens Word of Faith dan ook van Satan. Ervaart iemand geen voorspoed, dan heeft dat als oorzaak dat men Satan gezag heeft gegeven over zijn/haar leven.

De Word of Faith leert dat Jezus veel geld bezat toen hij op aarde was. Hij had zoveel geld dat hij Judas moest benoemen als zijn boekhouder. De reden dat niemand merkte dat Judas aan het stelen was, was dat er zoveel geld ‘in kas’ was. Er wordt gesteld dat Jezus en de apostelen financieel rijk waren, met het bezit van huizen, met monetaire middelen en bedrijven. Dit baseert men op de volgende vijf argumenten:

1 . Het vermogen van Jezus te reizen zonder te werken om de kost te verdienen voor drie jaar.
2 . Referenties door Jezus en de apostelen aan het bezitten van huizen.
3 . Jezus had een penningmeester (Judas Iskariot).
4 . Jezus omgang met de hogere klassen van de samenleving.
5 . De bedrijven die elke apostel blijkbaar bezat of in werkte.

Dit is in tegenstelling tot de traditionele opvatting van Jezus die wordt gezien als een arme, zwervende leraar. Gebaseerd op het concept dat Jezus en zijn apostelen misschien wel rijk waren, evenals de historische voorbeelden dat zijn volgelingen grote rijkdom bezaten, en de beloften voor financiële welvaart in het Oude en Nieuwe Testament, leert de Word of Faith dat wie in Christus gelooft ook toegang heeft tot die zegen en ook financieel rijk mag worden.

Leraren zoals Kenneth Copeland (zie verder) beweren dat het welvaartsevangelie wordt gevalideerd door 3 Johannes:2 (HSV) : ‘Geliefden, ik wens boven alle dingen, dat gij welvaart en gezond zijt, gelijk uw ziel welvaart’. Copeland poneert dat ‘als de zaden van de welvaart worden geplant in je hart, in je wil en in je emoties … ze uiteindelijk een grote financiële oogst zullen voortbrengen’.
Veel Faith leraren zetten hun volgelingen onder druk gelddonaties te geven, met de belofte dat God hen het veelvoudige zal terugbetalen. Dergelijk geven heet ‘het zaaien van een zaad van geloof’ (‘sowing a seed of faith’). Men stelt dan ook dat een regelmatige donatie aan de ministrie een gelovige kan helpen rijk te worden. Dit wordt ook wel (het) ‘Seed-faith’ genoemd.

Andere onderwerpen

Verder leert de Word of Faith:
– Profeteren.
– Bijzondere (mystieke) ervaringen: ‘in de geest’ manifestaties, dromen, visioenen, ‘buiten het lichaam treden’ en ‘opgenomen worden in de hemel of hel’.

Samengevat

Qua basis stelt de Word of Faith dat woorden kracht/macht hebben, dat rijk en gezond zijn Gods wil is (en dat daardoor ziekte en lijden instrumenten zijn van Satan en zijn demonen), en dat Jezus zijn werk van verzoening in de hel heeft volbracht en niet aan het kruis.
 

Word of Faith prominenten

KCM1
Copeland

Hagins belangrijkste leerling is de Amerikaan Kenneth Max Copeland (1936). Kenneth Copeland Ministries (KCM) is gevestigd in Fort Worth (Texas, VS) en verzorgt diverse programma’s en registraties voor tv, waaronder ‘The Believer’s Voice of Victory’ (2015).
Copeland ontleent zijn definitie van geloof uit Hebreeën 11:1: ‘Now faith is the substance of things hoped for, the evidence of things not seen.’ (King James Version) Hij interpreteert ‘substance’ als een transcendent (niet met zintuigen waarneembaar) en oorspronkelijk element dat het universum vormt; het was en is geactiveerd door gesproken woorden bij het begin van de schepping (zowel Gods schepping van de wereld en alle daarop volgende creaties, hetzij door God of de mens). ‘Substance’ is de vertaling van het Griekse woord ‘hypostasis’, wat in de context echter ‘basis’ of ‘grondslag’ betekent. (NBV: ‘Het geloof legt de grondslag voor alles waarop we hopen, het overtuigt ons van de waarheid van wat we niet zien.’)
Copeland werd in 2007 geconfronteerd met een financieel onderzoek door de Amerikaanse overheid (bron). In 2015 waren hij en zijn vrouw Gloria onderwerp van kritiek in een aflevering van Last Week Tonight Show with John Oliver over het ‘prosperity-gospel’ (bron you tube). Hierin werd Copeland beticht van het gebruiken van kerkdonaties voor de aankoop van een twintig miljoen VS-dollars duur jet-vliegtuig dat werd gebruikt voor privé-reisjes (3.17-4.54 min). Tevens werd gesteld dat de Copelands genezing door geloof promoten en scepticisme ten aanzien van de geneeskunde bevorderen. Dit werd geïllustreerd met een video van Kenneths vrouw Gloria, waarin ze zegt dat artsen patiënten ‘gif geven dat je zieker zal maken’ en dat de kerk een alternatief is voor medische behandeling (6.32-8.12 min). En door Oliver werd gesteld dat de Copelands belastingwetgeving misbruiken. Zo wonen zij in een villa van $6,3 miljoen, maar is dit opgevoerd als pastorievergoeding (9.47-10.26 min).
Rich Vermillion, een predikant die eens een naaste medewerker van Copeland was, noemt hem een ‘religieuze fraudeur’. Vermillion stelt dat tientallen miljoenen dollars die zijn geschonken voor Angel Flight 44, een organisatie die Copeland wilde opzetten om in geval van natuurrampen snel hulptroepen te kunnen vervoeren, ‘onvindbaar’ blijken. Een hangar en vliegtuigen die Copeland gereed zou hebben staan, blijken niet te bestaan. (Bron)

hinn-gray-suit
Benny Hinn

De Canadese (maar geboren in Jaffa, Israël) Toufik Benedictus ‘Benny’ Hinn (1952) is een bekende Word of Faith gebedsgenezer. Hinn is bekend om zijn ‘miracles cruisades’, waarin hij diverse genezingen claimt. Deze ‘genezingen’ worden echter door media en critici in twijfel getrokken. Hinn wordt verweten een ordinaire podium-hypnotiseur te zijn die suggestieve beïnvloedingstechnieken toepast op zijn publiek, enkel om daar zelf rijk van te worden (zie hoofdstuk 10.6.). Hinn wordt bekritiseerd om zijn extravagante en luxueuze levensstijl, en zijn financiële handel en wandel was in 2007 aanleiding tot een onderzoek door de Amerikaanse overheid (bron). De evangelist bezit een eigen half uur durend tv-programma ‘This is your day’. Hij schreef diverse boeken over het geloof, maar hem wordt een gebrek aan theologische opleiding en kennis verweten. Het hoofdkantoor van Benny Hinn Ministries/World Healing Center is gevestigd in Grapevine (Texas, VS).

osteen
Joel Osteen

Werelwijde bekendheid bezit ‘Smiling Preacher’ Joel Osteen (1963), ‘senior pastor’ van de Lakewood Church in Houston (Texas, VS). Joel volgde zijn vader John Osteen op, nadat deze overleed in 1999. Hij bereikt via radio en tv wekelijks mensen in meer dan honderd landen. Osteen is schrijver van diverse bestsellers; een theologische studie heeft hij echter niet gevolgd. Kritiek op hem is onder andere dat zijn preken religieus oppervlakkig zijn, waarin hij enkel de goedheid van God en vertrouwen in jezelf benadrukt. Osteen zou meer een motivatie-spreker zijn dan een prediker. Osteens inkomen bestaat uit de verkoop van zijn boeken en hij woont in een villa ter waarde van $10,5 miljoen.
Osteen kent zoveel kracht aan onze woorden toe, dat hij meent dat deze zelfs Gods plannen kunnen tegenhouden. Hij beweert dat dit bijna is gebeurd bij de aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper (Lucas 1:5-25): ‘Zacharias zei tegen de engel: “Ben je er zeker van dat dit gaat gebeuren? Zie je hoe oud we zijn? Ik denk gewoon niet dat dit mogelijk is.” … De engel antwoordde echter: “Zacharias, omdat je niet gelooft, omdat je God ondervraagd hebt, zul je zwijgen en niet meer kunnen praten totdat de baby is geboren.’ … Wel, waarom heeft God zijn mond afgesloten? Hij wist dat Zacharias zou gaan praten met zijn vrienden: “Nou, ze hebben gezegd dat we een baby krijgen, maar ze moeten de verkeerde persoon hebben gehad. Man, wij zijn te oud!” Zie je, God kent de kracht van onze woorden. Hij weet dat we onze toekomst profeteren, en hij wist dat Zacharias’ eigen negatieve woorden zijn plan zouden stoppen.’ [1]
(Bronnen: https://www.joelosteen.com/Pages/Home.aspx, https://en.wikipedia.org/wiki/Joel_Osteen, http://www.volkskrant.nl/magazine/de-goedheid-van-god~a862319/, [1] http://www.equip.org/article/christianity-still-in-crisis/http://houston.culturemap.com)

jprince
Joseph Prince

Een invloedrijke aanhanger van de beweging is Joseph Prince (Singapore, 1963), hoofdvoorganger van de New Creation Church in Singapore (Zuidoost-Azië). Prince was één van de stichters van de kerk in 1983 en schopte het van ICT’er tot een wereldwijd veelgevraagde spreker met vele miljoenen op zijn bankrekening. Hij heeft nauwe banden met de Hillsong Church (Australië) en in Nederland met de Jong en Vrij kerk. Zijn tv-programma ‘Destined to Reign’ wordt uitgezonden in zo’n honderdvijftig landen. In ons land werden sinds april 2015 iedere werkdag tussen 7.30 en 8.00 uur op RTL 5 de ‘welvaartspreken’ van Prince uitgezonden (zie ook uitzending Eén Vandaag, 28 maart 2015). Deze zijn nu overgenomen door SBS 6 (zelfde tijdstip).

meyer
Joyce Meyer

Joyce Meyer (geboren Pauline Joyce Hutchison, 1943) was voorheen voorgangster bij Life Christian Center, een charismatische kerk in Fenton (St. Louis, Missouri, VS). In deze plaats vestigde Meyer in 1985 haar Word of Faith ministry. Onder de noemer ‘Enjoying Everyday Life’ zendt deze tv- en radioprogramma’s uit, en verzorgt een magazine met dezelfde naam. ‘Hand of Hope’ is de naam van het zendingswerk binnen haar organisatie. Meyer schreef meer dan honderd boeken over het geloof, maar bezit geen gerenommeerde theologische opleiding. Toch is zij één van de bekendste bijbelleraressen ter wereld. Stichting Geloven in Rotterdam haalde de Amerikaanse in mei 2015 naar een uitverkocht Ahoy, waar de muziek werd verzorgd door Hillsong London.
Meyer bezit enkele villa’s en een privé-vliegtuig. Haar salaris, belastingpraktijk en buitensporige uitgaven vormden in het verleden punten van kritiek, en onderzoek door de Amerikaanse overheid. [1] [2] Tegenwoordig ontvangt Meyer geen salaris meer, maar onderhoudt ze zich met de opbrengst van haar boeken.
(Bronnen: https://en.wikipedia.org/wiki/Joyce_Meyer, http://www.joyce-meyer.nl/, https://goedgelovig.wordpress.com/2007/11/07/slecht-nieuws-voor-de-telebennies/, [1] https://en.wikipedia.org/wiki/Joyce_Meyer#Salary_and_finances, [2] http://www.cbsnews.com/news/senate-panel-probes-6-top-televangelists/)

Andere bekende namen binnen de Word of Faith zijn onder andere Morris Cerullo (1931), Marilyn Hickey (1931), Frederick K.C. Price (1932), John Avanzini (1936), David Yonggi Cho (1936), Robert Tilton (1946), Jerry Savelle (1946), T.D. Jakes (1957), Rod Parsley (1957) en Creflo Dollar (1962).

john oliver 2

John Oliver nam in 2015 in zijn Last Week Tonight Show op de Amerikaanse tv-zender HBO de Word of Faith evangelisten kritisch-satirisch onder de loep. Zie https://youtu.be/7y1xJAVZxXg (20 min).
 
 
 
 
 
7.3. Critici tot de Word of Faith 

Één van de eerste critici tot de Word of Faith was Oral Roberts University professor Charles Farah jr. (1926-2001). Hij stelde in zijn boek ‘From the Pinnacle of the Temple’ (1979) dat de Word of Faith leer meer uitging van vooronderstellingen en vermoedens dan het geloof.
In datzelfde jaar schreef pinkstergeleerde Gordon Donald Fee (1934) een serie artikelen, waarin hij zowel de gezondheid- als de rijkdomevangeliën aan de kaak stelde.

Christelijke auteur Robert M. Bowman jr. (1957) stelt dat de Word of Faith beweging ‘noch degelijk orthodox, noch grondig ketters’ is.
In 1982 stelde één van Farahs studenten, Daniel Ray McConnell, dat Kenyon de eigenlijke ‘vader’ was van de Word of Faith leer, dat Hagin plagiaat had gepleegd ten opzichte van Kenyon, en dat er sprake was van een ketterij. McConnell stelt dat Kenyon de leer van de New Thought heeft geadopteerd en van een nieuw label heeft voorzien. Hij noemt de Word of Faith leer een ‘Trojan Horse’ en een ‘ander evangelie’.
Vergelijkbare kritiek werd gemaakt door William De Arteaga, vroeger van het Christian Research Institute (evenals Robert M. Bowman jr.). DeArteaga stelt dat Kenyon geen nieuwe bijbelse waarheden heeft ontdekt.
In 1990 werd ‘The Agony of Deceit: What Some TV Preachers Are Really Teaching’ gepubliceerd; een samenstelling van kritieken op de Word of Faith. Één van de auteurs, Christian Research Institute oprichter Walter Ralston Martin (1928-1989), stelde dat Kenneth Copeland een valse profeet is en dat de beweging als geheel als ketters was te beschouwen.

Hank Hanegraaff
Hank Hanegraaff

In 1993 beschuldigde Hank Hanegraaffs ‘Christianity in Crisis’ de Word of Faith beweging van ketterij en het introduceren van allerlei afwijkende religieuze rituelen ten opzichte van het christendom. Hanegraaff (1950) wordt ook wel ‘The Bible Answer Man’ genoemd. Hij beschuldigde de Word of Faith leraren van het ‘degraderen’ van God en Jezus, en het ‘vergoddelijken’ van de mens en Satan.

Andere critici, zoals Norman Geisler (1932), Dave Hunt (1926-2013) en Roger Oakland, hebben de Word of Faith theologie betiteld als afwijkend en in strijd met de leer van de bijbel. Zij veroordelen de welvaartsleer door er op te wijzen dat de bijbel het nastreven van veel geld en goederen afwijst.
De gezondheid- en welvaartsleerstellingen kregen veel kritiek met als argument dat Word of Faith leraren ertoe neigen sommige waarschuwingen in de geschriften tegen de nadruk op materiële welvaart en het vertellen van het belang van het helpen van de armen niet te benadrukken.
Baptistenvoorganger John Piper (1946) wijst erop dat Jezus de apostelen voorspelde dat zij grote vervolging zouden ondervinden ter wille van zijn naam. Piper verklaarde onomwonden dat ‘het welvaartsevangelie niet zal aanzetten Jezus te prijzen, maar zal aanzetten welvaart te prijzen’.

De ‘kleine goden’ overtuiging wordt door critici afgedaan als ketterij en veel evangelische critici beweren dat het Word of Faith onderwijs in feite sektarisch is. Hank Hanegraaff betoogt dat de doctrine van de ‘kleine goden’ op een lijn is met de leer van de Maharishi Mahesh Yogi (1918-2008), de grondlegger van de Transcendente Meditatie-techniek, en Jim Jones (1931-1978), de Amerikaanse sekteleider van de kerk People’s Temple (Indianapolis, VS, 1953).
De christelijke auteur en Christian Apologetics and Research Ministry (CARM) oprichter Matthew J. Slick en bijbelse kritiek auteur W. Gary Phillips stellen dat de geschriften Psalmen 82:6 en Johannes 10:34, waar gezegd wordt dat mensen zijn als goden, uit hun context worden gehaald door de Word of Faith. Deze teksten zijn gericht tot de rechters van Israël, waar ze goden werden genoemd; niet omdat ze goddelijk waren, maar omdat zij de ware en enige God vertegenwoordigden wanneer zij oordeelden over het volk. Het Hebreeuwse en Griekse woord voor ‘goden’ gebruikt in beide Schriftgedeeltes, kan ook worden toegepast op magistraten en om iemand te beschrijven als ‘machtig’.

Daniel Ray McConnell (evenals anderen) beschouwt de leer dat Jezus ook geestelijk stierf (‘JDS’) als ketterij .
 

Hoofdstuk 8: Lakeland Revival

De Lakeland Revival (of Florida Healing Outpouring) was een opwekking die begon op 2 april 2008. De Canadese evangelist en gebedsgenezer Todd Bentley (1976) zou voor de duur van vijf dagen in de Ignited Church in Lakeland (Florida, VS) verblijven, maar bleef uiteindelijk zes maanden. De religieuze opleving staat bekend om zijn charismatische uitingen met extatische en lichamelijke manifestaties, gebedsgenezing en geclaimde wonderen.
Door uitzendingen op internet (van met name GOD TV, een internationaal evangelisch televisienetwerk) werd de opwekking binnen korte tijd over de hele wereld bekend onder pinkstergelovigen en charismatische christenen, die in grote getale naar Lakeland afreisden.

Todd Bentley
Todd Bentley

In veel opzichten is de Lakeland Revival vergelijkbaar met opwekkingen uit de jaren negentig, zoals de Toronto Blessing (Canada, 1994) en de Brownsville Revival in Pensacola (Florida, VS, 1995-2000). De nadruk van de Lakeland Revival lag echter meer op goddelijke genezing en de roep tot evangelisatie. Daarnaast was de Lakeland Revival nauwelijks los te zien van de persoon Todd Bentley en duurde de opwekking veel korter.

Tijdens de opwekking gingen volgens de verhalen blinden weer zien, stonden lammen op uit hun rolstoelen en verdwenen tumoren. Een meisje getuigde op de site God-tv dat zij was gebeten door een vampier en weer opstond uit de dood. In totaal herrezen volgens de verhalen dertien mensen uit de dood. Zowel op internet als op de podia werden getuigenissen van bezoekers en kijkers getoond. Bentley genas ook via de digitale snelweg en satelliet. Terwijl hij zijn handen zegenend op de laptop hield, kwamen er via de chat berichten over genezingen binnen vanuit de hele wereld.
Gelovigen meenden ook gouden tanden te hebben verkregen na hun bezoek aan de Lakeland Revival. Wetenschappelijk gezien is hier sprake van ‘ostension’: volkskundigen hebben herhaaldelijk laten zien hoe een bestaand verhaal door een verteller wordt getransformeerd tot een zelfbeleefde ‘ik-vertelling’. Deze tijdens en na de Lakeland Revival geuite volksverhalen worden wetenschappelijk als moderne exempelen aangeduid: exemplarische verhalen (voorbeelden) die een spiritueel bewijs zouden moeten leveren.
Sceptici vonden de christelijke bewijzen van de tijdens de Lakeland Revival geuite ‘distant healing’ te mager en getuigen van een gebrek aan wetenschappelijk inzicht. Bij distant healing wordt de lichamelijke en emotionele toestand van anderen op afstand beïnvloed. Het gaat volgens deze zienswijze vooral om de verwachtingen van patiënten en de persoonlijke aandacht die ze van gebedsgenezers ontvangen. De Nederlandse Godsdienstpsychologe Joke van Saane (1968) zegt dat als er sprake is van genezingen, het vooral om vage, psychische aandoeningen gaat. Saane kreeg vooral bekendheid door haar boek ‘Gebedsgenezing. Boerenbedrog of serieus alternatief?’ (2008). Ook onder christenen was de kritiek op de Lakeland Revival hevig. Meerdere christenen spraken niet over een opwekking, maar over genezingscampagnes. Het gebrek aan medische bevestiging van de genezingen werd aangekaart door bepaalde media; zo concludeerde ABC’s Nightline dat geen enkel wonder kon worden geverifieerd. [1] [2]

De opwekking in Lakeland ging als een nachtkaars uit. Bentley bleek een buitenechtelijke relatie te hebben met een vrouwelijk staflid (met wie hij later trouwde) en hij viel voor velen van zijn voetstuk. Bentley is inmiddels weer in ere hersteld en vervult tegenwoordig weer een prominente rol binnen de neo-charismatische beweging.

(Bronnen: https://nl.wikipedia.org/wiki/Lakeland_Revival, https://en.wikipedia.org/wiki/Lakeland_Revival, [1] http://www.tampabay.com/news/religion/todd-bentleys-revival-in-lakeland-draws-400000-and-counting/651191, [2] http://abcnews.go.com/Nightline/FaithMatters/story?id=5338963&page=1)
 

Hoofdstuk 9: Charismatische invloed in Nederland

Het evangelisch christendom in Nederland

Het evangelisch christendom is een stroming binnen het orthodox-protestantisme. Het is ontstaan uit de opwekkingsbewegingen binnen het Amerikaanse en Engelse protestantisme in de achttiende en negentiende eeuw. In de twintigste eeuw heeft deze stroming zich ook over Nederland en de rest van de wereld verbreid, vaak na prediking van Amerikaanse evangelisten. Deze christenen worden in het Engels ‘evangelicals’ genoemd, en in het Nederlands spreken we over ‘evangelischen’, ‘evangelische christenen’ en ook wel ‘evangelicalen’. Een belangrijke rol in de verbreiding van het evangelische gedachtegoed in Nederland, werd in de jaren 19(70) en (19)80 gespeeld door de Evangelische Omroep (EO, 1967) en de Evangelische Hogeschool (1977, gevestigd te Amersfoort).
De evangelische beweging wordt niet zozeer gekenmerkt door een gemeenschappelijke theologie, maar veeleer door een gezamenlijke geloofsbeleving en liedcultuur. De beweging hecht grote waarde aan de onafhankelijkheid van een plaatselijke gemeente. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de variatie in de namen van de lokale kerken. Veel ondersteunende organisaties (opleidingen, zendings- en diakonale organisaties, doelgroepgerichte organisaties, congrescentra en dergelijke) staan meestal los van de gemeenten, die overigens niet behoren tot de traditionele protestantse kerkgenootschappen. Gemeenten die tot de evangelische beweging worden gerekend zijn de baptisten, pinkstergemeenten, Vergadering van gelovigen en evangelische gemeenten. De beweging kent veel ‘vrije’ gemeenten.
Een vrije gemeente is een geloofsgemeenschap die bij geen enkel kerkverband is aangesloten. Regelmatig gebruikte namen zijn: evangelie- en evangelische gemeente, bijbelkring, christengemeente, volle evangeliegemeente, pinkstergemeente, evangeliegemeenschap en vrije baptistengemeente. Deze namen worden echter ook gebruikt door gemeenten die aangesloten zijn bij de Verenigde Pinkster- en Evangeliegemeenten (VPE).
Mogelijk verwarrend hiermee is de naam van de Vrije Evangelische Gemeenten. Deze gemeenten kennen twee overkoepelende organen, namelijk de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten in Nederland en de Federatie van Vrije Evangelische Gemeenten. De Bond van Vrije Evangelische Gemeenten werkt samen met de Protestantse Kerk in Nederland (PKN, 2004). Anno 2016 zijn bij de bond 32 gemeenten aangesloten. Bij de federatie behoren zestien gemeenten.

Voorgangers van evangelische gemeenten hebben vaak een veel sterkere machtspositie dan predikanten binnen traditionele structuren. De positie van de voorganger is in veel gevallen meer gebaseerd op persoonlijke kwaliteiten dan op een gedegen theologische opleiding. De veelal hiërarchische organisatiestructuren van evangelische gemeenten bieden weinig mogelijkheden tot correctie en aanvulling op het beleid van de sterke leider. (Bron: Otto de Bruijne, Peter Pit en Karin Timmerman – Ooit evangelisch (2009), pagina 150-151)

‘Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig om…’. Strikt genomen is ‘de Schrift’ alleen van toepassing op de Tenach (het Oude Testament), maar ook aan het Nieuwe Testament werd vergelijkbaar gezag toegekend. ‘De Bijbel is van God ingegeven, geïnspireerd door de Heilige Geest. Daardoor heeft de Schrift goddelijk gezag als Woord van God en als norm voor verleden, heden en toekomst.’ Met deze visie neemt de evangelische beweging duidelijk afstand van andere visies volgens welke de bijbel een feilbaar menselijk religieus document zou zijn, of slechts gedeeltelijk van God ingegeven.
In het bijbelgebruik is het evangelisch christendom orthodox-protestant. De evangelischen profileren zich vooral rond een drietal onderwerpen: de onfeilbaarheid (of zelfs foutloosheid) van de bijbel (al het geschrevene is door God ingegeven en daardoor waar), de strijd tegen de evolutietheorie (en in het verlengde daarvan propaganda voor het creationisme) en medisch-ethische onderwerpen, zoals abortus en euthanasie. Men legt een grote nadruk op het belang van het gezin en wijst veelal het praktiseren van homoseksualiteit af.
In samenhang met de opvatting dat de eindtijd nabij is, wordt in het bijzonder gewezen op het ontstaan van de staat Israël als een teken van de terugkomst van Jezus. Binnen de eigen opvattingen zijn soms invloeden merkbaar van het chiliasme of millennialisme.

Begin Pinksterbeweging in Nederland

In 1906 startten Gerrit Polman (1868-1932) en zijn vrouw Wilhelmine een gebedskring in Amsterdam. Polman was een voormalig officier van het (methodistische) Leger des Heils. De groep had berichten ontvangen over opwekkingen in Wales (Engeland, 1904-1905) en Los Angeles (VS, 1906). Zo’n opwekking wilde de gebedsgroep ook ervaren. Tijdens de bijeenkomsten baden de ongeveer 25 bezoekers voor de ‘doop met de heilige Geest’.
Op 29 oktober 1907 werd Wilhelmine Polman ‘door de heilige Geest aangegrepen’. Zij sprak in tongen, profeteerde en ‘zong in de Geest’. Deze gebeurtenis duidt Gerrit Polman aan als het begin van de Pinksterbeweging in Nederland. In de weken daarna hadden andere bezoekers soortgelijke ervaringen. Gerrit Polman ontving de ‘doop met de heilige Geest’ pas in 1908.
In die periode ontstonden verschillende kleine gemeenten, bijvoorbeeld in Haarlem en op Terschelling (1908), en later in Delfzijl. Tussen 1910 en 1915 volgden gemeenten in Leeuwarden, Sneek, Harlingen en Zwolle. Tot de jaren dertig kwamen in andere steden nieuwe gemeenten: Heerlen, Leiden, Den Haag, Rotterdam, Utrecht, Hilversum, Gouda en Groningen.

In de pioniersfase (1907-1930) was de Pinksterbeweging in Nederland een eenheid, met Polman als leider, en de gemeente in Amsterdam vormde het centrum van de beweging. Dit veranderde toen Polman uit zijn ambt werd gezet wegens overspel. De landelijke samenhang viel weg en sommige mensen verlieten de beweging. Pieter Klaver (1890-1970), Pieter van der Woude (1895-1978) en Nico Vetter (1899-1945) waren de leiders die in deze periode naar voren traden. Rond de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) kwam er weer een nationale samenhang: Klaver en Vetter richtten de ‘Verenigde Pinkstergemeenten in Nederland’ op. Van der Woude kwam daar in 1944 bij. Deze landelijke organisatie kreeg in 1959 uiteindelijk de naam ‘broederschap van Pinkstergemeenten in Nederland‘.

Vanaf 1950 is er sprake van een nieuwe impuls in de Pinksterbeweging. Dit kwam door buitenlandse opwekkingspredikers en gebedsgenezers die Nederland bezochten. De Indiase evangelist Lam Jeevaratam was de eerste, maar de Nederlandse overheid zette hem het land uit omdat hij op een onrechtmatige manier geneeskunst uitoefende (hij deed aan exorcisme).
Evangelisten die volgden waren Elaine Richards (1951 en 1952), Hermann Zaiss (1952, 1953 en 1956) en Thomas Lee Osborn. Osborn (een inspirator voor Kenneth Hagin, de ‘vader’ van de Word of Faith beweging) trok misschien wel de meeste aandacht met zijn samenkomsten op het Malieveld in Den Haag van 22 tot en met 31 augustus 1958. Op sommige avonden luisterden circa honderdduizend mensen naar zijn boodschap. Een aantal evangelisten uit Zweden zorgden ook voor een impuls. Op verschillende plaatsen in Nederland stichtten zij gemeenten.

T.L._Osborn_in_The_Hague_during_a_revival_meeting (1)
T.L. Osborn in 1958 op het Malieveld, Den Haag (Door Behrens, Herbert / Anefo , CC BY-SA 4.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=49099494)

Aan de ene kant was er in de periode van 1950-1990 sprake van groei. De evangelisten zorgden voor een grotere bekendheid van het gedachtegoed van de Pinksterbeweging. Aan de andere kant leidde deze bekendheid tot twee nieuwe varianten van het Pentecostalisme, namelijk ‘Stromen van Kracht‘ (jaren vijftig) en ‘Kracht van Omhoog‘ (jaren zestig). De ‘oude’ Pinkstergemeente bestreed deze ideeën en de beweging in Nederland raakte verdeeld.
– ‘Stromen van Kracht’: aanhangers van deze richting geloofden dat christenen die de doop met de heilige Geest hadden ontvangen, alle negen genoemde Geestesgaven in 1 Korintiërs 12 konden bezitten. De gaven waren gewoon beschikbaar en de gelovigen moesten ze gebruiken. Uit deze richting kwam de stichting Opwekking (1960) voort die jaarlijks de Pinksterconferentie organiseert waar niet alleen christenen uit pinkstergemeenten komen, maar ook uit de gevestigde kerken.
– ‘Kracht van Omhoog’: aanhangers van deze richting geloofden dat wedergeboren christenen bezeten konden zijn van demonen. De strijd tegen demonen en de duivel nam een centrale plaats in deze leer in. Door het starten van samenkomsten zijn toen in ons land zo’n vijftig nieuwe gemeenten ontstaan; meestal onder de naam Volle Evangelie Gemeente.

De Pinksterbeweging staat bekend om haar conflicten en scheuringen, ook  in Nederland. Het Landelijk Platform (van de Pinksterbeweging) wilde met zijn oprichting in 1994, de eenheid tussen de verschillende Nederlandse gemeenten stimuleren. De initiatiefnemers (de broederschap van Pinkstergemeenten en de Volle Evangelie Gemeenten Nederland) fuseerden in 2002 tot de Verenigde Pinkster- en Evangeliegemeenten (VPE). De VPE is verbonden aan de World Assemblies of God Fellowship (1914), waarbij 236.000 gemeenten zijn aangesloten met zo’n 55 miljoen leden wereldwijd (2017).
Er zijn een zevental kerkgenootschappen aangesloten het platform: Verenigde Pinkster- en Evangeliegemeenten, Rafaël Nederland, Bethel Pinksterkerk Nederland, Volle Evangelie Bethel Kerk, Bethel Pentecostal Temple Fellowship Nederland, Newfrontiers en Victory Outreach Nederland. Naar schatting de helft van de plaatselijke evangelische- en pinkstergemeenten zijn niet bij het platform aangesloten, waaronder de Vineyard (drie kerken in Nederland: Utrecht, Wageningen en Dieren), de Morgenstondgroep en Stichting Johan Maasbach Wereldzending.

Binnen de kerken

Omdat de charismatische beweging (binnen de kerken) in de eerste plaats een stroming is, is het soms lastig aan te duiden wat er precies wel en niet onder valt, maar de hieronder genoemde organisaties zijn er in Nederland duidelijke voorbeelden van:
De Katholieke Charismatische Vernieuwing is een vernieuwingsbeweging binnen de Rooms-Katholieke Kerk.
De organisatie New Wine van de Nederlands gereformeerde dominee Dick Westerkamp oefent met name binnen gereformeerd Nederland invloed uit. New Wine is geïnspireerd door de internationale New Wine beweging die haar oorsprong heeft in Engeland. In vele landen is New Wine actief.
De Charismatische Werkgemeenschap Nederland (CWN), opgericht in 1972 door ds. W.W. Verhoef en dr. K.J. Kraan, heeft een oecumenische basis (streven naar toenadering tussen de verschillende christelijke kerken).
De Vrije Universiteit te Amsterdam bezit de bijzondere leerstoel ‘Theologie van de Charismatische Vernieuwing’, gefinancierd door het CWN.

Bronnen: http://www.kerkzoeker.nl/evangeliegemeenten.html,  https://www.lucepedia.nl/dossieritem/130/de-pinksterbeweging, https://nl.wikipedia.org/wiki/Kracht_van_Omhooghttp://nl.wikipedia.org/wiki/Evangelisch_christendom, http://nl.wikipedia.org/wiki/Pinksterbeweging, http://nl.wikipedia.org/wiki/Chiliasme, https://nl.wikipedia.org/wiki/Vrije_gemeente, https://nl.wikipedia.org/wiki/Charismatische_beweging#Charismatische_beweging_in_Nederlandhttp://www.new-wine.nl/over-new-wine/

Invloed Toronto Blessing 

De  christelijke zendingsorganisatie Jeugd met een Opdracht haalde John Arnott en zijn team van de Toronto Airport Christian Fellowship (TACF) in 1994 naar Nederland. In Veenendaal (Utrecht) en Zwolle (Overijssel) volgden bijeenkomsten. Bart Doornweerd en Warren Lancaster, beiden leiders bij Jeugd met een Opdracht, boden na afloop van de bijeenkomst in Zwolle hun excuses aan in een open brief aan de voorgangers in Nederland, omdat zij geen verdeeldheid hadden willen veroorzaken. Toch hebben in Nederland naar schatting zo’n honderd pinkster- en evangelische gemeenten de Toronto Blessing leer omarmd, waaronder de vroegere Beréa beweging die weer uiteengevallen is.
De Beréa beweging (naar Handelingen 17:11) was een van 1996 tot 2006 bestaand verband, waarbij 46 gemeenten in Nederland en België met in totaal zo’n 5500 leden waren aangesloten. Beréa was beïnvloed door de Kracht van Omhoog stroming. Rond 1997-1998 werd in Beréa Amsterdam een omstreden methode van demonenuitdrijving (afkomstig van Ken Thornberg) geïntroduceerd. In 2005 viel de Beréa beweging uit elkaar na financieel wanbeleid, waarna zij in februari 2006 besloot zich op te heffen. Een aantal gemeenten is zelfstandig verder gegaan en/of heeft zich (later) aangesloten bij de Verenigde Pinkster- en Evangeliegemeenten (VPE).
Vanuit de Toronto Blessing kwam in 1996 een nieuw kerkgenootschap voort, genaamd Partners in Harvest (PIH). PIH heeft als doel alle door de opwekking geraakte (wereldwijde) groeperingen te verenigingen. Ook in Nederland (2013) zijn diverse gemeenten hiervan deel uit gaan maken (Ermelo, Montfoort, Mijdrecht, Den Haag en Rotterdam). Daarnaast werd Friends in Harvest (FIH) opgericht. Nederland telt drie leden van FIH (2013): twee gemeenten (Den Haag, Maastricht) en een organisatie (Ommen).
(Bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Toronto_Blessing)

In Nederland zijn in sommige neo-charismatische kringen bepaalde elementen te zien van de Word of Faith leer. Voorbeelden van kringen waar dit voorkomt is Eurospirit, de DoorBrekers, Jong en Vrij, de Hillsong Church te Amsterdam, de City Life Church afdelingen in Nederland (aangesloten bij het Hillsong Network) en de organisatie TRIN (nu GMF).
 

TRIN (nu: Gospel Music Festival, GMF)

Touch, Reach, and Impact the Nations (TRIN) is een in 2002 opgerichte Nederlandse extreem charismatische organisatie. TRIN wil op internationaal gebied mensen bereiken met het evangelie van Jezus Christus door het ondersteunen van lokale organisaties, het zenden van teams, en de organisatie van evangelisatiecampagnes en –avonden. TRIN is onder andere actief in Brazilië, Indonesië, India, Kosovo, Myanmar (Birma), Mozambique, Nederland, Oeganda en Pakistan. Het hoofdkantoor is gevestigd in Harderwijk.
Juni 2015 heeft TRIN haar naam gewijzigd in Gospel Music Festival. De organisatie verloor eerder dat jaar haar ANBI-status, maar probeert deze onder de nieuwe naam opnieuw te bemachtigen. De visie van GMF is om in elk land van de wereld elk jaar grote muziekfestivals te organiseren met de naam Gospel Music Festival. De start van deze festivals vindt plaats in Zuid-Oost-Azië. Een wezenlijk verschil lijkt er niet te zijn tussen het oude TRIN en het nieuwe GMF.

TRIN (nu GMF) omarmt de Toronto Blessing leer met al haar manifestaties en richt zich op wonderen en tekenen, profetische gaven, genezingen, bevrijding (bevrijdingspastoraat) en geestelijke oorlogsvoering. Daarnaast leert de organisatie het welvaartsevangelie van de Word of Faith.

vallenindegeest

TRIN krijgt veel kritiek op haar charismatische extremiteiten. De evangelische theoloog Henk Bakker verweet TRIN in een artikel in het tijdschrift CV-Koers (nu ‘De Nieuwe Koers’) dat zij een ‘succes-Jezus’ creëert die weinig te maken heeft met de gekruisigde Jezus uit de bijbel. Hij stelde dat TRIN vooral een welvaartsevangelie brengt. De reformatorische evangelist Arjan Baan waarschuwde ervoor dat sommige mensen via TRIN ‘occultisch belast’ kunnen worden. Volgens Baan is bepaalde toegepaste handoplegging niet bijbels.
Een deel van de kritiek werd verwoord door Goedgelovig.nl, waar TRIN regelmatig in de rubrieken voorkwam. Directeur Mattheüs van der Steen claimde in 2008 en 2009 verschillende keren goudstof te hebben aangetroffen in zijn bijbel en op zijn schoenen. De goudstof wordt vaak in verband gebracht met Mozes die, volgens het bijbelboek Exodus, na veertig dagen met God te hebben doorgebracht, zijn gezicht verborg omdat Gods heerlijkheid van hem af straalde. Goedgelovig.nl beweert een deel van het ‘goud’ via een bezoeker in handen te hebben gekregen en liet dit onderzoeken. Waarborg Holland, de keuringsinstantie voor edelmetalen in Nederland, stelde na onderzoek vast dat de stof ‘in geen enkel opzicht gouden elementen’ bevatte. Wel werd er koper aangetroffen.
In 2010 bestempelde Goedgelovig.nl het getuigenis van Rebekah Krell, de echtgenote van Van der Steen, als een hoax (bedrog). Zo beweerde ze in een interview met EO-Visie dat zij in de Satanskerk was opgegroeid en tot Satans bruid was uitverkoren. In die tijd zou ze diverse gruwelijkheden hebben meegemaakt, waaronder babyoffers. Na haar bekering zou ze zijn achtervolgd door geweld en zou er een dubbele moord gepleegd zijn door leden van de Satanskerk. Onderzoek heeft nooit aangetoond dat de gedane beweringen waar zijn.
Journalist Karel Smouter heeft in 2010 samen met drie andere onderzoekers een journalistiek onderzoek gedaan naar ‘de methodes van Mattheüs’. Één van de zaken die aan de orde werden gesteld was de claim dat zeven blinden waren genezen in Birma (Myanmar of Burma) na gebed door betrokkenen bij TRIN. Deze genezingen hadden niet plaatsgevonden. Ook stelt Smouter in het genoemde artikel dat de volgelingen van Van der Steen de hoop en het geloof dat een wonder kan gebeuren belangrijker vinden dan de vraag of het daadwerkelijk is gebeurd. Verder worden volgens Smouter mensen die vraagtekens hebben over wat er bij TRIN gebeurt, weggezet als ongelovigen.
In november 2012 berichtte Smouter in ‘De Nieuwe Koers’ over de seksuele escapades van Joseph Lubega. Deze leider van het door TRIN gesponsorde weeshuis Bulamu in Oeganda (Afrika) zou zich aan de opgevangen jongens hebben vergrepen. TRIN bleef erbij dat ze geen hard bewijs zagen dat hij kinderen zou hebben misbruikt.
(Bronnen: https://nl.wikipedia.org/wiki/TRIN_(organisatie)https://goedgelovig.wordpress.com/2015/06/11/trin-wordt-gospel-music-festival/https://goedgelovig.wordpress.com/category/de-trin-spin/)

TRIN is lid van het Revival Alliance Network (RAN). Dit is een groeiend netwerk van leiders in Nederland en België die verlangen naar opwekking en transformatie (verandering). Men meent dat er een opwekking gaande is onder twintigers en dertigers. Het doel van RAN is het bouwen van een charismatische apostolische cultuur. Het neigt sterk naar de leer van Kingdom Now. Men wil de charismatische boodschap ‘verenigen, verkondigen en vermenigvuldigen’. In deze campagne staan grote wonderen en tekenen centraal, zelfs (geclaimde) dodenopwekking.

Vele (bekende) namen uit ‘charismatisch Nederland’ ondersteunen TRIN (nu GMF) (zie 9.2.). Ook buitenlandse sprekers verlenen soms medewerking aan de Nederlandse organisatie.
 

Bijbel- en discipelschapscholen

Een bijbelschool is een onderwijsinstelling waar de bijbel en de christelijke leefregels worden bestudeerd en gedoceerd. Niet elke theologische opleiding is daarentegen een bijbelschool. Studenten van een bijbelschool worden namelijk niet alleen geacht de bijbel te bestuderen, maar ook de lessen er in zich eigen te maken. Een discipelschapschool richt zich ook op bijbelstudie, maar heeft daarnaast een belangrijk praktisch element. Door de overeenkomsten wordt een discipelschapschool ook vaak een bijbelschool genoemd.

Iedereen in Nederland heeft het recht om een eigen bijbelschool op te richten. Het is een onbeschermde titel (evenals ‘bijbelleraar’ en ‘evangelist’). Er zijn deeltijd- en voltijdopleidingen. Het niveau verschilt onderling. In Nederland zijn er bijbelscholen die bij internationale netwerken zijn aangesloten. Ook is er sprake van (overkoepelende) organisaties of bijbelscholen die met universiteiten samenwerken. In tegenstelling tot de HBO’s en universiteiten hebben studenten bij particuliere bijbelscholen geen recht op studiefinanciering en een OV-Studentenkaart. Om de opleiding te financieren wordt dan vaak gewerkt, geleend of wordt men gesponsord door bekenden.

De twee grootste internationale evangelische bijbel- of discipelschapscholen zijn DTS (Discipleship Training School) van Jeugd met een Opdracht (of YWAM: Youth With A Mission) en Master’s Commission van de Assemblies of God. De meeste DTS-en zijn geregistreerd bij YWAM University of the Nations, welke actief is in vijfhonderdvijftig vestigingen in honderdzestig landen (2014).
Waar DTS zich vooral richt op drie maanden training en drie maanden evangelisatie en zending, legt Master’s Commission (Master’s Commission International Network, MCIN, VS) de nadruk op het negen maanden dienen in een gemeente. Hierin brengt de student het geleerde gedurende het hele jaar in de praktijk, maar zijn evangelisatie en zending ook onderdelen van het programma. Door samenwerking met West Coast Bible College & Seminary worden de bij Master’s Commission behaalde studiepunten ook erkend bij een bachelor-opleiding. Of zoals men schrijft op de eigen site: ‘Kun je je voorstellen dat terwijl je een Master Commissie bijwoont in de wereld, je in staat zult zijn om een bachelor-diploma te voltooien?’ [1]

De International School of Ministry (ISOM) is ’s werelds grootste video-bijbelschool met meer dan veertienduizend opleidingscentra met tweehonderdduizend studenten in kerken in 142 landen (2014). ISOM gaat uit van Good Shepherd Ministries International (GSMI, San Bernardino, VS).

Nederland kent ongeveer 22 bijbelscholen, waarvan sommige parttime en andere fulltime zijn. Soms worden beide mogelijkheden aangeboden. Sommige scholen hebben interne huisvesting. Bekende pinkster- en/of charismatische bijbelscholen in Nederland zijn onder andere Christformation (Rotterdam), Foundation 4 Life (Ermelo), De Katapult (Den Helder), Royal Mission School (Drachten) en de Vrij Zijn Bijbel- en de Vrij Zijn trainingschool.
‘Afgestudeerden’ van een bijbelschool moeten zich realiseren dat het behaalde diploma niet erkend is. Er wordt gesteld dat een bijbelschool een voorbereiding kan zijn op zendingswerk, kinderwerk in een gemeente, leiderschap in een gemeente, en als voorbereiding op een studiekeuze en loopbaanbegeleiding. [2]

Global Mission School Europe

global_mission_school_europeDe Global Mission School Europe (GMSE) is een initiatief gestart in september 2013 en heeft als locatie de christelijke camping en conferentiecentrum De Betteld te Zelhelm (Gelderland, Nederland). Het betreft een internationale neo-charismatische bijbelschool. De Engelstalige school kan men in drie maanden doorlopen. Speerpunten zijn aanbidding, voorbede, bevrijding en onderwijs.
Mattheüs van der Steen, Herman Boon, Wilkin van de Kamp, Martin Koonstra, Willem Ouweneel, Gerard de Groot, Jan Pool, Lodewijk van Eerden, Jan Sjoerd Pasterkamp, Daniel Renger en Christian Tan hebben nauwe banden met de Global Mission School Europe. Ook internationale namen ondersteunen GMSE, waaronder John en Carol Arnott, de hoofdvoorgangers van Catch The Fire Toronto (Canada; Toronto Blessing).
De school is onafhankelijk en heeft relaties met Iris Ministries (Rolland en Heidi Baker, missionarissen in Mozambique), ISOM Bible School, De Call2All en YWAM (Mark Anderson), The Call (Stacey Campbell), IHOPKC (Daniel Lim), TRIN (nu GMF)/Ran (Mattheüs van der Steen) en Stem in de stad (Suzette Hattingh).

betteld
De Betteld

Bronnen: http://nl.wikipedia.org/wiki/Bijbelschool, http://www.mcin.org/, [1] http://www.mcin.org/page/college, https://westcoastbible.squarespace.com, http://www.ywam.org/dts/, http://www.ywam.org/training/university-of-the-nations/, http://www.isom.org/, http://goedgelovig.wordpress.com/2012/10/18/wonderbaarlijke-genezing-op-bijbelschool/, https://goedgelovig.wordpress.com/2011/02/07/kies-een-charismatische-bijbelschool/, [2] http://www.bijbelschool-vergelijker.nl/alle-bijbelscholen-van-nederland/, http://globalmissionschooleurope.org, http://www.betteld.nl/nc/vakanties-algemeen/nieuws/nieuwsartikel/article/de-betteld-start-wereldwijde-bijbelschool/.
 

9.1. Nederlands onderzoek: ‘Ooit evangelisch’

(Bronnen: http://www.trouw.nl/tr/nl/4324/Nieuws/article/detail/1131292/2009/04/03/Ooit-evangelisch-nu-afgeknapt-De-ervaringsverhalen-zijn-schokkend-pijnlijk-en-schrijnend.dhtml, http://www.eo.nl/magazines/visie/artikel-detail/ooit-was-ik-evangelisch/, http://www.vergadering.nu/boekbruijne-ooit-evangelisch.htmhttp://www.missienederland.nl/k/n646/news/view/459/233410/de-geloofsontwikkeling-van-evangelicals.html)

ooitevangelischEvangelische gemeenten etaleren graag bekeringsverhalen. Maar de afscheidsverhalen van teleurgestelden worden verzwegen. Met het boek ’Ooit evangelisch’ (2009) komt die achterdeur voor het eerst in beeld. Pijnlijke verhalen met een krachtig appèl, en een tegengeluid tussen de succesverhalen over evangelische gemeenten in Nederland. Opvallend is dat het argument om lid te worden meestal ook de reden is van vertrek.

Theoloog en evangelisch prediker Otto de Bruijne (1949) deed het onderzoek samen met de ex-evangelische drs. Peter Pit (1967), nu predikant in de Protestantse Kerk in Nederland (PKN), en Karin Timmerman (1974), redacteur van het dagblad Trouw en lid van een evangelische gemeente in Amsterdam. Prof. dr. Hijme Stoffels, prof. dr. Pieter Boersema en drs. Miranda Klaver, deskundigen op het gebied van de evangelische beweging, hebben het rapport van commentaar voorzien.

In het boek zijn enquêtes van 103 ex-evangelischen geanalyseerd die samen 186 gemeenten bezochten. Dat is zeker tien procent van de evangelische gemeenten in Nederland. Onder evangelische gemeenten worden verstaan ‘de breedte van Vergadering der gelovigen, Baptisten, christengemeenten, Pinkster- en Volle Evangeliegemeenten, Rafaël, Beréa, Vineyard en soortgelijke gemeenten’. Niet wetenschappelijk representatief, wel een eerste verkenning en voer voor vervolgonderzoek. Alle geënquêteerden zijn langer dan twee jaar lid geweest van een evangelische gemeente en daar minstens twee jaar geleden uit vertrokken. Hun verhalen zijn niet zelden schokkend, pijnlijk en schrijnend. Alsof er een beerput opengaat. Vaak hoorden de onderzoekers: ‘Hier heb ik op gewacht, ik wil mijn verhaal kwijt.’

Natuurlijk zijn verhalen van ex-leden vaak eenzijdig en negatief, toch zijn deze ’niet op oppervlakkige waarneming gebaseerd’, schrijft Hijme Stoffels, hoogleraar godsdienstsociologie aan de Vrije Universiteit, in een analyse. Dat de vertrekkers gemiddeld achttien jaar lid zijn geweest, is voor hem veelzeggend. Dit onderzoek laat ruimschoots zien dat het ’beslist geen lichtvaardige zaak’ is.

Uit ’Ooit evangelisch’ blijkt dat vooral de zeer betrokken en actieve gemeenteleden vertrekken. Ze zijn meestal hoogopgeleid en veertigplus. Een tweede vertrekpiek is rond het 23ste jaar, wat aantoont dat ontkerkelijking toch ook toeslaat onder evangelische jongeren. Uit het rapport: ‘Zij hebben het evangelische jongerenwerk meegemaakt, de beste muziek gehoord, alles meegekregen over “de waarheid”, maar zijn toch afgehaakt.’

Redenen van vertrek

Wat De Bruijne opvalt: de vertrekredenen waren ooit juist het argument om lid te worden. Mensen kwamen af op de geborgenheid, het enthousiasme, de ruimte voor emotie, de losse structuur en de aangeboden geloofszekerheden. Diezelfde sterke kanten worden later ervaren als beklemming, dwang, oppervlakkigheid, onveilige willekeur en gebrek aan openheid. De Bruijne: ‘Veel ex-leden kwamen met hoge verwachtingen en hadden relatief weinig zelfkritiek. Ze zijn er jaren ingestonken, zogezegd. Bij enkelen zie ik een soort messiassyndroom: God redt het niet zonder mij.’

De meesten haken af door verschillen in geloofsvisie. Ze noemen gebrek aan theologische diepgang, ‘overaccentuering van de menselijke keuze voor God’ en ‘onbeperkt vertrouwen in de zogenaamde woorden van God’. Er was volgens hen ook geen ruimte voor vragen, twijfel, nuchterheid en toetsing. Kortom: ‘geen vrijheid om jezelf te zijn of te denken hoe je dacht’. Ook hoge en verplichtende maatstaven speelden een rol bij vertrek, een constante druk om mee te doen met activiteiten en ervaringen. De eenzijdige muziekkeuze en nadruk op beleving en ervaring in de samenkomsten is een veel genoemde afknapper.

Veel mensen vertrokken mede na een harde confrontatie tussen geloof en realiteit, zoals een zieke die na veel gebed niet geneest, terwijl genezing verwacht werd. ‘Niet de overwinningstheologie of de leiders die het uitdragen krijgen de schuld, maar de gemeenteleden die al lijden aan de gebrokenheid. Zij krijgen de last van de schuld er nog eens bij’, aldus de auteurs. Ook worden sektarisme en onrealistische visies op bijvoorbeeld het lijden en het werk van de Heilige Geest genoemd.

Slecht en manipulatief leiderschap is in de meeste gevallen de druppel: sterke charismatische leiders die met ‘dictatoriaal gezag’ en ‘op gezag van de Heer’ bepaalden wat mocht. Uit het rapport: ‘De neiging om alles voor te leggen aan de leiding, maakte mensen pastoraal afhankelijk. Mensen werden gebeld met onheuse aantijgingen of met de oproep om sneller hun tienden te betalen.’ De manipulatie ging volgens de onderzoekers soms zo ver dat er emotioneel, financieel en seksueel misbruik van de macht werd gemaakt. Kritiek werd veelal afgeserveerd met doofpotregels: ‘Praat niet over de negatieve dingen, geef geen kritiek, bedek alle problemen met de mantel der liefde, vergeef alles, ook als er hele nare gebeurtenissen plaatsvinden.’

Alle vertrekredenen zijn volgens de onderzoekers te vangen in het begrip geslotenheid, geuit in groepsdwang. ‘Er is een “als het je niet bevalt, ga je maar weg”-houding. Daarbij wordt niet gekozen voor samenwerking en openheid naar elkaar, maar voor uitsluiting van andersdenkenden. Er is zo’n stelligheid in de eigen ware visie, dat andere opties geen kans krijgen.’

Terecht meldt De Bruijne dat ‘Ooit evangelisch’ niet representatief is, waardoor de uitkomsten mogelijk een vertekend beeld schetsen. Zo is 75 procent van de respondenten hoger opgeleid, terwijl dat landelijk onder de vijftig procent ligt in evangelisch Nederland. ‘Toch geeft deze groep, die langere tijd zeer betrokken is geweest in een gemeente, een duidelijk signaal af waar we iets mee moeten. Zo is een andere belangrijke reden voor vertrek het structurele gebrek aan prikkels voor het verstand, met oppervlakkigheid als vrucht. “Altijd weer dat op emotie gerichte verhaal en een standaard abc’tje gericht op nieuwelingen”, zou een reactie kunnen zijn. Waar blijft dat pittige debat over fundamentele thema’s?’

Slechts een kwart van de bevraagde kerkverlaters weet iets positiefs te vertellen over het afscheid, al is dat vaak een reactie van iemand die later ook vertrok. De rest heeft negatieve tot zeer negatieve ervaringen. ‘De leiding gedroeg zich destructief, schijnheilig, verwijtend en boos. De vertrekkers werden doodgezwegen, uitgescholden, nagetrapt, veroordeeld en vervloekt. Bij meerderen werd gezegd dat ze bezeten waren, dat ze gekozen hadden voor Satan en dat God hen zou veroordelen: “God zal met je afrekenen”.’

Na het vertrek

Is er een (geloofs)leven na de evangelische gemeente? Ja en nee. Meer dan de helft voelt zich opgelucht en bevrijd. Hun geloof heeft zich verbreed en verdiept. Maar net zo’n grote groep vertelt over grote problemen, angst voor God en mensen, zeer groot verdriet, rouw, depressiviteit, verdeeldheid in het gezin. Een aantal is langdurig in de problemen geraakt door nare gebeurtenissen in hun oude kerk. Vijf respondenten noemen seksueel misbruik, zelfdoding bij anderen of dat ze zelf geen zin meer hebben in het leven na alles wat ze hebben meegemaakt. Bijna zestig procent is nu lid van een andere kerk, meestal een traditionele kerk zoals PKN, of een kerk met een evangelisch tintje. Tien procent zei het geloof vaarwel.

Opvallend is dat velen terugkeren naar de kerk waar ze vandaan kwamen. De rust, orde, diepgang en ingetogen sfeer spreekt hen aan. Opmerkelijk detail: in hun opvattingen over God, Jezus en het gebed veranderde bij veel ex-evangelischen weinig. Goede herinneringen aan de evangelische tijd zijn de ontwikkelde persoonlijke relatie met God en de sociale contacten.

Bezinning

Otto de Bruijne
Otto de Bruijne

‘Ooit evangelisch’ is niet bepaald een visitekaartje voor de evangelische beweging, beaamt De Bruijne. ‘Wat hier naar voren komt, is niet uniek. Het is een spiegel. Ook voor mijzelf. Dat vrije en gedrevene van mij bijvoorbeeld, kan zich dus ook tegen je keren.’
De onderzoeker roept op tot bezinning in evangelische gemeenten, want op den duur krijgen ook zij te maken met krimp. Volgens onderzoek in Nieuw-Zeeland vertrekt jaarlijks tien procent van de evangelische leden. Onderzocht moet worden of dat voor Nederland ook geldt. Wel is bekend dat de aanwas niet komt door het werven van buitenkerkelijken, maar uitsluitend door leegloop van traditionele kerken en dus eindig is.
De Bruijne: ‘Ik doe een krachtig appèl op evangelische gemeenten om zich meer te richten op zorgvuldigheid, inhoudelijkheid, structuur, lange adem en meer verantwoordelijkheid gaan afleggen.’ Dergelijke gemeenten danken hun succes aan activiteiten, zoals bruisende conferenties. ‘De evangelische beweging is ontstaan als reactie op de traditionele kerken. Er is geen kerkconcept maar een conferentieconcept. De sprong van conferentie naar plaatselijke gemeente blijkt in de praktijk een buiteling te zijn en soms een salto mortale. Wat men in de conferentie op de bergtop beleeft, wil men 52 keer per jaar herhalen op plaatselijk niveau. Als het gaat om lange adem, herderlijke zorg en prediking schiet dit kerkbeeld te kort.’

Het onderzoek legt een aantal prangende vragen bij de evangelische kerken neer. De vragen liggen vooral bij het type leiderschap, de gemeentecultuur rond levensvragen, en de theologische diepgang. Deze aandacht voor de keerzijde van de evangelische signatuur is overigens beslist niet nieuw. In zijn artikel ‘Hartenbrekers voor evangelischen’ (blad Reveil 21/147, april 1985) signaleerde Martinus Sterkhout bijna dezelfde verstikkende sfeer in een aantal evangelische kerken als De Bruijne. Toen werd al gesproken over het ‘stuklopen op leiders’, de leider die ‘God achter zich’ heeft staan, en de drogredenering ‘rebellie tegen de leider is rebellie tegen God’. In de afgelopen vijfentwintig jaar is blijkbaar niet zoveel veranderd rond de ‘evangelische leider’, en waarschijnlijk zal dit in de komende vijfentwintig jaar niet anders zijn.

Alle antwoorden van dit onderzoek zijn te lezen op Icchoreb.nl

 
9.2. Namen binnen de moderne (neo-)charismatische beweging in Nederland

Onderstaande personen zijn bekende namen in ‘charismatisch Nederland’. De lijst is in willekeurige volgorde en niet uitputtend. Velen noemen zich ‘evangelist’ of ‘bijbelleraar’. Dit zijn echter onbeschermde titels; iedereen mag zich zo noemen. Dit in tegenstelling tot de titels ‘theoloog’ en ‘bijbelwetenschapper‘, waarvoor een gedegen studie moet zijn afgerond. De positie van voorgangers, ‘evangelisten’ en ‘bijbelleraren’ binnen de beweging is dan ook in veel gevallen meer gebaseerd op persoonlijke kwaliteiten dan op een deugdelijke theologische opleiding.

Willem Ouweneel

foto-willem-j-ouweneelWillem Johannes Ouweneel (1944) is geboren in Zaandam (Noord-Holland) en bioloog, filosoof en theoloog. Vanaf 1975 was Ouweneel freelance medewerker bij de Evangelische Omroep (EO), waar hij programma’s op radio en tv begeleidde en produceerde. Ouweneel stond aan de wieg van de Evangelische Hogeschool te Amersfoort waar hij lange tijd les gaf, naast professoraten aan theologische hogescholen in België en Nederland. Nadat hij in 1970 was gepromoveerd als bioloog, promoveerde Ouweneel in 1986 aan de Universiteit van Amsterdam als doctor in de wijsbegeerte. In 1993 promoveerde hij in de theologie aan de Universiteit van Oranje Vrijstaat te Bloemfontein in Zuid-Afrika. Ouweneel maakt deel uit van de geloofsgemeenschap van de Vergadering van gelovigen waar zijn vader een bekend voorganger was. Verder is hij ook lid van de Stichting voor Christelijke Filosofie (voorheen Stichting voor Reformatorische Wijsbegeerte).
Willem Ouweneel moet niet verward worden met zijn jongere broer Frank Ouweneel, die optreedt als bijbelleraar.

Ouweneel geeft lezingen en onderwijs over bijbelse onderwerpen, en publiceert over hoofdzakelijk godsdienstige thema’s. Hij heeft in orthodox-christelijke en evangelische kringen jarenlang in aanzien gestaan. Dit is veranderd sinds hem vanuit diezelfde kringen verweten werd met bijbelse waarheden op de loop te zijn gegaan.
Ouweneel keerde zich in het begin fel tegen de charismatische beweging en vond tongentaal demonisch. Hij bekritiseerde met name de oppervlakkigheid van de beweging. De laatste jaren begeeft hij zich echter veel meer op charismatisch terrein en heeft spijt dat hij dit gezegd heeft.
Ouweneel had een cessationistische visie, nu gelooft hij in de wonderen en tekenen zoals die geleerd worden in de neo-charismatische beweging. Hij is een tijdlang pleitbezorger geweest van T.B. Joshua, een bekritiseerde Nigeriaanse gebedsgenezer (zelfs in de Pinkstergemeente). Ook heeft hij meer radicale standpunten ingenomen in de leer van gebedsgenezing en werkt hij soms nauw samen met TRIN (nu GMF).

Blinden in Birma (Myanmar of Burma) zouden zijn genezen na een bezoek van TRIN en Ouweneel. ‘We hebben het op film!’, blogt Ouweneel. Gevraagd naar de bewuste video’s houdt hij de boot af. ‘Jullie zijn toch te sceptisch om er een bewijs in te kunnen zien.’ Nederlandse journalisten reisden voor onderzoek naar het land, maar ontdekten geen genezingen. Zo traceerden ze enkele kinderen van wie Van der Steen (directeur van TRIN) eind 2010 meldde dat ze weer konden zien. In werkelijkheid bleken ze net zo slechtziend als voorheen. [1] [4]
In reactie op toegenomen kritiek van een aantal christenbloggers plaatste Ouweneel eind 2010 een lijst met 36 van de in totaal 229 ingevulde formulieren op zijn site, waar bezoekers van het Gospel Music Festival van dat vorige jaar hun genezingsverhaal op kwijt konden. Hieronder zijn vier wonderbaarlijke genezingen in Birma. Op alle vier de adressen waar genezingen zouden hebben plaatsgevonden, blijkt de waarheid toch anders te liggen. [1] [2] [4]
Ouweneel werd in 2011 genomineerd voor ‘De Gouden Bikini’: de prijs die de satirische website Goedgelovig.nl uitreikt aan de persoon, kerk of christelijke organisatie die zich het afgelopen jaar in Nederland op de meest wereldvreemde manier heeft onderscheiden. ‘Deze in tout kerkelijk Nederland bekende opinieleider gooit zijn wetenschappelijke reputatie te grabbel door zich onverbloemd te profileren als spindoctor van de extreem-charismatische organisatie TRIN (winnaar Gouden Bikini 2008). Hij hielp juichende wonderverhalen over in Birma genezen blinde kinderen de wereld in, schoffeerde in het openbaar mensen die hier kritische kanttekeningen bij zetten, en viel uiteindelijk door de mand door een onthullende reportage van journalist Karel Smouter. In plaats van karakter te tonen en zijn ongelijk toe te geven, kreeg de journalist de zwarte piet toegespeeld.’ [3]

Onder ‘gangbare’ bijbelwetenschappers en theologen vindt Ouweneel weinig weerklank voor zijn theorieën. In het algemeen wordt hij niet aangehaald in theologische academische publicaties. Het is door de grote hoeveelheid boeken (zo’n honderdvijftig) die Ouweneel heeft geschreven, niet eenvoudig een duidelijk beeld te krijgen van de plaats van Ouweneel ten aanzien van (theologische) onderwerpen. Daarbij nuanceert of herroept hij soms wat hij in eerdere publicaties geschreven heeft.

Bronnen: http://nl.wikipedia.org/wiki/Willem_Ouweneel, [1] http://www.trouw.nl/tr/nl/5091/Religie/article/detail/2957963/2011/10/08/Blinden-Burma-zijn-helemaal-niet-genezen-door-Nederlander.dhtml, [2] https://goedgelovig.wordpress.com/2011/10/05/bewijs-birma-blinden-niet-genezen/, https://goedgelovig.wordpress.com/2010/12/28/opwekking-in-birma/, [3] http://goedgelovig.wordpress.com/2011/12/20/gouden-bikini-2011-eerste-stemronde/, [4] http://www.refdag.nl/kerkplein/kerknieuws/trin_wil_kwestie_birma_afsluiten_1_619957

Mattheüs van der Steen

godwilldealwithjournalistsMattheüs van der Steen (1975) is voorganger en evangelist, met name bekend van de Nederlandse extreem charismatische organisatie TRIN (Touch, Reach, and Impact the Nations) waarvan hij één van de oprichters (2002) en directeur is. De naam TRIN is juni 2015 gewijzigd in Gospel Music Festival (GMF).

Van der Steen was in 2009 samen met Lodewijk van Weerden (1974) (nu voorganger van de Waardevol Leven Gemeente in Loppersum, Groningen) initiatiefnemer van de geloofsgemeenschap ARCH (Apostolic Revival Center Holland) in Harderwijk. De (apostolische) gemeente heet anno 2014 ‘House of Heroes’.
Tevens is Van der Steen bestuurslid van het Revival Alliance Network (RAN). ‘RAN verlangt ernaar de charismatische boodschap te verenigen, verkondigen en vermenigvuldigen door gebed, strategische ontmoetingen en activiteiten voor geestelijke leiders.’ [10]
Van der Steen bezocht twee samenkomsten in Lakeland; de opwekking met Tod Bentley in 2008 (zie hoofdstuk 8). Hij betitelt deze bijeenkomsten als ‘teleurstellend’, er gebeurde daar immers hetzelfde als bij de toenmalige activiteiten van TRIN, zoals firenights. ’Als dat een opwekking was, mochten wij ons ook zo noemen’, aldus de TRIN-directeur.

Naast dat Van der Steen de Toronto Blessing leer aanhangt, omarmt hij elementen van de Word of Faith leer. Hij is schrijver van verschillende boeken en zijn boek ‘Durf te dromen – wandel in je bestemming’ heeft de christelijke publieksprijs gewonnen in 2009. De NCRV zond op 30 december 2013 de documentaire ‘Mattheüs en ik’ [8] uit, waarin filmmaker Victor Vroegindeweij onderzoekt wat hij als atheïst kan leren van zijn vriend en evangelist Van der Steen.

Van der Steen is getrouwd met de Amerikaanse Rebekah Krell, welke niet onomstreden is. Zo beweerde zij in een interview met EO-Visie dat zij in de Satanskerk was opgegroeid en tot Satans bruid was uitverkoren. In die tijd zou ze diverse gruwelijkheden hebben meegemaakt, waaronder babyoffers. Na haar bekering zou ze zijn achtervolgd door geweld en zou er een dubbele moord gepleegd zijn door leden van de Satanskerk. Onderzoek heeft nooit aangetoond dat de gedane beweringen waar zijn. [1]

Volgens zijn biografie reisde Mattheüs al op veertienjarige leeftijd als matroos over de wereldzeeën. Zes jaar later studeerde hij af als Maritiem Officier. Op één van zijn reizen kwam hij in Afrika, waar hij werd getroffen door de nood van aidsbaby’s en straatkinderen. Hierna besloot hij zich in te zetten voor kwetsbare groepen.

Er zijn veel kanttekeningen te plaatsen bij bepaalde beweringen die Van der Steen doet. Goedgelovig.nl concludeert naar aanleiding van zijn boek ‘Durf te dromen’ dat Mattheüs zijn CV heeft ‘gepimpt’. Hij was onder andere geen varende kapitein op de wereldzeeën, maar een matroos die stil lag in de haven. Het verhaal is duidelijk geconstrueerd om geestelijk en toegewijd over te komen. [2]
Van der Steen claimde in 2008 en 2009 verschillende keren goudstof te hebben aangetroffen in zijn bijbel en op zijn schoenen. De goudstof wordt vaak in verband gebracht met Mozes die, volgens het bijbelboek Exodus, na veertig dagen met God te hebben doorgebracht, zijn gezicht verborg omdat Gods heerlijkheid van hem af straalde. Goedgelovig.nl beweert een deel van het ‘goud’ via een bezoeker in handen te hebben gekregen en liet dit onderzoeken. Waarborg Holland, de keuringsinstantie voor edelmetalen in Nederland, stelde na onderzoek vast dat de stof ‘in geen enkel opzicht gouden elementen’ bevatte. Wel werd er koper aangetroffen. [3] [4]
Journalist Karel Smouter heeft in 2010 samen met drie andere onderzoekers een onderzoek gedaan naar ‘de methodes van Mattheüs ‘. Één van de zaken die aan de orde werden gesteld was de claim dat zeven blinden waren genezen in Birma na gebed door betrokkenen bij TRIN. Deze genezingen hadden niet plaatsgevonden. [5] [6] [9]
Volgens Van der Steen zijn er ook meerdere doden opgewekt. Hij was er zelf niet bij toen het gebeurde, maar hij heeft met dertien mensen gesproken die uit de dood zouden zijn opgewekt. ‘Dit is niet verwonderlijk, het gebeurt wereldwijd’, aldus Van der Steen. [7]

Mattheüs van der Steen krijgt veel kritiek vanuit christelijke hoek. Hij claimt veel wonderen die volgens critici aantoonbaar geen wonderen zijn. Daarnaast berusten vele beweringen van hem niet op waarheid. Het is verbazingwekkend dat na al deze onthullingen er nog steeds mensen zijn die in Mattheüs van der Steen een ‘ware’ christelijke voorman zien.

Bronnen: http://nl.wikipedia.org/wiki/Mattheus_van_der_Steen, [1] http://goedgelovig.wordpress.com/2010/09/13/met-de-kennis-van-nu/, [2] http://goedgelovig.wordpress.com/2010/02/18/andere-tijden-van-matroos-tot-ceo/#more-17195, [3] http://goedgelovig.wordpress.com/2013/01/14/mattheus-van-der-steen-stoft-koperwonder-af/#more-34472, [4] http://goedgelovig.wordpress.com/2009/11/15/trin-goud-officieel-onderzocht/#more-14872, [5] http://www.trouw.nl/tr/nl/5091/Religie/article/detail/2957963/2011/10/08/Blinden-Burma-zijn-helemaal-niet-genezen-door-Nederlander.dhtml, [6] https://goedgelovig.wordpress.com/2011/10/05/bewijs-birma-blinden-niet-genezen/, https://goedgelovig.wordpress.com/2010/12/28/opwekking-in-birma/, [7] http://www.refdag.nl/kerkplein/kerknieuws/mattheus_van_der_steen_christenen_zijn_bang_voor_de_geest_1_620109, http://www.houseofheroes.nl/, [8] http://www.npo.nl/mattheus-en-ik-ncrv-dokument/30-12-2013/NCRV_1652809, [9] http://www.refdag.nl/kerkplein/kerknieuws/trin_wil_kwestie_birma_afsluiten_1_619957, https://staatgeschreven.nl/2015/04/16/breaking-trin-wordt-gospel-music-festival-gmf/https://goedgelovig.wordpress.com/2015/06/11/trin-wordt-gospel-music-festival/http://www.gospelmusicfestival.org/nl/, [10] http://revivalalliance.nl/wie-zijn-wij/

Wilkin van de Kamp

Wilkin3Wilkin van de Kamp (1961) is een evangelische auteur en voorganger. Zijn ouders bezochten aanvankelijk een Gereformeerde Bondsgemeente, maar verlieten deze kerk toen zij daar te weinig ruimte kregen voor hun charismatische uitingen. Van de Kamp volgde de Pedagogische Academie en heeft zestien jaar parttime in het onderwijs gewerkt. Hij is in 1989 voorganger geworden van de Volle Evangelie Gemeente Aalten (Gelderland), welke in 2000 is samengegaan met de Duitse Christusgemeinschaft Bocholt; hieruit ontstond de Euregio Christengemeente (ECG). Van de Kamp stopte in 2010 als fulltime voorganger van deze binationale kerk, maar maakt nog steeds deel uit van het leiderschapsteam. Naast zijn werk voor de ECG heeft Van de Kamp drie gemeenten gesticht (in Nijmegen, Leef!Doetinchem en Leef!Zutphen). Hij zat in de Raad van Bedieningen van Beréa (een onderdeel van het landelijke netwerk van Beréa gemeenten destijds) en was voorzitter van de stuurgroep ‘Wij kiezen voor eenheid’. Deze wilde ‘bruggen slaan tussen kerken, gemeenten, generaties en culturen’. ‘Wij kiezen voor eenheid’ is in 2013 opgegaan in het Nederlands Christelijk Forum (NCF). Van de Kamp is nu lid van de NCF-stuurgroep.

Stichting Vrij Zijn

Van de Kamp richtte in 2000 de stichting Vrij Zijn (officieel: Geboren om vrij te zijn) op, waar hij directeur van is. Het is een organisatie die zich bezig houdt met de ‘dienst van genezing’ en bevrijdingspastoraat. De stichting bezit een bijbel- en een trainingschool met dezelfde naam, en verzorgt onder andere conferenties en (digitale) publicaties.
De slogan van Vrij Zijn is: ‘Want u bent geboren om vrij te zijn’. Deze tekst komt uit Galaten 5:13: ‘Broeders en zusters, u bent geroepen om vrij te zijn. Misbruik die vrijheid niet om uw eigen verlangens te bevredigen, maar dien elkaar in liefde, (14) want de hele wet is vervuld in deze uitspraak: Heb uw naaste lief als uzelf.’ (Gal. 5:13-14)
Vers 13a heeft echter een andere betekenis dan er door Van de Kamp aan wordt gegeven. De tekst gaat niet over (vrijheid van) ‘occulte lasten’, maar de apostel Paulus schrijft hier aan de christelijke Galaten dat ze vrij zijn van de joodse Wet. De (niet-Joodse) Galaten waren volgelingen van Jezus, niet van de Wet van Mozes.

Volgens Van de Kamp kunnen (wedergeboren) christenen bevrijd worden van ‘gebondenheid’, ‘generatievloeken’ en andere ‘occulte lasten’. Kritiek hierop is dat mensen zich op deze manier juist een occulte belasting laten aanpraten. Een ander geluid is dat het onmogelijk is voor een (wedergeboren) christen demonisch gebonden of bezeten te zijn (zie hoofdstuk 10.1. ‘Bevrijdingspastoraat’).

In Van de Kamps onderricht zien we raakvlakken met de Word of Faith. Zo leert hij dat Jezus na zijn dood aan het kruis nog naar de hel is gegaan (JDS*). Ds. Rob Visser, predikant van de Gereformeerde Kerk Nederland te Zwolle, schrijft op zijn website naar aanleiding van Van de Kamps boek ‘Het wonder van het kruis’ (2008): ‘Volgens Van de Kamp moest de Here Jezus na Zijn sterven aan het kruis, nog naar de hel. Hij moest de hel toen nog doorstaan en daar de zonden afladen volgens hem. Hierover wordt uitgebreid geschreven, terwijl dat toch echt in strijd is met Jezus’ woorden aan het kruis: “Het is volbracht”.’
Over wat Van de Kamp onderwijst ten aanzien van ‘generatievloeken’ zegt hij: ‘Hier hebben we te maken met iets dat echt tegen het Woord van de HERE ingaat. Het is niet zo dat als we in geloof zijn gaan leven, de zonden van ons voorgeslacht ons nog worden toegerekend. Je leest dat zo duidelijk en mooi in Ezechiël 18.’
Visser besluit: ‘Als het gaat om wat Wilkin van de Kamp leert, moeten we heel erg op onze hoede zijn. Het is hier echt nodig om heel zorgvuldig te toetsen, omdat er te veel is wat niet in overeenstemming met het Woord van de Geest is. De mooie dingen die je bij hem leest, moeten je niet laten meenemen om hem in alles te volgen.’ [1]

* JDS (Jesus died spiritually) is een leer die zijn oorsprong kent in de Word of Faith (zie hoofdstuk 10.7. ‘Kritiek op de Word of Faith leer: Jezus is niet alleen lichamelijk, maar ook geestelijk gestorven’).

Bronnen: http://www.vrij-zijn.net/, http://nl.wikipedia.org/wiki/Wilkin_van_de_Kamp, http://www.bevrijdingspastoraat.nl/, http://www.ecgonline.net/nederlands/,  http://www.wkve.nl/index.php?id=8, http://www.ncf.nu/, http://leefzutphen.nl/geschiedenis/, [1] http://www.evangelie-voor-elke-dag.nl/news/het-wonder-van-het-kruis-wilkin-van-de-kamp-een-recensie/, https://goedgelovig.wordpress.com/category/miniserie-bevrijd/ 

Herman Boon

herman boonHerman Boon (1958) is evangelist, cabaretier en zanger-liedjesschrijver. Hij heeft de lerarenopleiding gevolgd met een verdieping in muziek, en voor de Evangelische Omroep (EO) heeft hij als presentator gewerkt. Zo werkte hij ondermeer mee aan het programma ‘Catherine zoekt God’ (2002-2003), waarin hij oud tv-presentatrice Catherine Ceijl wist te bewegen tot enkele tranen (link you tube). Boon is in 1986 christen geworden, waarna hij zich heeft aangesloten bij de vroegere Beréa beweging.

Het organiseren van ‘bidden en vasten tiendaagsen’ is Boon begonnen in 2004, en in datzelfde jaar is hij in Den Helder gestart met bijbelschool de Katapul (discipelschap), een trainingsschool voor kinder- en tienerwerkers. De visie is dat studenten vanaf zestien jaar worden gevormd tot discipelen van Jezus Christus en worden toegerust voor het werken met kinderen, zowel in het binnen- als buitenland. In het gebouw van de Katapult is ook de Wake Up gebedsschool gevestigd; een fulltime school die drie maanden duurt en waar je onder andere getraind wordt om te groeien in gebed, voorbede, lofprijs en aanbidding. Tevens is een dochterkerk van de City Life Church op de lokatie gevestigd. Deze afdeling is in 2010 ontstaan uit de Beréa gemeente te Den Helder.
Boon startte in 2005 met de stichting Wake Up Ministries. Deze heeft onder andere als doel het versterken en opbouwen van het geloofsleven van kinderen (acht tot en met twaalf jaar) en tieners (twaalf tot en met zestien jaar). De stichting organiseert onder andere tiener- en kinderkampen, en het Holland Gebedshuis (in verlenging van de gebedsschool, september 2014).
Boon is gastdocent bij bijbelschool Foundation 4 Life (Ermelo) en ondersteunt TRIN (nu GMF). Zo was hij vaak spreker op de ‘firenights’ die gehouden werden door TRIN (beëindigd in 2011).

Naast de Toronto Blessing leer onderwijst Boon de positieve belijdenis (‘name it and claim it’) van de Word of Faith: woorden hebben kracht/macht.
‘Het is belangrijk om te spreken tegen de ziekte, niet bidden. Je bidt als je iets vraagt aan God, maar je spreekt als je de ziekte echt weg wilt hebben; in de autoriteit gaan staan! Als iemand hoofdpijn heeft: hoofdpijn wijk in Jezus’ Naam!’ [1]
Positief belijden is de praktijk van het hardop zeggen wat u wilt zien gebeuren, met de verwachting dat God het werkelijkheid zal maken. Dit betekent echter dat u geen enkel negatief woord mag spreken, want dan zou u een vloek op uw leven plaatsen. (Zie hoofdstuk 10.7. ‘Kritiek op de Word of Faith leer, Positief belijden’.)
‘Ook had ik dingen over mezelf uitgesproken die niet goed zijn: het was beter om niet te leven, ik krijg nooit meer een partner, ik wil nooit meer iemand vertrouwen, etc. (dingen die je zegt gebeuren, woorden hebben macht!) (…) Dus voor elke leugen hebben we een waarheid gezocht die ik voelde en die hebben we uitgesproken, en de leugens verbroken. En elke leugen die ik over mezelf gehoord had van anderen, hebben ze de tegenovergestelde kant als zegen over mij uitgesproken (woorden hebben macht).’ [11]

Goedgelovig.nl stelt naar aanleiding van zijn preek ‘Licht of duisternis’ (2013): ‘Herman discipelt kinderen met zijn angstaanjagende evangelie, die hij zelfs aanleert demonen te verjagen. Welke ziekmakende gevolgen heeft dat?’ [2]
Boon zegt in deze preek: ‘Ik werk veel met kinderen, is het mooiste spul dat er is. Ja, die doen niet moeilijk, ja toch? Kun je heerlijk mee werken. Die kun je heerlijk discipelen, kinderen. Je kunt ze leren zieken genezen, je kunt ze leren boze geesten verjagen, je kunt ze leren spreken in tongen, je kunt ze leren evangeliseren; vinden ze allemaal geweldig! Moet je met grote mensen doen, joh. Krijg je toch een commentaar! (…) Maar kinderen niet. (…) Kinderen doen niet moeilijk.’ [3a]
Is Boon gek geworden? Kinderen moet je in de eerste plaats beschermen en daar hoort hen leren hoe ze (vermeende) demonen moeten uitdrijven niet bij! En iedereen die het hier niet mee eens is, mag wat mij betreft direct een dwangbuis aan (R.K.). 
Boon meent dat je op allerlei manieren demonisch gebonden kunt raken. Zo hield hij eens een zaal met kinderen voor dat door het spelen van een computerspelletje een kind ‘de geest van dood’ kan binnenkrijgen. [3b]

‘Bidden en vasten’

Boon organiseert sinds 2004 ‘bidden en vasten tiendaagsen‘ en doet dit tegenwoordig vijf maal per jaar door het gehele land. Hij onderwijst dat je in het vasten de duivel ‘tegenkomt’ en dat het doel van vasten is ‘wandelen in het bovennatuurlijke’: demonen verjagen, tongentaal spreken (om je geloof op te bouwen) en zieken genezen [4] (krachtevangelisatie op basis van Marcus 16:17-18). Hij meent dat een christen eigenlijk verplicht is te vasten en zegt dat God een gelovige de autoriteit (macht, gezag) heeft gegeven om in dit vasten ‘de duivel te verslaan’, met andere woorden: demonen te verjagen. Hij onderwijst hierbij dat ook christenen door demonen bezeten of ‘gebonden’ kunnen zijn. Boon zei hierover in februari 2014 op Groot Nieuws Radio [5]:
‘Als je gaat vasten dan kom je de duivel tegen. Dan zie je wie de echte vijand is en dan kom je er ook achter dat God je de autoriteit heeft gegeven om de duivel te verslaan.’ (32.48-33.05 min.)
Wij zouden autoriteit hebben over de duivel? Judas 1:8-9 en 2 Petrus 2:10b-11 weerleggen dit toch duidelijk. Bovendien wordt ons nergens in de bijbel verteld hoe we de duivel en/of zijn demonen bij christenen of wie dan ook moeten uitdrijven, of dat we zelfs maar moeten overwegen dat te doen. (Zie hoofdstuk 10.1. ‘Geestelijke oorlogsvoering’ en ‘Bevrijdingspastoraat’.) 
Interviewer: ‘Dus als ik je goed beluister, je hebt dat uitgevonden: vasten is belangrijk, ook omdat je dat gewoon gelezen hebt in de bijbel?’ Boon: ‘Nou, nee,… eh, we hebben de kracht niet. (…) Waar halen wij de kracht vandaan om te doen wat Jezus ook deed (wandelen in het bovennatuurlijke door wonderen en tekenen, R.K.)? (…) Hij moest ook leren dat hij moest vasten. En hij moest in dat vasten ook leren dat de duivel zijn grootste vijand was en dat hij die moest bevechten.’ (34.00-34.50 min.)
Meent Boon dit nou? Zou Jezus, de Zoon van God, niet geweten hebben wie Satan was?
Boon refereert hier aan de verzoeking (verleiding) in de woestijn (Matteüs 4:1-11, zie ook Lucas 4:1-13) en beweert naar aanleiding van deze bijbelpassage dat wanneer christenen gaan vasten zij ‘de duivel tegenkomen’. Goed lezen van de tekst maakt duidelijk dat dit hier niet staat: ‘Daarna werd Jezus door de Geest meegevoerd naar de woestijn om door de duivel op de proef gesteld te worden’ (Matteüs 4:1). Het was dus van te voren door God bepaald dat Jezus Satan zou ontmoeten, en de duivel kreeg kortstondige en beperkte bevoegdheid van God om Jezus te beproeven, opdat de volmaaktheid van Jezus gezien zou worden: Jezus gaat (namelijk) niet in op Satans verleidingen. [14] Op basis van de tekst kun je geen leer baseren dat in het algemeen iemand ‘demonen ontmoet in en tijdens het vasten’. Dat staat er eenvoudigweg niet. Dat staat nergens in de bijbel.
Boon: ‘Ik heb dit voor het eerst in 2004 in Den Haag gedaan. (…) Met die zeventig mensen ben ik gaan bidden en vasten. Na een dag of vier, vijf, toen we bij elkaar waren met een groepje, toen werden er spontaan mensen bevrijd! Ik zag opeens boze geesten uit mensen komen. Er was een vrouw bij die werd bevrijd van zeventig demonen. Nou zul je zeggen: hoe weet je dat het er zeventig waren? Nou, iemand telde ze…, er gebeurden heftige dingen! Er was één vrouwtje die werd bevrijd van 26 demonen… Ik zag mensen spontaan veranderen voor mijn ogen…’ Interviewer: ‘Maar wat deed je dan?’ Boon: ‘Veel God zoeken; dus veel lofprijs, veel aanbidding, veel bidden, veel zingen.’ (35.40-36.38 min.)
De ‘kritische’ interviewer vergeet de vragen die iedereen zou stellen: Hoe zagen die demonen er dan uit, want hoe kon je ze anders tellen? En als je ze niet kon zien, waar heb je dat tellen dan op gebaseerd?
Boon zegt over het doel van vasten: ‘Dat je gaat doen waarvoor je gemaakt bent, doen wat Jezus deed: wandelen in het bovennatuurlijke…’ (79.45-80.16 min.)
Dit is absoluut niet het doel van vasten! Het doel van vasten is je te concentreren op God. Vasten is geen methode om demonen uit te drijven. Nergens in de bijbel wordt zo’n leer ondersteund (zie verder ‘Matteüs 17:21’). Bovendien stelt God vasten helemaal niet als een verplichting voor een christen, hoewel de bijbel het wel presenteert als iets dat goed is en ons voordeel zal opleveren (zie hoofdstuk 10.1. ‘Vasten en bidden’).

Boon doet het op de door GOD TV uitgezonden Mission Possible 2015 conferentie te Amsterdam [13] nog eens dunnetjes over: ‘Achter elke verslaving zit een demon.’ (0.51.44) ‘Vasten geeft inzicht in de geestelijke wereld. (…) Sommige mensen (…) groeien niet verder, omdat ze weigeren te vasten. Maar het is het machtigste middel dat God ons gegeven heeft om een opwekking te bewerken. (…) Wat gebeurt er als je gaat vasten? (…) Je gaat de duivel ontmoeten. (…) Dan moet hij tevoorschijn komen. (…) En jij hebt het nodig om de duivel te ontmoeten, (…) zodat jij gaat ontdekken dat jij autoriteit hebt over hem. Ga het gebruiken! (…) Als Jezus bidden en vasten nodig had, wie ben jij dan dat je zegt dat je het niet nodig bent? Dan hou je jezelf voor de gek. (…) Als je gaat bidden en vasten kom je demonen tegen. (…) Korte metten maken met die gasten; wegwezen!’ (0.52.00-0.56.21) ‘Waar haal ik bovennatuurlijke kracht vandaan? Met bidden en vasten! (…) Wanneer kwamen de wonderen in het leven van Jezus? Na het bidden en vasten, niet ervoor! Wilt u wonderen in uw leven? (…) Je kunt niet meer zeggen dat je het niet weet.’ (1.00.05-1.00.34)
Waar staat in de bijbel dat je door vasten ‘bovennatuurlijke kracht’ zou verkrijgen? Nergens. Het is één en al misvatting en inlegkunde wat deze evangelist brengt, naast promotie voor zijn ‘bidden en vasten tiendaagsen’

Kritiek op gebruik Matteüs 17:21

Boon onderbouwt het demonen bestrijden in het vasten met Matteüs 17:21: ‘Vasten is dé sleutel voor bevrijding. In Mattheus 17:21 zegt Jezus dat sommige geesten er alleen maar door bidden en vasten uitgaan.’ [12]
Boon heeft weleens gebruik gemaakt van de NBG 1951. Hierin wordt het vers als volgt weergegeven: ‘[Maar dit geslacht vaart niet uit dan door bidden en vasten.]’ Deze weergave geeft aan dat dit vers later is toegevoegd. In de NBV – de opvolger van de NBG 1951 – is vers 21 daarom helemaal weggelaten. Het is dan ook merkwaardig dat ‘bijbelleraar’ Boon dit vers gebruikt als onderbouwing van het (vermeende) demonen bestrijden in/tijdens het vasten.
In de oudere handschriften van Matteüs ontbreekt dit vers 21. Blijkbaar is in het proces van kopiëren het vers uit Marcus 9:29 toegevoegd aan het Matteüs verslag. In de HSV-vertaling van Marcus 9:29 (gebaseerd op de Textus Receptus*) staat‘En Hij zei tegen hen: Dit soort kan nergens anders door uitgaan dan door bidden en vasten.’ Maar de woorden ‘en vasten’ ontbreken in de Codex Sinaiticus. De toevoeging is te verklaren door de heersende nadruk op het vasten in de vroege kerk. [6] [7] [8] [9] De NBG 1951 geeft Marcus 9:29 al als volgt weer‘En Hij zeide tot hen: Dit geslacht kan door niets uitvaren, tenzij door gebed.’  

* Het Nieuwe Testament is in de Herziene Statenvertaling (HSV, 2010) een vertaling van de Textus Receptus, een niet-optimale variant van de Byzantijnse tekst (maar ook schatplichtig aan de Vulgata). Het was echter de beste tekst die de Statenvertalers in de zeventiende eeuw tot hun beschikking hadden. Inmiddels zijn er in de afgelopen vierhonderd jaar vele oudere handschriften ontdekt, zoals de Codex Vaticanus, de Codex Sinaïticus, de Bodmer papyri 66 en Papyrus 75; de Chester Beatty papyri 45, 46 en 47 en vele andere. De status van de Byzantijnse tekst, en dus helemaal van de Textus Receptus, werd volledig ondermijnd. Inmiddels is de Textus Receptus als editie van het Griekse Nieuwe Testament wetenschappelijk volkomen achterhaald. Om de HSV acceptabel te laten blijven voor een zo groot mogelijk deel van de achterban, bleven de SV-herzieners echter vasthouden aan de Textus Receptus (zoals ook in de zeventiende eeuw in de Statenvertaling is gedaan). De HSV is dan ook onderhevig aan kritiek. (In het Oude Testament maakten de herzieners van de Statenvertaling overigens wel gebruik van de Dode Zee-rollen om onduidelijke passages beter te kunnen vertalen.) [10a] [10b]

Bronnen: http://nl.wikipedia.org/wiki/Herman_Boon_(cabaretier), http://www.hermanboon.nl/, [1] http://robinvanengelenhoven.blogspot.nl/p/verslag-bidden-en-vasten.html, [2] http://goedgelovig.wordpress.com/2013/05/26/wie-bidt-en-vast-regeert/, [3a] uit zijn preek ‘Licht of duisternis’ (tijd 17.50-18.22), De Schaapspoort, 7 april 2013, [3b] Herman Boon: Het geheim van de Heilige Geest (you tube-link, 7.38-8.06 min.), http://www.staatgeschreven.nl/2013/08/10/toen-ik-dit-voor-het-eerst-zag-dacht-ik-ik-ben-in-een-sekte-beland/, http://www.cip.nl/artikel/40066/We-krijgen-spierballen-in-de-Geest, http://www.cip.nl/artikel/35671/We-mogen-leren-om-onszelf-te-verloochenen, http://www.foundation4life.nl/groep/gastdocenten, [4] http://www.youtube.com/watch?v=W_SXRaTtPyE: Herman Boon geeft les op bijbelschool Foundation 4 Life, [5] https://www.grootnieuwsradio.nl/k/n663/news/view/45969/41824/herman-boon-over-vasten-en-bidden.html, [6] http://www.neverthirsty.org/pp/corner/read/r00285.html, [7] http://biblehub.com/commentaries/pulpit/matthew/17.htm, http://biblehub.com/commentaries/cambridge/matthew/17.htm, http://biblehub.com/commentaries/egt/matthew/17.htm, https://answers.yahoo.com/question/index?qid=20110705180052AA1KARl, http://biblehub.com/commentaries/egt/mark/9.htm, [8] http://biblehub.com/commentaries/cambridge/mark/9.htm, [9] http://hermeneutics.stackexchange.com/questions/13601/omission-of-fasting-in-mark-929, [10a] http://nl.wikipedia.org/wiki/Herziene_Statenvertaling#Kritiek_van_Bijbelwetenschappers, [10b] https://nl.wikipedia.org/wiki/Textus_receptus#Wetenschappelijke_status, [11] http://www.mama-life.nl/topic/lees/25052, [12] http://www.eo.nl/geloven/themas/keuzes-maken/item/herman-boon-vasten-is-niet-een-wedstrijdje-niet-eten-1/ , [13] http://www.god.tv/mission-possible/video/mission-possible/day-3-morning-session-herman-boon (niet meer actief), http://www.refoweb.nl/vragenrubriek/24716/herman-boon-ministries/, [14] http://lazarus.nl/2017/06/jezus-40-dagen-in-woestijn/?utm_content=buffer16077&utm_medium=social&utm_source=facebook.com&utm_campaign=buffer

Martin Koornstra

koornstraMartin Koornstra (1967) werd geboren in België in een gezin van zendelingen. Hij was al op jonge leeftijd betrokken bij christelijk werk, vooral onder de jeugd. Na zijn opleiding als vliegtuigbouwkundig ingenieur ging hij bij een Japans bedrijf aan de slag, maar na twee jaar nam hij ontslag om naar een bijbelschool te gaan.
Koornstra heeft eerst elf jaar in Vlaanderen gewerkt in een bediening, waarna hij met zijn vrouw in 2004 naar Drachten (Friesland) is verhuisd. Hier hebben ze vijf jaar leiding gegeven aan het kinder- en jeugdwerk van de Vrije Baptisten Gemeente Bethel. Vanaf september 2009 hebben ze in Drachten ‘Royal Mission’ opgezet om zo anderen te onderwijzen en te trainen. Tegenwoordig (2014) wonen ze in Veenendaal (Utrecht) waar ook een kantoor van Royal Mission is gevestigd.

Koornstra spreekt in kerken, jeugddiensten en op conferenties. Hij werkt mee aan de vernieuwingsbeweging WAKE UP! Veenendaal; een stichting met als doel het koninkrijk van God zichtbaar te maken in Veenendaal. Hier werken verschillende bekende sprekers aan mee, zoals Wilkin Van de Kamp, Willem Ouweneel, Herman Boon, Gerald Troost en David Sörensen. Koornstra organiseert genezings- en bevrijdingsdiensten in heel Nederland. Hij zegt woorden door te krijgen over mensen die genezing nodig hebben.
Koonstra is verbonden aan de Royal Mission School in Drachten. De visie is dat men droomt van een reformatie in de kerk, zodat de ‘koninklijke kerk’ ontstaat. Men gelooft dat discipelschap hierbij een belangrijke sleutel is. De doelgroep is personen van zestien tot en met 25 jaar. Op de site schrijft men dat men vakken geeft aan de hand van de vijf bedieningen (Efeziërs 4). ‘Dit betekent niet dat we alle studenten willen opleiden als profeet, herder, leraar, evangelist of apostel. Het gaat ons om de competenties die achter deze bedieningen liggen, waardoor de vijf bedieningen een didactisch kader vormen.’ [1] Docenten die les kunnen geven zijn onder andere Martin Koornstra, Martin Dol, Jan Pool, Willem Ouweneel, Paulien Vervoorn, Gerlof Wiersma en Erica Deunk. De school wordt momenteel (2014) geleid door Martin Dol.
Elke zomer verzorgt de Royal Mission School gedurende zeven weken het tienerprogramma Royal Adventure en het kinderprogramma MEGAKIDS op conferentie- en vakantiecentrum De Betteld in Zelhem (bij Doetinchem, Gelderland). In 2014 is men ook gestart met (Royal Adventure) weekenden (RAW) in dit licht.

Bronnen: http://www.heartbeatweekend.nl/sprekers/martin-koornstra, http://royalmission.nl/, [1] http://royalmission.nl/school/fulltime-vormingsschool/

Jan Sjoerd Pasterkamp

pasterkampJan Sjoerd Pasterkamp (1944) is een voormalig zendeling binnen de Pinksterbeweging en heeft gewerkt bij de organisatie Stromen van Kracht (bestond tot eind jaren 1960). Vanaf 1966 heeft Pasterkamp samen met zijn vrouw gewerkt in Australië (twee jaar), Papoea-Nieuw-Guinea (veertien jaar), Japan (vier jaar) en weer Australië (zes jaar).
Hij zette zich in voor de Beréa-gemeenten in Haarlem en Amsterdam, na eind 1992 in Nederland te zijn teruggekomen. Paterkamp was in 1998 een jaar interim voorganger bij het Evangelisch Centrum Europoort (voorheen De Kandelaar), waarna hij van 1999 tot 2007 voorganger is geweest van deze (internationaal georiënteerde) pinkstergemeente te Rotterdam.

In Nederland geniet Pasterkamp bekendheid door zijn werk voor het charismatische blad Herstel en van de daaraan verbonden Herstelweken, waar gelovigen onderwijs krijgen en hun gebedsgenezing en bevrijding van demonen wordt aangeboden. Ook geeft hij spreekbeurten op allerlei conferenties van de Pinkster- en charismatische beweging.
Pasterkamp is vice-voorzitter van de Verenigde Pinkster- en Evangeliegemeenten (VPE) en hij was eveneens bestuurslid van de Derek Prince Ministries in Nederland. Op dit moment (2016) is Pasterkamp bestuurslid bij GMF (voorheen TRIN). Hij is tevens adviseur bij het Revival Alliance Network (RAN).

Regelmatig duikt Pasterkamp op bij conflicten in (charismatische en) pinkstergemeenten. Daarbij worden echter de gangbare regels van mediation, onder meer vertrouwelijkheid en neutraliteit, nogal eens geschonden. [1] [2] [3]

Bronnen: http://nl.wikipedia.org/wiki/Jan_Sjoerd_Pasterkamp, [1] http://goedgelovig.wordpress.com/2013/05/14/het-pasterkamp-effect-mediation-door-overname/, [2] http://goedgelovig.wordpress.com/2013/05/13/pasterkamp-wordt-geestelijk-overziener-van-zijlstra/#more-36446, [3] http://goedgelovig.wordpress.com/2013/06/12/open-brief-aan-vpe-voorzitter-peter-sleebos/, http://revivalalliance.nl/wie-zijn-wij/, https://goedgelovig.wordpress.com/2015/06/11/trin-wordt-gospel-music-festival/#more-40274

Peter Sleebos

P. SleebosPeter Sleebos (Malang, Indonesië, 1949) is in 1950 geëmigreerd en in Alkmaar (Noord-Holland) opgegroeid, waar zijn ouders werkzaam waren in een pinkstergemeente. Hij is voorzitter van de Verenigde Pinkster- en Evangeliegemeenten (VPE) sinds haar ontstaan, en het Landelijk Platform van de Pinksterbeweging. Sinds 2014 geeft hij tijdelijk leiding aan de christengemeente Leef!Zutphen (Gelderland). Daarnaast leidt hij de zendingsorganisatie VPE-Zending en vertegenwoordigt hij West-Europa in het bestuur van de wereldwijde Assemblies of God Fellowship (WAGF). Hij stond de stuurgroep ‘Wij kiezen voor eenheid’ bij. Deze wilde ‘bruggen slaan tussen kerken, gemeenten, generaties en culturen’. In 2013 is ‘Wij kiezen voor eenheid’ opgegaan in het Nederlands Christelijk Forum (NCF). Sleebos is nu lid van de NCF-stuurgroep.
Sleebos was voorzitter van het Broederschap van Pinkstergemeenten (één van de voorlopers van de VPE), vicevoorzitter van de Evangelische Omroep en gastdocent op de Azusa theologische hogeschool. Van 1987 tot 1997 is  hij voorganger geweest bij de pinkstergemeente Citylight te Alkmaar. Ook heeft hij als zendeling gewerkt in Indonesië.

Naar aanleiding van het bericht ‘Het Pasterkamp-effect: mediation door overname’ (mei 2013) vroeg Goedgelovig.nl de VPE om een reactie. Het optreden van Pasterkamp in de Levensstroom-affaire leek op meerdere punten op gespannen voet te staan met de Gedragscode voor Leidinggevenden in Kerken, Gemeenten en Organisaties van de VPE. Een reactie bleef echter uit, ook na nog twee keer mailen. Goedgelovig (GG) meende dat de VPE daarmee Pasterkamp feitelijk de hand boven het hoofd houdt. GG schrijft in haar artikel: ‘Dat vinden we een slechte zaak. Leiders, in welke hoedanigheid dan ook, horen altijd aanspreekbaar te zijn en bereid te zijn open verantwoording af te leggen. Ook als de VPE meent dat GG geen enkele zaak heeft, kan ze tenminste correct reageren. Daarom publiceren we onze e-mail vandaag als open brief aan VPE-voorzitter Peter Sleebos.’ [1]

Bronnen: http://nl.wikipedia.org/wiki/Peter_Sleebos, http://leefzutphen.nlhttp://www.wkve.nl/index.php?id=15, http://www.vpe.nl/, http://www.vpe.nl/artikelen/87/vpe-kiest-algemeen-voorzitter-en-algemeen-secretaris.htmlhttp://leefzutphen.nl/peter-en-corrie-sleebos/, http://www.ncf.nu/, http://www.raadvankerken.nl/pagina/2545/worsteling_met_eenheid, http://worldagfellowship.org/fellowship/countries/wagf-participating-members-m-r/netherlands/, [1] https://goedgelovig.wordpress.com/2013/06/12/open-brief-aan-vpe-voorzitter-peter-sleebos/

Daniël Renger

daniel_renger2013_01Daniël Renger is in 1969 geboren in Kameroen (West-Afrika), waar zijn ouders werkten als zendelingen. Met zijn SPD-opleiding heeft hij een aantal jaren gewerkt als accountant. Renger was actief bij Greater Europe Mission en studeerde drie jaar (1992-’95) aan Tyndale Theological Seminary (Badhoevendorp). Hierna (1997-2004) heeft hij als jeugdleider, oudste en voorganger gewerkt bij Beréa-Haarlem (nu Evangelical Church Shelter Haarlem). Hij was vier jaar voorganger in de Evangelical Church Ermelo en sinds 2007 is hij voorganger van Evangelisch Centrum Europoort (voorheen De Kandelaar), een pinkstergemeente in Rotterdam-West. Renger is sinds 2009 bestuurslid en docent aan de Christformation Bibleschool te Rotterdam, en vanaf 2010 is hij ook bestuurslid van het Revival Alliance Network (RAN). Hij is tevens bestuurslid van GMF (voorheen TRIN) en betrokken bij de dagelijkse leiding van deze organisatie. Hij hoopt ‘…van harte dat Mattheüs en Rebekah nog jarenlang de kracht en de moed zullen hebben om deze beweging te leiden en zo een voorbeeld te zijn voor velen…’ [1]
Renger bekleedt de functie van algemeen secretaris bij de Verenigde Pinkster- en Evangeliegemeenten (VPE).

Goedgelovig.nl vroeg in 2012 om een reactie van Renger over het feit dat Europoort de oplichter Erik Spruyt als spreker en zendeling een platform gaf en zelfs financieel ondersteunde. Spruyt was in 2007 in het nieuws, omdat hij tientallen zendelingen voor 3,5 miljoen euro heeft opgelicht. Er kwam geen reactie. Toen Goedgelovig het nog een keer probeerde, liet Renger zijn secretaresse de volgende reactie mailen: ‘Geen commentaar.’ [2]
Goedgelovig.nl vervolgt in het artikel: ‘Daniël Renger heeft weinig op met open verantwoording afleggen. Dat merkten we al rond het Concilie van Heerde toen hij de notulen van een leidersoverleg over de omstreden evangelist Todd Bentley in de doofpot liet stoppen. Een jaar later zou hij samen met Europoort-medevoorganger Jan Sjoerd Pasterkamp het TRIN-koppel Van der Steen inzegenen en publiekelijk van kritiek vrijwaren. En vorig jaar verzorgde hij een pr-charme-offensief voor TRIN nadat de organisatie met valse claims over genezingen in Birma keihard door de mand was gevallen. Renger heeft goed opgelet bij zijn mentor Pasterkamp, want die greep ook niet in toen zijn Beréa-collega Rob Allart langs gemeenten trok om investeerders te werven voor het eveneens frauduleuze investeringsfonds KFS (Kingdom Financial Services). En zo herhalen zich wel meer geschiedenissen.’ [2]

Bronnen: http://www.eceuropoort.nl/, [1] http://www.trin.nl/index.php/trin-friends/aanbevelingen/article?id=273%3Adaniel-renger&catid=37%3Aaanbevelingen, http://www.globalmissionschooleurope.org/bio-s-teachers2/24-daniel-renger, [2] http://goedgelovig.wordpress.com/2012/11/14/ec-europoort-ondersteunt-oplichter/, https://goedgelovig.wordpress.com/2010/12/01/berea-tapes-openbaar-gemaakt/, http://www.tringlobal.org/mission-possible/mp-speakers/77-daniel-renger, http://www.christformation.com/en/instructor_danielrenger, http://www.houseofheroes.nl/agenda/icalrepeat.detail/2013/12/15/193/68%7C69%7C70%7C71/house-of-heroes-dienst-met-daniel-renger?tmpl=component, http://www.cip.nl/artikel/25319/TRIN-draagt-overduidelijk-vrucht, http://www.vpe.nl/artikelen/87/vpe-kiest-algemeen-voorzitter-en-algemeen-secretaris.html, http://revivalalliance.nl/wie-zijn-wij/, https://goedgelovig.wordpress.com/2015/06/11/trin-wordt-gospel-music-festival/#more-40274 

Steve van Deventer

DeventerSteve van Deventer (1951) is een Zuid-Afrikaans-Nederlandse voormalig predikant. Hij volgde in Pretoria (Zuid-Afrika) een theologische studie. Vervolgens ging hij Hebreeuws onderwijzen aan de Universiteit van het Noorden (Zuid-Afrika). Na enige tijd vertrok hij naar Nederland waar hij aan de Rijksuniversiteit Groningen zich bekwaamde in het Oude Testament. Het kwam echter niet tot een voltooiing hiervan, omdat hij in 1981 een beroep aannam van de Gereformeerde kerk in Frieschepalen (Friesland). Na vijf jaar verruilde hij deze plaats voor één in Houten (Utrecht), gevolgd door een predikantbevestiging in 1995 in de Nederlandse Hervormde kerk van Aalsmeer (Noord-Holland).
In 2000 stapte Van Deventer over naar de eveneens in Aalsmeer gevestigde Levend Evangelie Gemeente, een pinkstergemeente. Hierna startte hij met vier anderen de pinkstergemeente Alphakerk Amstelland, te Kudelstaart (gemeente Aalsmeer). In juni 2007 startte hij wederom een nieuwe evangelische gemeente: De Weg te Mijdrecht (Utrecht), waarvan hij nu voorganger is.
Van Deventer was betrokken bij de Stichting Kana (Kana Comite). Deze niet meer bestaande stichting hield zich bezig met charismatische activiteiten en nodigde in de jaren negentig John Wimber (Vineyard beweging) en John Arnott (Catch The Fire Toronto) uit in Nederland.
Van Deventer maakt tegenwoordig (2014) deel uit van het dagelijks bestuur van de VPE (Verenigde Pinkster- en Evangeliegemeenten) waar hij ook Landelijk Coördinator Onderwijs & Opleidingen is. Tevens is hij gastdocent bij de Rotterdamse Bijbelschool Christformation. De laatste jaren organiseert Van Deventer mannenconferenties. Op dit moment (2016) is Van Deventer bestuurslid bij GMF (voorheen TRIN).

Bronnen: http://stevevandeventer.nl, http://www.christformation.com, Goedgelovig.nl ‘Hoe meer kritiek, hoe meer zalving!’ http://archive.is/hnmX#selection-921.0-921.35, http://www.alphaonline.nl/voorpagina/index.php/partner-nieuws/item/136-nieuwe-landelijk-cooerdinator-onderwijs-voor-de-vpe/136-nieuwe-landelijk-cooerdinator-onderwijs-voor-de-vpehttps://goedgelovig.wordpress.com/2015/06/11/trin-wordt-gospel-music-festival/#more-40274

David de Vos

David-de-Vos1David de Vos en zijn vrouw zijn de oprichters van de stichting Go and Tell (2004) die sinds november 2011 werkt vanuit Zeewolde (Zuid-Flevoland). Het echtpaar wil de wereld ingaan om de boodschap van Jezus te laten klinken tot in alle uithoeken van de aarde. Hiervoor organiseren zij in Nederland en daarbuiten spreekbeurten, conferenties, trainingen in evangelisatie, en (evangelie)campagnes. De Vos heeft meerdere boeken op zijn naam staan en ondersteunt TRIN (nu GMF).

David de Vos is, naast Martin Koornstra en Mattheüs van der Steen, initiatiefnemer van de G500: vijfhonderd ‘christenen’ die een visie hebben voor de toekomst van de kerk die, wat hen betreft, past bij de tijd waarin we leven én rekening houdt met de uitdagingen waar we nu, maar vooral ook in de toekomst, tegenaan lopen. ‘We zetten de kerk op z’n kop’. De speerpunten zijn onderwijs, zorg en werken. In het kader van onderwijs wordt Hosea 4:6a aangehaald: ‘Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan kennis.’ De Vos zegt: ‘Emotie speelt wel degelijk een grote rol, maar we zien dat het fundament, onderwijs, op een steeds lager pitje komt te staan.’ Vlaggen zwaaien is prima, maar wat ben je aan het doen als je niet eens weet wat de bijbelse (!) boodschap is van bijvoorbeeld de paarse vlag? [1] ‘Bijbelleraar’ De Vos heeft er blijkbaar totaal geen kennis van dat het ‘vlaggen’ zijn oorsprong kent in oosterse religie en niet in de bijbel (zie hoofdstuk 10.1. ‘Aanbidding en lofprijzing’).

Bronnen: http://www.heartbeatweekend.nl/sprekers/david-de-vos, http://www.goandtell.nl/index.php, http://goedgelovig.wordpress.com/2009/03/03/de-nederlandse-reinhard-bonnke/, http://goedgelovig.wordpress.com/2012/08/25/hoe-wonderen-mensenmassas-trekken/, [1] http://goedgelovig.wordpress.com/2012/04/13/g500-wil-grote-veranderingen-in-de-kerk/

Erica Duenk

DuenkErica Duenk (1968) woont in Aalten (Gelderland) en is vanaf het begin betrokken geweest bij de stichting Vrij Zijn van Wilkin van de Kamp, waar ze staflid was. Na zich jarenlang te hebben ingezet voor Vrij Zijn, geeft ze vanaf september 2015 – samen met haar man – leiding aan de stichting His Healing Voice. Daarnaast maakt Duenk deel uit van het ministryteam van de Euregio Christengemeente (ECG) Aalten-Bocholt (Gelderland) en is gastdocente bij de bijbelschool Foundation 4 Life (Ermelo). Duenk spreekt op conferenties, leidt gebedsconcerten en ‘heeft ruime ervaring in bevrijdingspastoraat en in de dienst van genezing en profetie’. [1]

Bronnen: http://www.ecgonline.net/index.php/euregio-christengemeente-aalten-bocholt, http://www.hishealingvoice.nl/, http://www.foundation4life.nl/groep/gastdocenten, [1] http://www.hishealingvoice.nl/visie-en-missie/over-erica/

Gerard de Groot

gerard_de_grootGerard de Groot is voorganger van de Levend Woord Gemeente in Rotterdam. Zijn grote passie is mensen te leren leven uit geloof in Gods Woord, om vandaar uit stappen te zetten in genezing en bevrijding. De Groot heeft meegeholpen aan de samenstelling van het lesprogramma van trainingsschool Foundation 4 Life (gestart september 2009), is hier docent en maakt tevens deel uit van de raad van advies. De eenjarige interne bijbelschool voor jongeren van zestien tot en met 22 jaar, is sinds 2014 gevestigd in Ermelo. Pieter en Kyra Zwart zijn de oprichters. In 2000 kregen zij ‘…van God de droom en passie om een trainings- c.q. bijbelschool te starten’ [1]. Pieter Zwart heeft gewerkt bij Derek Prince Ministries.
De Groot is bestuurslid bij het Revival Alliance Network (RAN) en ondersteunt TRIN (nu GMF).

Bronnen: http://www.godtube.com/watch/?v=Z7WGWNNX, Goedgelovig.nl ‘Hoe meer kritiek, hoe meer zalving!’ http://archive.is/hnmX#selection-921.0-921.35, [1] http://www.foundation4life.nl, http://www.derekprince.nl, http://lwg.nl/, http://globalmissionschooleurope.org, http://revivalalliance.nl/wie-zijn-wij/

David Sörensen

david-renate-sorensen-soundofheavenDavid Sörensen (1972) is geboren in Diksmuide (Vlaanderen, België) en onderhoudt de websites ‘Ontdek God’, ‘Sound of Heaven’, ‘1Stap’ en ‘God is real’. Onder de naam ‘Sound of Heaven’ organiseert hij bijeenkomsten.
In 2000 ging Sörensen voor vijf maanden naar een School van Bediening in Engeland. De laatste maand verbleef hij met een team in Mozambique (Afrika), waar hij diende in de weeshuizen en de bijbelschool van de Amerikaanse Heidi en Rolland Baker, welke sterke banden hebben met Catch The Fire Toronto en lid zijn van de profetische beweging. Sörensen verdedigt Word of Faith evangelist en gebedsgenezer Benny Hinn. [1] [2] Eind november 2015 maakte Sörensen bekend dat hij met zijn gezin naar Colorado (VS) zal verhuizen. [3]

Sörensen onderwijst de Toronto Blessing en aspecten van de Word of Faith. Hij verstuurt ‘Lifeletters’ naar mensen die zich hier voor opgeven. Hierin staat een kort stukje onderwijs, maar worden ook ‘profetische’ boodschappen en dromen van Sörensen besproken en door hem uitgelegd. Sörensen schrijft veel teksten op zijn sites, maar deze kennen vaak geen gedegen argumentatie en onderbouwing.
Sörensen en zijn vrouw functioneren volgens henzelf samen in een apostolische-profetische bediening. Sörensen schrijft op zijn site: ‘Profeet zijn betekent dat je Gods hart vertolkt naar mensen toe, op alle mogelijke manieren. Een apostel is iemand die doorbraak brengt en nieuwe gebieden inneemt.’ [4] Dit zijn echter niet de definities van een profeet en apostel (zie hoofdstuk 10.1.).
Veel teksten van Sörensen gaan over het geven van gulle giften… aan Sörensen. Goedgelovig.nl beschreef dit gedrag en het onderricht van Sörensen in het algemeen, zeer kritisch. [5] Sörensen ageerde tegen Goedgelovig.nl en noemde dit een ’ haat-site’: ‘De mensen achter Goedgelovig zetten zich al vele jaren met hart en ziel in om vele oprechte dienaars van God in Nederland door het slijk te halen en ze allerlei kwaad in de schoenen te schuiven. Ze beweren dat het humoristisch bedoeld is, als een soort christelijke satire, maar de waarheid is dat christenen alleen maar haatdragender worden na het lezen van de artikels op Goedgelovig. Het is een bron van bitter gif die vele harten vergiftigt…’ [6]
Goedgelovig.nl reageerde hierop met: ‘Als Sörensen meent dat Goedgelovig leugens over hem verkondigt zonder dat we daar bewijs voor hebben, dan dient hij met concrete voorbeelden te komen waaruit dat blijkt. Alles wat Goedgelovig publiceert wordt feitelijk gecheckt en onderbouwd. Het meeste wat we over Sörensen hebben gepubliceerd komt zelfs letterlijk uit zijn eigen nieuwsbrieven. (…) Sörensen liegt dus over Goedgelovig zonder dat hij daar bewijs voor heeft. Dat is laster. Daarom noemen we hem eens zonder satirische kwinkslag wat hij feitelijk is: een lasteraar die anderen ten onrechte beschuldigd van laster.’ [7]

Bronnen: [1] http://www.real-life.nl/benny-hinn/, [2] https://goedgelovig.wordpress.com/2014/01/27/benny-hinn-de-grote-godsman/, [3] https://goedgelovig.wordpress.com/2015/11/25/zeurensen-goes-america/, [4] http://www.soundofheaven.info/david-sorensen/, [5] https://goedgelovig.wordpress.com/category/zeurensen/, [6] http://ontdekgod.nl/david-sorensen/, [7] http://goedgelovig.wordpress.com/2013/05/25/david-sorensen-is-een-lasteraar/ 

Bert de Haan

bert-de-haan‘Pastor’ Bert de Haan is sinds de oprichting in 1980 lid van Nehemia Ministries te Zwijndrecht (Zuid-Holland) waar hij voorheen leiding gaf aan het jeugdwerk en vele jaren als oudste functioneerde. In de zomer van 1996 is hij fulltime voorganger van de gemeente geworden. Nehemia is opgebouwd in een kring- of celstructuur. De eindverantwoording en geestelijke leiding ligt bij de voorganger en oudsten.
De ministry gaat onder andere uit van prediking van het evangelie van Jezus Christus met impact naar de steden, het land en de naties, krachtige beweging van de heilige Geest, wonderen en tekenen, genezing, bevrijding, goddelijke voorzienigheid, en eenheid door netwerking met andere geestelijke leiders.

In 2012 heeft De Haan kritiek te verwerken gekregen een autoritair leidinggevend figuur te zijn binnen Nehemia. Hij hield tijdens een preek de gemeente voor dat hij, op basis van een profetische droom, door God zelf is aangesteld: ‘…als u een probleem heeft met mij, heeft u eigenlijk een probleem met God!’ [1] [2] [3]
Begin februari 2016 is De Haan uit zijn ambt gezet als voorganger van Nehemia Ministries. De gehuwde De Haan bleek gedurende vier jaar een buitenechtelijke relatie te hebben gehad met de vrouw van een van de oudsten (ouderlingen) uit de gemeente. [4] [5] [6]

Bronnen: http://www.nehemia.nl/, [1] http://www.staatgeschreven.nl/2012/07/03/maasbach-praktijken-bij-nehemia-ministries-van-bert-de-haan/, [2] http://goedgelovig.wordpress.com/2012/06/29/haantjesgedrag-in-zwijndrecht/, [3] http://refoweb.nl/dwars/1039/bubbelgeloof-op-de-betteld/, [4] https://staatgeschreven.nl/2016/01/12/voorganger-vreemdgegaan/, [5] http://www.zwijndrecht.net/nieuws/2016-02-06-7392-voorganger-evangelische-gemeente-nehemia-bert-de-haan-uit-functie-gezet.html, [6] persbericht Nehemia

Jan Zijlstra

zijlstra

In 1956 kwam Jan Zijlstra (1938) tot geloof, waarna hij in 1957 het evangelie begon te prediken. Hij sloot zich aan bij de pinkstergemeente (Volle Evangelie gemeente) van de Nederlandse evangelist en gebedsgenezer Johan Maasbach (1918-1997). In 1992 kwam het na ruim dertig jaar tot een breuk tussen hen beiden (link video you tube).
In 1991 ging Zijlstra naar een bijeenkomst van Word of Faith gebedsgenezer Benny Hinn. Op het podium viel hij ‘in de geest’ en ontving hij een ’drievoudige zalving’ van Hinn.
In 1992 begon het echtpaar Zijlstra met De Levensstroom Gemeente te Leiderdorp (Zuid-Holland). Het werk was in het bijzonder gericht op bevrijdings- en genezingsdiensten, waarbij zowel de oproep tot bekering als lichamelijke genezing veel aandacht kregen. Zijlstra predikt dat er nog steeds wonderen van redding en genezing gebeuren.
In Suriname, de Nederlandse Antillen en Indonesië werden vanaf 1992 tot en met 1997 door Zijlstra reddings- en genezingscampagnes gehouden. Daarna is hij vanaf 1998 hiermee begonnen door heel Nederland en België.
Zijlstra stopte op 28 maart 2010 als voorganger van De Levensstroom en droeg dit ambt over aan Arno van der Knaap. In juli 2011 vertrok Van der Knaap samen met de gehele leiding en een groot deel van de gemeenteleden en startte de GODcentre-gemeente (‘Gods Original Design’) in Leiden. Hierna werden Rolph en Hyona Hendriks door Zijlstra aangesteld als voorgangersechtpaar. Ook na deze bestuurswisseling kwam het tot een verwijdering, waarvan de aanleiding onder andere lag in de penibele financiële situatie van De Levensstroom. Het conflict liep zo hoog op dat Hendriks en twee andere bestuursleden het vertrek van Zijlstra eisten. De rechter stelde op 24 april 2013 Zijlstra in ongelijk en betichtte hem van slecht en wanordelijk bestuurderschap. Hierna hebben vrienden van Zijlstra een nieuwe stichting in het leven geroepen voor zijn genezingsbediening, onder de naam ‘Wings of Healing’ met samenkomsten in Warmond (Zuid-Holland).

Zijlstra kreeg tijdens de campagnes die hij de afgelopen jaren hield regelmatig kritiek, onder meer op de manier waarop hij de diensten invult en om zijn bijbeluitleg. ‘De wijze waarop evangelist Jan Zijlstra uit Leiderdorp mensen hoop geeft op genezing is “pastoraal verwerpelijk”. Ook springt Zijlstra onvoorzichtig en onverantwoord met bijbelteksten om. Hij doet geen recht aan de ontstaansgeschiedenis en context van de genezingsverhalen’, aldus de hervormde predikant Aart Veldhuizen uit Veenwouden, die Zijlstra beticht van ‘stuntwerk’. [1]
In de Netwerk-reportage ‘Wonderen in de Alblasserwaard’ (28 juni 2007) werden een aantal van Zijlstra’s geclaimde genezingen gecontroleerd. Het bleek dat sommige personen die op Zijlstra’s website alsmede op een dvd van de Levensstroom, als ‘genezen’ worden betiteld, niet genezen waren (zie ook hoofdstuk 10.1. ‘Genezingen’).

Ook van buiten christelijke hoek is er kritiek op de werkwijze van Zijlstra. Zo worden in het Nederlands Tijdschrift tegen de Kwakzalverij de ervaringen van een teleurgestelde patiënt met multiple sclerose met gebedsgenezer Zijlstra beschreven. [2]
Zijlstra reageerde in januari 2009 (voorzichtig) instemmend op het voorstel van de politieke partij PvdA, om de Inspectie voor de Gezondheidszorg(ICZ) toezicht te laten houden op zogeheten hiv-healings. [3] In juni van dat jaar kwam Zijlstra echter onder vuur te liggen van hetzelfde PvdA-Kamerlid (Khadija Arib); zij wilde de zogeheten kinderhealings van de Levensstroom Gemeente, die zij ‘heel kwalijk’ noemde, ook onder IGZ-toezicht stellen. De IGZ liet in een reactie weten al in 2004 onderzoek naar Zijlstra te hebben gedaan.

Bronnen: http://nl.wikipedia.org/wiki/Jan_Zijlstra, http://www.wingsofhealing.nl/, http://www.nd.nl/artikelen/2013/mei/11/breuk-zijlstra-en-levensstroom-definitief, [1] http://www.frieschdagblad.nl/index.asp?artid=10131, [2] http://www.kwakzalverij.nl/pdf/04-02teleurgesteld.pdf, [3] http://www.nd.nl/artikelen/2009/januari/27/jan-zijlstra-zonodig-ingrijpen-bij-healings, https://staatgeschreven.nl/2013/04/10/jan-zijlstra-en-rolph-hendriks-vandaag-voor-de-rechter-drie-oorzaken-voor-hun-falen/

Marcel Gaasenbeek

gaasenbeek-marcel

Marcel Gaasenbeek (1971) begon in november 1999 met geloofsgenoten in zijn woonplaats Hellevoetsluis op Voorne-Putten (Zuid-Holland) de jeugdkerk Enter the Fish. Gaasenbeek was tevens van 2001 tot 2007 voorzitter van de Stichting Jeugdkerken. In 2007 hief deze stichting zichzelf op, omdat de bloei van dit soort kerken voorbij was.
In 2005 kwam Gaasenbeek in contact met Word of Faith predikant Joseph Prince, de hoofdvoorganger van de New Creation Church uit Singapore. Gaasenbeek bemerkte dat ze op dezelfde lijn zaten qua geloof; de door hem gehanteerde kerkmethode bleek Prince al jarenlang met groot succes in Singapore toe te passen. Gaasenbeek bracht een aantal bezoeken aan de kerk van Prince.
Gaasenbeek is directeur van Europe Discipling, een organisatie die discipelschap onder jonge christenen wil ondersteunen. Vanuit die organisatie was Gaasenbeek organisator van een conferentie in Dalfsen (Overijssel) in april 2005, waar Prince en enkele stafleden van de New Creation Church in Nederland lezingen hielden. Het gebeuren rondom Prince was voor Stichting Opwekking (een stichting binnen de Nederlandse Pinksterbeweging) reden om in 2007 met Gaasenbeek te breken. Vanaf 2002 had Gaasenbeek het jeugdprogramma van de Opwekkingsconferentie geleid.

Gaasenbeek werd in mei 2006 samen met zijn vrouw in Hellevoetsluis ingezegend als voorganger van de gemeente Jong en Vrij, waarvan toen honderdvijftig mensen lid waren. Hij zet zich sinds september 2007 fulltime hiervoor in. Jong en Vrij was de naam van het evangelisatieblad voor jongeren dat in 1973 ontstond. Nico Biljouw startte in 1976 in Rockanje (een dorp naast Hellevoetsluis) een Bijbelschool met de naam Jong en Vrij. Eind jaren zeventig kwam daar de gelijknamige gemeente uit voort. Toen Biljouw in 1993 op 53-jarige leeftijd overleed aan de gevolgen van een hartstilstand, werd besloten met de school te stoppen.
Jong en Vrij breidde zich onder het bestuur van Gaasenbeek uit: Amersfoort (2007), Sliedrecht (2008), Haaglanden en Almelo (2010),  en Groningen en Amsterdam (2013).

Kort samengevat verkondigt Gaasenbeek de boodschap dat het offer van Jezus alles in zich heeft voor een gezond, beschermd en gezegend leven. Hij sympathiseert hiermee met de welvaarts- en voorspoedleer van de Word of Faith, zoals uitgedragen door Prince. Kritiek hierop is onder andere dat ‘succes in evangelische pinksterkerken een teken is van “hier is God aanwezig” of “hier is God aan het werk”. Er is geen verhaal als het gewoon goed mis gaat in je leven. Daarom is Prince gevaarlijk, want hij sluit stilzwijgend degenen uit waar Jezus zich juist om bekommerde. De mensen die lijden. De verstotenen. De blinden bij de poort die bedelen om geld.’ [1]
Gaasenbeek ventileert denkbeelden en interpretaties van Prince in eigen bijbelstudies, die onder meer verschijnen op de website van de gemeente. Prince bracht in mei 2008 een bezoek aan Jong en Vrij. In ons land worden sinds april 2015 iedere werkdag tussen 7.30 en 8.00 uur op RTL 5 de ‘welvaartspreken’ van Prince uitgezonden onder de noemer ‘New Creation Church TV’ (zie uitzending Eén Vandaag, 28 maart 2015). Gaasenbeek reageerde eerder al op kritiek op Prince door te stellen dat het erg jammer was dat Prince afgeschilderd wordt als een man die alleen maar met welvaart bezig is en lijden ontkent. ‘Dat is precies waarom ik niet geïnteresseerd ben in discussies binnen “het christelijke wereldje”’, aldus Gaasenbeek.

Bronnen: http://nl.wikipedia.org/wiki/Marcel_Gaasenbeek, http://www.vergadering.nu/leesmap20070428-josephprince.htm, http://www.cvkoers.nl/home/magazine/themas/11-kerk-a-missie/4622-het-land-van-jong-en-vrij, https://staatgeschreven.nl/2015/01/30/joseph-prince-evangelie-van-geld-en-genade-op-rtl5/, [1] https://staatgeschreven.nl/?s=gaasenbeek

Ronald Plat

bidden-420x238Ronald Plat, accountant en woonachtig in Bennebroek (Noord-Holland), startte in augustus 2011 met ‘De Gloriestoel’. Met zijn groep trekt hij door onder andere win­kel­cen­tra waar pas­san­ten plaats kunnen nemen in een stoel, waar­na er voor hun kwa­len wordt ge­be­den. Voor­al ver­meen­de ver­schil­len in been­leng­te kun­nen ter plek­ke worden ver­hol­pen. Hierdoor en door zijn aanhoudende pogingen om bekende overleden Nederlanders op te wekken, zoals prins Friso en de vermoorde Zeister broertjes Julian en Ruben, verwierf Plat landelijke bekendheid.

De Gloriestoel vroeg in 2013 één miljard subsidie aan bij VWS voor het terugdringen van de nationale ziektekosten. Oprichter Plat lanceerde tevens een plan om christenen hun huizen en geld afhandig te maken. [1]
In het kader van dodenopwekking blijkt dat Plat zich niet veel inleeft in de situatie van de nabestaanden. [2]
In 2013 onthulde Goedgelovig.nl dat de genezingscampagne die De Gloriestoel had ondernomen in het Flevoziekenhuis in Almere op 11 januari, berustte op een totale leugen. Beweerd werd dat er die dag vele wonderen (genezingen) door (via) hen uitgevoerd waren in het hospitaal. Het ziekenhuis ontkende echter in alle toonaarden de glorieuze genezingswonderen die zich binnen haar muren zouden hebben voltrokken. Zelfs met betrekking tot het menu die dag (volgens Plat zalm met gebakken aardappels) bleek Plat het ‘niet bij het rechte eind te hebben’; het was zuurkool en witlof.
Het is niet verwonderlijk dat de Gouden Bikini 2013 (de prijs die Goedgelovig.nl uitreikt aan de persoon, kerk of christelijke organisatie die zich het afgelopen jaar in Nederland op de meest wereldvreemde manier heeft onderscheiden) naar ‘benenverlenger en dodenopwekker’ Ronald Plat en zijn organisatie De Gloriestoel ging. Hij behaalde 65 procent van de stemmen.

Bronnen: http://www.gloriestoel.nl/, [1] http://goedgelovig.wordpress.com/2014/01/01/ronald-plat-gloriestoel-wint-gouden-bikini/, [2] http://www.spitsnieuws.nl/archives/binnenland/2013/05/retour-aarde, http://www.dichtbij.nl/zuid-kennemerland/regio/artikel/3305308/ronald-plat-uit-bennebroek-wint-laatste-gouden-bikini.aspx, https://goedgelovig.wordpress.com/2013/01/21/de-gloriestoel-in-het-flevoziekenhuis/,, http://www.groot-waterland.nl/2014/01/02/gebedsgenezer-ronald-plat-biedt-gelovigen-aan-los-te-komen-van-aardse-schulden/

David Maasbach

MaasbachDavid Maasbach (1959) is pastor van het Capitol Evangelie Centrum in Den Haag, ook wel The Blessing genoemd. Hij is de oudste zoon en opvolger van Johan Maasbach (1918-1997). Maasbachs kerk bezit vestigingen in Nederland, Zwitserland en Brazilië. In Nederland zijn er locaties in Amsterdam, Breda, Den Haag, Dordrecht, Gouda, Utrecht, Vlaardingen en Zwolle.
Maasbach is tevens directeur van de Stichting Johan Maasbach Wereldzending (JMWZ). Deze organiseert bijbelscholen in onder andere Nederland, België, Brazilië, Colombia, Congo, Cuba, India en Zwitserland.
Maasbachs eigen tv-programma werd sinds maart 2008 elke zondagochtend uitgezonden door de commerciële tv-zender SBS 6. Deze is hier begin juni 2017 mee gestopt.

Maasbach liet al in 2003 weten plannen te hebben voor ‘Miracle City’ (Stad van Wonderen). Deze zou moeten bestaan uit een grote congreszaal, studio’s, een megaboekwinkel met christelijke literatuur, en een gebedstoren waar mensen 24 uur per dag terecht kunnen voor bezinning. De plannen zijn nog niet gerealiseerd.

Maasbach wordt vaak verweten meer op geld uit te zijn dan het evangelie te verkondigen. [1] [2] [3] [4] [5]
Ontwikkelingen binnen JMWZ worden door critici vergeleken met die van het beginstadium van een sekte: het absolute religieuze gezag van Maasbach als leider, het excommuniceren van mensen die vragen stellen, en contact met familie verbieden ( lees [7] maar eens ! zie ook [10] ). Ook ‘Miracle City’ wordt in dit kader bezien: een onderkomen voor de sekte, om deze nog verder te isoleren van de buitenwereld, en het gezag van de leider dag en nacht te laten gelden. [6] [8] [9]
Bezorgde ex-leden en ex-volgelingen van de Maasbachsekte hebben de blogpagina ‘Maasklacht’ opgestart met achtergrond- en ervaringsverhalen, en andere media-uitingen met betrekking tot de ‘Blessing Family’ sekte van David Maasbach en sektes in het algemeen, om zo volgelingen en geïnteresseerden te waarschuwen voor en bekend te maken met de praktijken en het ware gezicht van de organisatie. [8] Op de blogsite ‘Maasbachsekte’ worden tevens ontwikkelingen binnen de organisatie op de voet gevolgd. [9]

Bronnen: http://nl.wikipedia.org/wiki/David_Maasbach, http://www.maasbach.nl/, http://www.sbs6.nl/programmas/david-maasbach/, http://www.maasbach.nl/diversen/nieuw-5-dagen-per-week-david-maasbach-op-family-7/, http://goedgelovig.wordpress.com/2012/04/29/david-maasbach-trekt-8-000-kijkers/, [1] https://staatgeschreven.nl/2013/01/10/geldwolfje-maasbach-draait-doorrrrr/, [2] https://staatgeschreven.nl/2013/01/02/david-maasbach-in-zware-geldnood-the-blessing-pact/, [3] http://goedgelovig.wordpress.com/2011/12/14/hoofdbeveiliger-maasbach-doet-boekje-open/#more-28161, [4] http://www.trouw.nl/tr/nl/5009/Archief/archief/article/detail/2611353/1995/04/18/Maasbach-collecteert-met-emmers.dhtml, [5] http://www.trouw.nl/tr/nl/5009/Archief/archief/article/detail/2716165/1995/07/26/Justitieel-onderzoek-tegen-Wereldzending-Johan-Maasbach-na-klachten-ex-leden.dhtml, [6] https://staatgeschreven.nl/2014/08/13/megalomaan-david-maasbach-wil-eigen-stad-bouwen/, [7] http://www.refoweb.nl/vragenrubriek/22265/sekte-van-maasbach/, http://maasbachsekte.wordpress.com/2014/11/07/van-een-gewone-pinkstergemeente-naar-een-sekte-een-analyse/, https://maasbachsekte.wordpress.com/2014/12/02/weer-2-families-verscheurd-door-david-maasbach/, https://staatgeschreven.nl/2014/05/08/shownieuws-wat-er-aan-de-hand-met-regina-maasbach/, https://staatgeschreven.nl/2013/10/31/grote-opruiming-maasbach-gaat-weer-vazal-kerk-uit-gewerkt/, https://staatgeschreven.nl/2011/12/17/affaire-david-maasbach-verrassend-welnee/, https://staatgeschreven.nl/2014/05/20/als-het-zoete-bitter-wordt-de-kwestie-maasbach/, https://staatgeschreven.nl/?s=maasbach,
[8] https://maasklacht.wordpress.com/, [9] https://maasbachsekte.wordpress.com/, [10] https://decorrespondent.nl/4837/Om-bij-de-Happy-Family-van-deze-tv-dominee-te-horen-moesten-leden-met-hun-eigen-familie-breken/273172985085-1a33b7d8http://www.ad.nl/den-haag/de-onverbiddelijke-leer-van-tv-dominee-david-maasbach~a634d31e/https://medium.com/@erikdrenth/david-maasbach-waarom-het-soms-de-taak-van-theologen-is-om-af-te-breken-308a900a3c72#.sjtknlyb5

Edgar Holder

Edgar-HolderEdgar Holder (1951) is een neo-charismatische prediker van Surinaamse afkomst en noemt zich apostel. Op negentienjarige leeftijd kwam hij naar Nederland. Holder is voorganger en oudste geweest bij (Stichting) Johan Maasbach (Wereldzending), maar na een conflict met deze begon hij in 1992 de Stichting Levende Steen Gemeente. Sinds april 2013 bevindt de gemeente (met circa 3300 leden, 2016) zich in ‘de Dome’ in Spijkenisse (Zuid-Holland). Dit kerkgebouw (kosten elf miljoen euro) werd mede gefinancierd met geld van gemeenteleden. Ieder gemeentelid betaalt de ‘tienden’ (een joodse regel onder de Wet van Mozes), een tiende deel van je maandsalaris komt ten goede aan de kerk.
Levende Steen Ministeries (de nieuwe naam vanaf april 2013) ondersteunt zendingsprojecten in onder andere Indonesië, Tanzania, Suriname en Zuid-Afrika. Holder schreef een aantal boeken over opbouw van het christelijk geloof en over gebedsgenezing.

Holder stelt: ‘In Gods Woord staat helder en duidelijk welke beloften God voor ons heeft en tot onze beschikking zijn: redding, voorspoed, gezondheid, blijdschap, vrede, rust, overwinning, etc…’ [1] Elke eerste vrijdag van de maand is er een Supernatural Healing Meeting, een dienst in het kader van wonderen en genezingen: ‘Kom en verwacht een wonder van God!’ ‘We zien in ons midden dat God mensen op wonderbaarlijke wijze geneest.’ [2] Holder meent dat niet alleen ziekten veranderen op krachtige wijze, maar ook emotionele pijnen en omstandigheden – waar eerst geen uitzicht was op verbetering. [2]
Holder heeft een eigen tv-programma op SBS 6, op zaterdagochtend tussen 9.30 en 10.00 uur. Het is een registratie van een wekelijkse ‘Supernatural Power Meeting’ in de Dome. De inhoud bestaat uit ‘krachtige prediking van apostel Holder en praise & worship’. [3] Ook op GOD TV verzorgt Levende Steen Ministeries uitzendingen.

Bronnen: [1] http://www.levendesteenministries.nl/, https://nl.wikipedia.org/wiki/Edgar_Holder, [2] http://www.levendesteenministries.nl/ministry/supernatural-healing-meeting/,  http://www.sbs6.nl/programmas/levende-steen-ministries/, https://nl.wikipedia.org/wiki/Kerkgebouw_De_Levende_Steen, http://www.cip.nl/nieuws/april-2013/34717-Zonder-geven-gaat-alles-kapot, [3] http://www.levendesteenministries.nl/media/uitzending-gemist/, http://www.trouw.nl/tr/nl/5009/Archief/article/detail/3569402/2013/12/30/Levende-Steen-Ministries.dhtmlhttp://www.volkskrant.nl/archief/de-aandeelhouders-van-god~a3425794/

 
 
 
Hoofdstuk 10: Kritiek op de (neo-)charismatische beweging

De Nederlandse theoloog Geert de Rade schreef in een column (april 2015): ‘Wie een half jaartje naar zijn pinksterkerk vergeet te gaan (…) moet maar afwachten welke theologische hype deze maand de oceaan is overgestoken. Theologie is in deze kerken eerder een brevet van onvermogen dan een vereiste om op de preekstoel te mogen staan.’ Legt de theoloog hiermee de vinger op de zere plek?

Grondtekst

Gedeelte van de Septuaginta: de Codex Vaticanus, met 1 Ezra 2: 1-8
Gedeelte van de Septuaginta: de Codex Vaticanus, met 1 Ezra 2: 1-8

In de behandeling van de bijbelteksten gaan we soms in op een Grieks woord. Dit heeft als reden dat de schrijvers van het Nieuwe Testament verwijzen naar de Septuaginta en niet naar de Tenach.
De Tenach of Hebreeuwse bijbel (het Oude Testament) is vrijwel geheel in het Hebreeuws geschreven. Slechts enkele gedeelten zijn in het Aramees. Toen het Grieks in het Oost-Romeinse Rijk de voertaal werd, maakten de joden tussen circa 250 en 50 v.Chr. de Septuaginta (of Septuagint, of LXX). Dit is de oudste Griekse vertaling van de Tenach. De Septuaginta wordt door de schrijvers van het Nieuwe Testament vaak geciteerd, omdat zij in het toen alledaags (Koinè) Grieks schreven.
Tussen 390 en 405 werd er door Hiëronymus van Stridon een nieuwe Latijnse vertaling gemaakt die niet de Septuaginta, maar de Tenach als brontekst voor het Oude Testament gebruikte. Deze vertaling kreeg de naam Vulgata (of Vulgaat). De Rooms-Katholieke Kerk stond niet toe dat er nog een andere bijbel werd gebruikt of dat de Vulgata werd vertaald. Hierdoor bleef Gods Woord voor de gewone man, die geen Latijn kende, onbereikbaar.
Het was de Duitse protestantse theoloog en reformator Maarten Luther (1483-1546) die als eerste de bijbel vanuit de oorspronkelijke talen naar het Duits vertaalde. Hij zei over de brontekst van de bijbel: ‘De Hebreeën drinken rechtstreeks uit de bron (de Tenach), de Grieken drinken water uit de stroom die uit die bron komt (de Septuaginta), maar de Latijnstaligen drinken uit de modderpoelen.’ In 1534 voltooide hij zijn werk.
Een andere bekende vertaler was de Engelse theoloog William Tyndale (1494-1536) die aan het begin van de zestiende eeuw de bijbel vanuit de oorspronkelijke talen naar het Engels vertaalde. De officiële Engelse King James Bible (1611) is gebaseerd op zijn werk.
De Statenvertaling (SV, 1637) is de eerste officiële Nederlandstalige bijbel die rechtstreeks uit het oorspronkelijke Grieks en Hebreeuws is vertaald. Men gebruikte voor de vertaling van het Nieuwe Testament de Textus Receptus, een niet-optimale variant van de Byzantijnse tekst. Het was echter de beste tekst die de Statenvertalers toen ter beschikking hadden. De Herziene Statenvertaling (HSV, 2010) is wat het Nieuwe Testament betreft een rechtstreekse vertaling van de Statenvertaling in hedendaags Nederlands. Er werd geen gebruik gemaakt van na 1637 ontdekte oudere manuscripten. De HSV is dan ook onderhevig aan kritiek.

Tussen de Nederlandse vertalingen bestaan verschillen. Dit heeft onder andere als reden dat de vertalers een keuze moesten maken bij het vertalen van een Grieks, Hebreeuws of Aramees woord. De betekenis van het grondtekstwoord is vaak uitgebreider dan we in het Nederlands kunnen weergeven. Hierdoor kan een deel van de betekenis gemist worden of zelfs aanleiding geven voor een verkeerde uitleg. Om goed te begrijpen wat er door de originele schrijver is bedoeld, zullen we meer dan een vertaling moeten gebruiken en is het van belang om de bijbelteksten te bestuderen in de grondtekst . Een hulpmiddel hierbij is de ‘concordantie van Strong’.
James_Strong_theologian_-_Brady-HandyJames Strong (1822-1894) (foto rechts) was een Amerikaanse methodistische theoloog die een concordantie (naslagwerk) samenstelde, waarmee je met behulp van de ‘Strongnummers’ de betekenis van een grondtekstwoord kunnen opzoeken. Op bepaalde vertalingen door Strong bestaat echter kritiek. Vergelijking met andere concordanties en woordstudies kan echter verhelderend werken (zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/Bijbelvertaling, http://nl.wikipedia.org/wiki/Schriftkritiekhttp://nl.wikipedia.org/wiki/Tekstkritiek_van_de_Bijbel en http://nl.wikipedia.org/wiki/NBG_1951#Kritiek_en_acceptatie).

Naar mijn (R.K.) mening is de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV, 2004) tot nu toe de meest betrouwbare Nederlandse vertaling, hoewel (ook) hier kritiek op bestaat. De NBV is de opvolger van de NBG 1951. Naast de NBV maak ik soms ter verduidelijking gebruik van de Bijbel in Gewone Taal (BiGT, 2014). Deze is, evenals de NBV, uitgegeven door het Nederlands Bijbelgenootschap. 

Binnen de moderne charismatische beweging in Nederland wordt soms de NBG 1951 gebruikt, maar ook ver- of hertalingen die zich bedienen van meer hedendaags Nederlands, zoals Het Boek (HTB, 1987, gereviseerd 2008, een hertaling) en de Groot Nieuws Bijbel (GNB, 1983, herziening 1996, een vertaling). In sommige kringen wordt de rooms-katholieke Willibrordvertaling (1978, herziening 1995) gebruikt. Uit mijn bevindingen is gebleken dat ook het gebruik van de Herziene Statenvertaling (HSV, 2010) niet wordt geschuwd.
 

Dwaalleer

Soms worden evangelisten en bijbelleraren binnen de (neo-)charismatische beweging verweten een dwaalleraar te zijn. Een dwaalleer wordt ook wel aangeduid als een ketterij, heresie of heterodoxie. De term komt voornamelijk voor in christelijke kerken, het katholicisme, de orthodoxe kerk, het protestantisme en het jodendom, maar bestaat ook in de islam en in enkele andere religies.

Psalm 119:67 laat zien dat het dwalen in tegenstelling staat tot het onderhouden van het Woord. Dit onderhouden is de vertaling van het Hebreeuwse ‘shamar’, met als hoofdbetekenis ‘bewaren’.
‘Dwalen’ wordt onder andere vertaald als ‘vergissen’, ‘dolen’ en ‘verkeerd gaan’. Iemand die een dwaalleer predikt wordt een dwaalleraar genoemd. Het hoeft niet zo te zijn dat deze bewust een onjuiste leer verkondigt (hoewel zulke personen wel bestaan). Vaak is men overtuigd van datgene wat men verkondigt.
Er zijn genoeg bijbelteksten die ons vertellen dat we te maken zullen krijgen met valse profeten, spirituele dwaling en afval van het geloof (Matt. 24:11, 24; 1 Tim. 4:1; 2 Tim. 4:3-4; 1 Joh. 4:1). We zullen dus op moeten letten waarmee we onszelf inlaten en steeds de dingen die op ons af komen moeten toetsen. ‘Onderzoek alles, behoud het goede’ (1 Tess. 5:21).

De apostel Paulus schrijft over schijnapostelen aan de christelijke Griekse gemeente te Korinte in 2 Kor. 11:3-4:
‘Alleen vrees ik dat, zoals Eva door de slang op sluwe wijze bedrogen werd, uw gedachten worden weggelokt van de oprechte en zuivere toewijding aan Christus. U hebt er immers geen enkel bezwaar tegen dat iemand u een andere [allon*] Jezus verkondigt dan wij hebben gedaan, of dat u een andere [heteron**] Geest of een ander [heteron**] evangelie ontvangt dan u ontvangen hebt***.’

* Het Griekse ‘allon’  heeft in dit vers te maken met kwaliteit. Het duidt op ‘niet van dezelfde aard’; iets met een andere herkomst of karakter. 
** Het Griekse ‘heteron’ heeft in dit vers ook te maken met kwaliteit. Het duidt eveneens op ‘niet van dezelfde aard’. 
*** In vers 4 doelt Paulus op beïnvloeding door dwaalleren. Er is echter maar één Jezus, één (heilige) Geest en één evangelie, als gepredikt door Paulus aan deze christenen ‘uit de heidenen’ (de niet-Joden). (‘Een andere Geest ontvangen’ doelt ook op deze beïnvloeding; het betekent niet ‘gebonden of bezeten worden door een demon’, wat soms wordt beweerd).

De BiGT (Bijbel in Gewone Taal) vertaalt bovenstaande verzen als volgt:
‘Maar ik ben bang dat jullie je trouw aan Christus en je zuivere geloof verliezen. Eva werd ooit verleid door de slimme leugens van de slang. En ik ben bang dat ook jullie je laten verleiden door verkeerde ideeën. Want jullie ontvangen iedereen met open armen. Ook mensen die iets heel anders over Christus vertellen dan ik jullie verteld heb. Ook als ze heel andere dingen beweren over de heilige Geest en over het goede nieuws. Jullie vinden dat geen enkel probleem.’

‘Zuiver’ betekent hier ‘niet vermengd’ of ‘zonder toevoegingen’. Naar aanleiding van 2 Kor. 11:4 wordt door critici gesteld dat de Word of Faith leer overduidelijk een ‘ander evangelie’ is en een ketterij betreft (zie 7.3. en 10.7.). Beoordeelt u zelf of de (neo-)charismatische leer de toets der kritiek kan doorstaan…
 

Uitgangspunten (neo-)charismatische beweging

We moeten duidelijk onderscheiden dat de vroege Pinkstergemeente (zie hoofdstuk 2.1.) en de charismatische beweging binnen de kerken (zie hoofdstuk 4) niet uitgaan van de Latter Rain theologie, hoewel de Latter Rain beweging van na de Tweede Wereldoorlog ook gelooft in de ‘doop met de heilige Geest’ en huidige bovennatuurlijke Geestesgaven. De pinksterchristenen en gelovigen binnen de charismatische beweging in de kerken, verkondigden echter verder in hun leer in alle opzichten het bijbelse evangelie, zoals gepredikt in hun eigen kerken.
Na de ‘derde golf’ (zie hoofdstuk 5) zijn echter verschillende evangelische gemeenten beïnvloed door de neo-charismatische leer en zijn deze theologie of aspecten daarvan gaan aanhangen. Gemeenten die zijn ontstaan tijdens de derde golf noemen zich vaak ‘christengemeente’. 

De charismatische beweging (de ‘tweede golf’, zie hoofdstuk 4) is een stroming binnen de christelijke kerken die de heilige Geest meer op de voorgrond stelt (1). De beweging wordt gekenmerkt door het geloof in de ‘doop met de heilige Geest’ (2) en in de gaven van de heilige Geest (de Geestes- of charismatische gaven) in navolging van de pinksterleer. Men leert dat de ‘doop met de heilige Geest’ een ‘tweede werk van genade’ is (na bekering/wedergeboorte) en kunt verkrijgen door handoplegging (3) na gebed. Na de ‘doop’ zou men kunnen beschikken over de Geestesgaven. Bij deze charismatische gaven is men vooral gericht op de wonderlijke gaven: het spreken in tongen (4), genezing door handoplegging (5), profeteren (6) en het ontvangen van bijzondere openbaringen (onder andere visioenen en dromen) van God (7).
De punten 6 en 7 worden binnen de neo-charismatische stroming (de ‘derde en vierde golf’, zie hoofdstuk 5, 6 en 7) tevens geleerd naar aanleiding van de Latter Rain uitleg van Joël 2:23b en 28-29 (8). Daarnaast geloven de neo-charismaten in het herstel van de bedieningen (ambten) van apostel en profeet (herstel vijfvoudige bediening) (9). Men brengt de leer van hedendaagse krachtevangelisatie naar aanleiding van Marcus 16:17-18 (10). Daarnaast gaat men uit van een ‘hersteltheologie’ in navolging  van de Kingdom Now leer (11) en meent dat een gelovige de strijd moet aanbinden met ‘territorale demonen’; men noemt dit ‘geestelijke oorlogsvoering’ (12). Op het persoonlijk vlak is deze ‘geestelijke strijd’ zichtbaar in het bevrijdingspastoraat (13). Tijdens de diensten kent lofprijs en aanbidding (de ‘Sacrifice of Praise’) (14) een hoge prioriteit.

De cessationistische visie

Bovenstaande staat in schril contrast met de cessationistische visie. Het Engelse ‘cessation’ betekent (het proces van) beëindiging en is afkomstig van het Latijnse woord ‘cessare’ wat stoppen of vertragen betekent. Met cessationisme bedoelen we de opvatting dat de heilige Geest nadat Paulus in Rome aankwam, niet meer openlijk zichtbaar is met wonderen en tekenen zoals in de vroeg-christelijke gemeente, totdat Jezus terugkomt. Wij beschikken nu over het afgeronde Nieuwe Testament als definitieve grondslag van de verkondiging, en het christelijk geloof hoeft nu niet meer via uiterlijke tekenen te worden bevestigd. De cessationistische visie is uitgangspunt binnen ondermeer de gereformeerd protestantse theologie.
Dat de heilige Geest ook vandaag werkzaam in de kerk aanwezig is, wordt niet betwijfeld. Maar er wordt daarbij nadrukkelijk onderscheid gemaakt tussen de bovennatuurlijke en voorbij geachte ‘bijzondere’ Geestesgaven, en de ‘gewone’ Geestesgaven. Deze laatste gaven zijn schijnbaar gewone talenten van mensen binnen de gemeente, die door Paulus niettemin tot de Geestesgaven worden gerekend. Aan iets bovennatuurlijks hoef je hierbij echter niet te denken. 

N.B. Naar aanleiding dat de bijzondere gaven van de Geest destijds nodig waren omdat de kerk in die dagen de schriften van het Nieuwe Testament nog niet had, spreekt men soms ook wel over de ‘streeptheologie’. Op deze wijze wordt een denkbeeldige streep getrokken tussen de eerste periode van de kerk zonder de canon van het Nieuwe Tes­tament en de latere periode waarin het Nieuwe Testament als canon (verzameling kerkelijk erkende bijbelboeken) erkend is. Over wanneer precies dan die ‘streep’ getrokken moet worden verschillen de meningen. De opvattingen variëren van de tijd van de pastorale brieven van Paulus in de eerste eeuw tot het Concilie van Constantinopel in 381. 
 

10.1. Kritiek op de (neo-)charismatische leer 

In dit gedeelte behandelen we in onderstaande volgorde de volgende punten van kritiek op de (neo-)charismatische beweging:

– De heilige Geest op de voorgrond (1)
– De ‘doop met de heilige Geest’ (2)
– Tongentaal (4)
– Handoplegging (3)
– Genezingen (5)
– Nieuwe apostelen en profeten (9), profetieën (6) en bijzondere openbaringen (7)?
– Hedendaagse krachtevangelisatie naar aanleiding van Marcus 16:17-18 (10)
– De uitleg van Joël 2:23b en 28-29 (8)
– Kingdom Now (11)
– Geestelijke oorlogsvoering (12)
– Bevrijdingspastoraat (13)
– Aanbidding en lofprijzing: de ‘Sacrifice of Praise’ (14)
– Vasten en bidden
 
 

De heilige Geest op de voorgrond (1)

Binnen de charismatische beweging lijkt de heilige Geest tot de hoofdpersoon van het evangelie te worden gemaakt. Dit terwijl Jezus zelf zegt dat hij de enige weg tot God is. De heilige Geest is degene die ons op deze weg leidt en ons bijstaat in moeilijke situaties die we tegenkomen in ons dagelijks leven.
Soms wordt binnen de moderne beweging de heilige Geest zelfs aangeroepen (powergebed): ‘Kom heilige Geest. Kom in ons midden en toon ons uw kracht, laat uw vuur vallen, kom met de zalving!’  Er staat echter nergens in de bijbel dat we moeten bidden tot de heilige Geest; je bidt tot God de Vader in de naam van Jezus*.

* In het jodendom staat iemands naam voor hoe een persoon bij de mensen bekend staat. Het gaat er dus om te vragen hoe je Jezus kunt navolgen, want zo kun je zelf iets van God zichtbaar maken in de wereld, zoals Jezus dat deed. ‘In de naam van Jezus’ betekent dus ‘in navolging van Jezus om het goede te doen’.

Uit: ‘Genoeg! Of is er ‘meer’?’ (2012), een theologische overdenking door Els Nannen (oud-docente psychologie aan de Evangelische Hogeschool):
Duif‘…Overigens doet de naam ‘Pinkster’-beweging al vermoeden dat de Heilige Geest en ‘Geestesdoop’, al of niet gepaard met tongentaal,  in het centrum staan. Zo ook de naam ‘charismatische’ beweging, waarin de Heilige Geest en een selectie van de-boodschap-van-het-kruisbijzondere gaven centraal staan, waarvan dan ‘vernieuwing’ verwacht wordt. Wordt die alarmerende verschuiving niet ook duidelijk aan het pinkster-charismatische herkenningsteken: een duif (de Geest)? Komt de duif daarmee feitelijk niet in de plaats van het lege kruis als hét kenmerk van de voor onze zonden gekruisigde en voor onze rechtvaardiging opgestane Christus? In Bijbels christendom is en blijft echter Jezus Christus, de Here: begin, middelpunt en doel tot Gods eer!’
‘De Geest spreekt immers “niet uit Zichzelf”, maar neemt uit Jezus Christus wat Hij van Hem gehoord heeft (Joh. 16:13-15). Hij helpt ons de Schrift verstaan en toe te passen.’ Johannes 16:13-15: ‘De Geest van de waarheid zal jullie, wanneer hij komt, de weg wijzen naar de volle waarheid. Hij zal niet namens zichzelf spreken, maar hij zal zeggen wat hij hoort en jullie bekendmaken wat komen gaat. Door jullie bekend te maken wat hij van mij heeft, zal hij mij eren. Alles wat van de Vader is, is van mij – daarom heb ik gezegd dat hij alles wat hij jullie bekend zal maken, van mij heeft.’

Manifestatie van de heilige Geest
(Ingekort artikel ‘Manifestatie van de heilige Geest’. Bron: http://www.eo.nl/magazines/visie/artikel-detail/manifestatie-van-de-heilige-geest/ )

De laatste jaren is er zoveel aandacht voor verschijnselen die toegeschreven worden aan de kracht van de heilige Geest, dat de genade in pinkster- en charismatische kringen ondergesneeuwd dreigt te raken. Tot die conclusie komt de Koreaan dr. S.Y. Lee. Hij promoveerde (…) aan de Christelijke Gereformeerde Universiteit van Apeldoorn op het thema: ‘Genade en kracht in de pinkster- en charismatische theologie’. Lee heeft tijdens zijn zesjarig verblijf in Nederland geen pinkster- of charismatische diensten bijgewoond. Lee: ‘Mijn proefschrift is geen ervaring uit de eerste hand. Het was een dogmatische studie van de pinkstertheologie over het aspect ‘Kracht van de heilige Geest’. ’

Lee merkt op dat de genade in de pinkster- en charismatische theologie meer en meer op de achtergrond komt. Wel is er voortdurende nadruk op het thema ‘kracht’. Het is Lee in zijn onderzoek opgevallen dat de Pinksterbeweging van na 1960 het belang van de genade uit het oog verloor ten gevolge van een opsplitsing van de Christus van de genade en van de Geest van de kracht. Een ingewikkeld verhaal.
Een dieptepunt ervaart Lee in de Torontozegen: ‘De fascinatie met kracht marginaliseerde de genade geheel en al.’ Lee’s conclusie is staalhard: ‘De pinkster- en charismatische theologie heeft in het algemeen verzuimd om de eerste plaats van de goddelijke genade boven geestelijke kracht naar waarde te schatten.’

Verschuiving

Wie een willekeurig nummer van een Nederlands charismatisch tijdschrift doorbladert, komt veel advertenties tegen van gemeenten die hun diensten aanprijzen met als belangrijkste trekker de voelbare aanwezigheid van de Geest. ‘Zelfs doden staan op.’ Daaruit zou je kunnen concluderen dat de praktijk aansluit bij de theorie van Lee’s proefschrift. En ook Hans Frinsel, die regelmatig in evangelische- en pinkstergemeenten voorgaat, signaleert eenzelfde ‘verschuiving’ als hij de charismatische beweging over de volle breedte bekijkt. ‘Gelukkig doen niet alle pinkstergemeenten er aan mee, maar sommige gemeenten zijn helemaal gericht op wat van de heilige Geest ervaren wordt. Dat men nagaat hoe de gaven functioneren, vind ik op zich positief. Wat men manifestaties noemt, zoals vallen en lachen, heeft op zich niet met de gaven te maken. Dat kan ik bijbels niet duiden. Er vindt een verschuiving plaats van Christus in het middelpunt naar een eenzijdige focus op de kracht van de heilige Geest. Dit terwijl de heilige Geest de geest van Christus is.’
Frinsel is bang dat die nadruk op de ‘manifestatie’ van de heilige Geest ertoe leidt dat de bijbehorende verschijnselen als het vallen in de geest afgedwongen worden. ‘Soms staan er al mensen klaar om degene die valt op te vangen. Die emoties worden dan dus gewoon georganiseerd en gebruikt als handelsmerk. Dat is echt verkeerd en je geestelijk leven schiet er niets mee op.’

Volgens dr. Samuel Lee is de plaats van het aspect ‘kracht’ wat onduidelijk in de traditionele kerken. ‘De Pinksterbeweging heeft daar gebruik van gemaakt door zich sterk te richten op een terrein dat door de kerken onderbelicht werd. Veel christenen houden er geen rekening mee dat hun geloof de kracht van de Geest steeds weer nodig heeft. Voor te veel christenen is de kracht van de Geest helemaal geen realiteit. In pinksterkringen ziet men dat ze de heilige Geest nodig hebben. Vervolgens wordt de Geest soms ‘geclaimd’. Dan vraag ik me af of deze kracht het resultaat is van hun zoeken of gegeven uit Gods hand.’

Frinsel: ‘De pinkstergemeenten uit het begin accepteerden de manifestaties als bijverschijnsel. Het ging om de prediking en om getuigen. Het is niet goed om te gaan streven naar de bijverschijnselen, want dan gaat het al snel niet meer om Christus. Ik zie het dan ook niet als een bewijs dat iemand dicht bij God leeft als hij op de grond valt. Te gemakkelijk wordt zoiets toegeschreven aan het werk van de heilige Geest. Door deze heftige ervaringen komen sommige mensen zelfs in psychische problemen. Het weerwoord is dan dat deze mensen al labiel waren. Het is toch te erg dat je dus als labiel mens niet naar Jezus zou kunnen komen. Als je genade nodig hebt, hoef je niet bang te zijn of je wel sterk genoeg bent.’

Oordelen

Peter Sleebos, voorzitter van de Verenigde Pinkster- en Evangeliegemeenten (VPE), was toch wat ‘verbaasd’ toen hij de oordelen uit Lee’s proefschrift vernam. De conclusie dat in pinksterkringen de nadruk ligt op de kracht van de heilige Geest boven het verlossingswerk van Jezus Christus, is volgens hem niet van toepassing voor de gemeenten die bij de VPE zijn aangesloten. Sleebos is van mening dat pinkstergemeenten oorspronkelijk juist heel sterk gericht zijn op het uitvoeren van de grote opdracht uit Mattheüs 28:18,19, en Handelingen 1:8. Daarin staat het getuigen van het verlossingswerk van Christus centraal, dat is bekrachtigd door de heilige Geest. ‘Het werk van de heilige Geest neemt over de volle breedte een belangrijke plaats in. Maar dan niet vervangend, maar juist ondersteunend.’ Wanneer Sleebos de Pinksterbeweging ‘op zijn breedst’ overziet, constateert hij echter ‘inderdaad een hang naar geestelijke ervaringen, zoals vallen in de geest’. Volgens hem gaat het dan om ‘mensen die het verlossingswerk van de Here Jezus in hun eigen leven kennen, maar bovendien verlangend zijn naar de ervaring van de kracht van de heilige Geest in hun leven. De heilige Geest echter verwijst altijd naar Jezus Christus, die zijn Lichaam, de gemeente, toerust voor haar taak in deze wereld. Gaven van de Geest zijn niet voor onszelf, maar werken door ons heen tot zegen voor anderen. De valkuil is, dat we zó gericht zijn op onze ervaringen dat we het zendingskarakter van het werk van de heilige Geest uit het oog verliezen. Dan zijn we naar binnen gericht in plaats van naar buiten. Als dit zich voordoet, maak ik mij er zorgen over.’
 
 

De ‘doop met de heilige Geest’ (2)

Het zelfstandige naamwoord ‘Geestesdoop’ komt als technische term in het Nieuwe Testament niet voor. De werkelijkheidheid waar het om gaat wordt wel met het werkwoord ‘dopen met de Geest’ omschreven, maar vaak ook in andere bewoordingen. Zo is er sprake van dat de heilige Geest ‘over jullie komt’ (Handelingen 1:8), dat de Geest wordt ‘uitgestort’, ‘neergezonden’ en ‘geschonken’ (2:17, 33, 38). Er is grond voor de stelling dat ‘met de heilige Geest gedoopt worden’ alleen maar een andere formulering is voor ‘de heilige Geest ontvangen’. Elders is er sprake van ‘wedergeboorte’, direct verbonden met de ‘vernieuwende kracht van de heilige Geest’ die God ‘door Jezus Christus onze redder rijkelijk over ons heeft uitgegoten’ (Titus 3:5-6).
Wedergeboorte en ontvangst van de Geest zijn in het Nieuwe Testament kennelijk geen twee verschillende, op elkaar volgende fasen van het heilsproces. Het zijn veleer twee woorden voor een en dezelfde zaak, die zo vanuit verschillende gezichtshoeken wordt belicht. ‘Ontvangst van de Geest’ duidt op de interventie (tussenkomst) van Godswege; ‘wedergeboorte’ benoemt datgene wat, van die interventie, in de mens het resultaat is.
(Bron: De charismatische beweging – Dr. Karel Blei, pagina 40.)

Het heilsfeit Pinksteren in Handelingen 2, betreft de ontvangst van de Geest. In pinkster- en charismatische kringen meent men dat dit heilsfeit zich bij iedere gelovige herhaalt, maar men koppelt dit los van de wedergeboorte.* Het blijkt echter dat ‘ontvangst van de Geest’ en ‘wedergeboorte’ gebruikt in het Nieuwe Testament, twee termen zijn voor een en dezelfde zaak. Het heilsfeit Pinksteren kun je dan ook niet loskoppelen van wedergeboorte. Maar wat is dan de ervaring die men betitelt met de ‘doop met de heilige Geest’?

* Samengevat stelt men dat door de bekering (inclusief wedergeboorte) God aan een mens eerst het gewone geloof geeft dat genoeg is om gered (behouden) te worden (vergeving van je zonden door je geloof in Jezus Christus). Bij de wedergeboorte komt de heilige Geest in ons wonen. Maar dit blijft gevoelsarm en kil als er niet een tweede zegen bij komt: de doop met de heilige Geest. Pas bij deze tweede ervaring word je echt overstelpt door Gods geest. Je ontvangt dan de gaven van de Geest en kracht om te getuigen. Zonder deze ‘doop’ blijft het behelpen.

De ervaring

De Amerikaanse christelijke auteur Miles J. Stanford Miles J. Stanford(1914-1999) (foto links) gaat in zijn boek ‘The Line Drawn’ (1972) in op achtergrond van de ‘doop met de heilige Geest’ in de Pinkstergemeente en charismatische beweging binnen de kerken (pas in de jaren tachtig is er sprake van de ‘derde golf’):
‘De “doop met de heilige Geest” is een lichamelijke ervaring die voortgebracht wordt door een combinatie van super-emotionalisme, hypnotisme en religieuze hysterie; hoofdzakelijk op gang gebracht door de kracht van psychologische suggestie. De ervaring kan intens zijn of minder. In deze “hypnotische crisis” accepteert het subject alles wat gesuggereerd of gecommandeerd wordt. De gelovige gelooft dat hij/zij de “doop met de heilige Geest” ervaart en dat hij/zij de gave van tongentaal heeft. (…) Er worden een aantal middelen gebruikt om deze neurologische situatie te bewerkstelligen, zoals bepaalde muziek, repetitief handgeklap en zingen, sensationele getuigenissen, vermaning en manipulatie.’ (Zie ook 10.6.)
Stanfords uitleg kent grote raakvlakken met waar de Geestesdoop binnen de Heiligingsbeweging naar verwijst, namelijk ‘een persoonlijke mystieke ervaring na de wedergeboorte’ (zie hoofdstuk 2).

Toch bewijs? Twee unieke situaties

Als bewijs dat de ‘doop met de heilige Geest’ als tweede zegen bestaat (en ontvangen kan worden door handoplegging) worden door de voorstanders Handelingen 8:12-17 en 19:1-7 aangehaald: de gewaterdoopte Samaritanen door de diaken Filippus en de leerlingen van Apollos te Efeze. Beide groepen bekeerlingen hadden nog niet de heilige Geest ontvangen. Kun je hierop echter een leer van ‘een tweede werk van genade’ baseren? Want het betreft hier twee unieke (enig in zijn soort) situaties.

De gewaterdoopte Samaritanen door Filippus

De eerste unieke situatie staat vermeld in Handelingen 8:12-17: de gewaterdoopte Samaritanen door de diaken Filippus, een van de zeven ‘diakens’ in Handelingen 6:5. ‘Maar toen Filippus hen door zijn verkondiging van het koninkrijk van God en de naam van Jezus Christus tot geloof had gebracht, lieten ze zich dopen, mannen zowel als vrouwen. 13 Ook Simon aanvaardde het geloof, en na zijn doop bleef hij voortdurend bij Filippus; en hij stond versteld van de tekenen en de machtige wonderen die hij zag gebeuren. Toen de apostelen in Jeruzalem hoorden dat de inwoners van Samaria het woord van God hadden aanvaard, stuurden ze Petrus en Johannes naar hen toe. Nadat ze waren aangekomen, baden ze dat ook de Samaritanen de heilige Geest mochten ontvangen, want deze was nog op niemand van hen neergedaald; ze waren alleen in de naam van de Heer Jezus gedoopt. Na het gebed legden Petrus en Johannes hun de handen op, en zo ontvingen ze de heilige Geest.’

N.B. Het is onduidelijk of de schrijver (Lucas) in de tekst met ‘Samaria’ doelt op de stad Sichem of op de stad Sebaste.

De apostelen Petrus en Johannes gingen op in gebed voor de Samaritaanse gedoopten, zodat zij ook de heilige Geest zouden ontvangen. Het valt op – als we goed lezen – dat deze waterdoop (onderdompeling in of besprenkeling met water) van de Samaritanen zonder het ontvangen van de heilige Geest met eventuele uitingen van bepaalde tekenen en wonderen, iets bijzonders is. Ook voor Lucas (auteur van Handelingen) horen waterdoop (dus bekering) en het ontvangen van de Geest bij elkaar. In vers 16-17 wil hij benadrukken dat de apostelen uit Jeruzalem door de handoplegging de waterdoop onder de Samaritanen bevestigen. Waarom is dit toen echter zo gebeurd? Want er is geen enkele reden om te twijfelen aan de geldigheid van de waterdoop door Filippus, en het is dus helder dat de handoplegging en het vragen om de heilige Geest hier duidelijk onderscheiden zijn van de waterdoop (dus bekering).
SamariaDe baanbrekende opmars van het christendom buiten de grenzen van Judea, mocht niet worden uitgevoerd zonder tussenkomst van de directe bediening van de apostelen. Daarom werd het ontvangen van de Geest, met daarbij eventuele gaven van de Geest, gereserveerd tot de komst van de apostelen Petrus en Johannes uit Jeruzalem. Het was ter teken aan de Joodse christenen dat de Samaritanen, een destijds door de Joden geminacht volk (zie Jezus’ gelijkenis over de barmhartige Samaritaan, Lucas 10:25-37), naast de Joden ook toegelaten waren tot het christendom. Dát was de reden: het was een teken waarover niet gediscusieerd kon worden. Het was dus niet een tweede zegen, maar een uitgestelde eerste.
Er is geen twijfel dat dit vergezeld werd met bepaalde uiterlijke tekenen van een innerlijke geestelijke genade. De apostelen Petrus en Johannes maken duidelijk – door het vooraf opgaan in gebed – dat het geschenk van bepaalde gaven van de Geest niet aan hen was om te geven of te weigeren, maar dat dit een beslissing was van God.
‘Na het gebed legden Petrus en Johannes hun de handen op, en zo ontvingen ze de heilige Geest.’ (Hand. 8:17)
Ongetwijfeld zijn er gevallen van de waterdoop (bijvoorbeeld Hand. 2:41, 16:15 en 16:33) waar niet wordt verwezen naar eventuele bijkomstige tekenen, maar in deze gevallen moet worden bedacht dat degene die (water)doopte een apostel was. Dat hierbij toch tekenen te aanschouwen waren is aannemelijk. (Geraadpleegde bron: http://biblehub.com/commentaries/egt/acts/8.htm, Acts 8:12-17)
Op hun terugreis naar Jeruzalem verkondigden Petrus en Johannes het evangelie in de Samaritaanse dorpen die zij aandeden (vers 25). Door bovenstaande situatie was het hen namelijk duidelijk geworden dat dit volk ook toegelaten was tot het christendom.

De leerlingen van Apollus

EfezeDe tweede unieke situatie betreft de ongeveer twaalf leerlingen van Apollos te Efeze (stad aan de westkust van Klein-Azië, nu Turkije) die in Handelingen 19:1-7 worden genoemd. Ze hadden onderricht gekregen van Apollos (zie Handelingen 18:24-28) en waren door hem ge(water)doopt in de doop van Johannes de Doper. Dat betekende dat ze discipelen van Johannes waren die zijn leer volgden, maar niets van de leer van Jezus en van de heilige Geest wisten. We kunnen ze dan ook (nog) niet als christenen zien. Of zoals de apostel Paulus zegt in vers 4: ‘Johannes doopte de mensen om hen een nieuw leven te laten beginnen en zei tegen hen dat ze moesten geloven in degene die na hem kwam, in Jezus.’
Paulus vraagt in vers 2: ‘Hebben jullie de heilige Geest ontvangen toen jullie het geloof aanvaardden?’ Ze antwoordden: ‘Nee, we hebben zelfs niet gehoord van het bestaan van een heilige Geest.’ Deze leerlingen van Apollos hadden ook nog niet de heilige Geest ontvangen, evenals de Samaritaanse gelovigen van Filippus.
Pas door Paulus leerden ze het christendom kennen en namen toen de beslissing om Jezus (waar Johannes ook over had gesproken) te volgen. Het is daarom dat Paulus hen de handen oplegt, waarna zij de Geest ontvangen, gelijk de Samaritaanse gelovigen. De handoplegging door Paulus (door deze gelovigen gerespecteerd als een apostel van Jezus Christus) was ten teken dat zij daadwerkelijk de heilige Geest, waarvan Paulus sprak maar waarvan zij nog nooit hadden gehoord, ontvingen. De klanktaal (glōssais, vers 6) en het profeteren waren daarvan ter teken. Het betreft hier duidelijk een eerste zegen en geen tweede, want voor deze situatie hadden deze leerlingen nog niet (de leer van) Christus aangenomen in hun leven.

Handoplegging

Uit het gebruik van de handoplegging in bovenstaande situaties mag je niet concluderen dat dit een noodzakelijkheid is om de heilige Geest te ontvangen. Want ten eerste zijn bovenstaande twee situaties uniek en ten tweede maakt Handelingen 10:44-48 dit duidelijk. In deze passage ontvangen de Romein Cornelius en allen in zijn huis die geloofden, de heilige Geest al tijdens de verkondiging door de apostel Petrus. Petrus maakt hier echter geen gebruik van de handoplegging.

Conclusie

Een leer van de ‘doop met de heilige Geest’ als tweede zegen na wedergeboorte is niet juist. De ervaring die men in pinkster- en charismatische kringen betitelt met de ‘doop met de heilige Geest’ is een persoonlijke mystieke ervaring.
 
 

Tongentaal (4)

Het spreken in tongen (tongentaal) zoals dat in de Pinkster- en charismatische beweging veelvuldig gepraktiseerd wordt (glossolalie: ongebruikelijk en onbegrijpelijk spraakgedrag zonder overeenkomst met een bestaande taal), kan vanuit antropologisch (menskunde) gezichtspunt benaderd worden als een extatische (een verlies van controle over zichzelf) toestand, maar kan ook beschouwd worden als een taalkundig spel dat iedereen kan leren. Kort gezegd: glossolalie komt binnen deze beweging(en) voor in extatische situaties, maar is ook zelf aan te leren.

Helps Word-studies zegt over het Griekse woord glóssa (1100): tong, gebruikt met betrekking tot vloeiende spraak; (figuurlijk) spreken, geïnspireerd door God, zoals het bewijs van tongen-spreken geleverd door de Heer in het boek Handelingen om de komst van het nieuwe tijdperk van het verbond (dat wil zeggen: nieuwtestamentische tijden) aan te tonen.
[De normatieve (norm/richtlijn stellende) ervaring van de honderdtwintig gelovigen die ‘vuurtongen’ (Handelingen 2:3) ontvingen en wonderbaarlijk spraken in andere daadwerkelijke talen, dat wil zeggen: die ze niet eerder konden spreken (Handelingen 2:4). Dit teken werd herhaald in Handelingen 10:46 en 19:6, overtuigend bewijs leverend (drie getuigenissen) dat de Heer alle gelovigen had opgenomen in het lichaam van Christus (1 Kor. 12:13).]
(1 Kor. 12:13: ‘Wij zijn allen gedoopt in één Geest en zijn daardoor één lichaam geworden, wij zijn allen van één Geest doordrenkt, of we nu Joden of Grieken [niet-Joden] zijn, of we nu slaven of vrije mensen zijn.’)

In Handelingen zijn drie getuigenissen van tongentaal (de NBV vertaalt het met ‘klanktaal’): in hoofdstuk 2 (Pinksterdag), 10 (Petrus en de Romein Cornelius) en 19 (Paulus en de leerlingen van Apollos te Efeze).

Pinksteren_tongen_van_vuur_2De eerste keer dat er in Handelingen melding wordt gemaakt van tongentaal is in Handelingen 2:4-11. (glōssais, vers 4 en vers 11 – vergelijk hiermee dialektō in vers 6 en vers 8). Iedere toehoorder hoorde tijdens die pinksterdag de discipelen spreken in hun eigen taal: ‘Parten, Meden en Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea en Kappadocië, mensen uit Pontus en Asia, Frygië en Pamfylië, Egypte en de omgeving van Cyrene in Libië, en ook Joden uit Rome die zich hier gevestigd hebben, Joden en proselieten, mensen uit Kreta en Arabië – wij allen horen hen in onze taal [‘glōssais’] spreken…’ (vers 9-11).

Met Pinksteren ontvangen de apostelen en de andere leerlingen van Jezus de heilige Geest. In Handelingen 2:1-4 staat dat de leerlingen een geluid horen dat klinkt alsof er een harde wind waait. Ook is er boven het hoofd van iedere leerling een soort vlam te zien. Als de Joden uit de verschillende landen de leerlingen van Jezus horen praten, zijn ze erg verbaasd. De mensen horen allemaal in hun eigen taal hoe de leerlingen vertellen over de bijzondere dingen die God heeft gedaan. De leerlingen van Jezus die van huis gewend waren om West-Aramees te spreken, blijken ineens alle talen van de wereld te beheersen.
Het verhaal van Pinksteren laat zien dat de verschillende talen in de wereld geen probleem hoeven te zijn om het goede nieuws over Jezus’ dood en opstanding verder te vertellen. De heilige Geest zorgt ervoor dat alle mensen in hun eigen taal kunnen horen welke bijzondere dingen God heeft gedaan.
Het begin Handelingen 2 is een duidelijke verwijzing naar het verhaal over de toren van Babel in het Oude Testament (Genesis 11:1-9). Toen de mensen begonnen met het bouwen van deze toren, spraken alle mensen op aarde dezelfde taal. Maar God verwarde hun taal, zodat de mensen elkaar niet meer konden verstaan. Met Pinksteren wordt deze verwarring opgeheven, zodat mensen uit de hele wereld het goede nieuws kunnen horen in hun eigen taal.
(Bron: https://www.debijbel.nl/kennis-achtergronden/christelijk-geloof/3124)

In Handelingen 2 spreekt de ‘tongenspreker’ in de taal van de toehoorder, hoewel de spreker zelf deze taal niet kent. Het spreken in talen op die pinksterdag in Handelingen 2, was ter teken aan de joden en jodengenoten (heidenen die zich bekeerd hadden tot het joodse geloof; proselieten): in hun eigen taal werden ze uitgenodigd Jezus als messias aan te nemen. We moeten hierbij beseffen dat het kunnen spreken van een bestaande vreemde taal toen in Israël uitsluitend voorkwam bij (door)geleerde personen. De leerlingen van Jezus waren Joden ‘uit het volk’ die deze talen niet kenden. In Handelingen 2 was het dan ook een wonderteken.

De tongentaal zoals verder (twee maal, Hand. 10 en 19) vermeld in het bijbelboek Handelingen (van de apostelen) betreft ook het spreken in een bestaande taal, maar (en) was tevens ter teken aan de Joodse christenen (die West-Aramees spraken) dat ook de heidenen, de niet-Joden, rechtstreeks tot het christendom werden toegelaten, zie bijvoorbeeld Handelingen 10:45-48: ‘De Joodse gelovigen die met Petrus waren meegekomen, zagen vol verbazing dat ook heidenen het geschenk van de heilige Geest ontvingen, want ze hoorden hen in klanktaal [glōssais, vloeiend West-Aramees?] spreken en God prijzen. Toen merkte Petrus op: “Wie kan nu nog weigeren deze mensen met water te dopen, nu ze net als wij de heilige Geest hebben ontvangen?” En hij gaf opdracht hen te dopen in de naam van Jezus Christus.’
Als de (niet-Joodse) bekeerlingen in het huis van de Romein Cornelius te Caesarea God hadden geprezen (profeteren) in hun eigen taal, was dit dan een teken geweest voor Petrus en de Joodse christenen die met Petrus waren meegekomen?

Opvallend is dat in het geval van de Samaritaanse gelovigen onder Filippus (Handelingen 8:4-25) niet gesproken wordt over klanktaal door de Samaritanen (als teken voor Petrus en Johannes; Joodse christenen). We moeten hierbij echter beseffen dat de Samaritanen ook West-Aramees spraken, evenals de Joden. Hiermee wordt bevestigd dat tongentaal een bestaande vreemde (buitenlandse) taal betreft voor de spreker maar verstaan kon worden door de toehoorder, en geen onverstaanbare en onbegrijpelijke brabbeltaal (glossolalie) betreft.
Tongentaal beschreven in Handelingen (drie keer) betreft dus het spreken in een bestaande, maar voor de spreker vreemde taal die door de toehoorder verstaan kon worden, omdat het zijn eigen taal betrof. Kort gezegd: degene die (hier) in tongentaal spreekt, spreekt in de taal van de toehoorder.

Ook de apostel Paulus behandelt in zijn eerste brief aan de Korintiërs tongentaal als zijnde bestaande talen (zie verder ‘Glossolalie – tongentaal – versus 1 Korinthiërs 14’). Hij gaat hier echter in op taal die door de spreker zelf begrepen wordt, maar niet door de toehoorder. De spreker praat dus in zijn eigen taal. Paulus zegt in 1 Korintiërs 14 onder andere over klanktaal:
‘…hoe moet men u begrijpen als u in onverstaanbare klanken (glōssēs) spreekt? Uw woorden verdwijnen in het niets. Er zijn ik weet niet hoeveel talen (phōnōn5456) in de wereld en ze hebben allemaal betekenis. Als ik de taal (phōnēs5456) van iemand die tot mij spreekt niet ken, blijven we vreemdelingen voor elkaar.’ (vers 9b-11)
‘Er staat in de wet: “Ik zal tot dit volk spreken door mensen die vreemde talen [heteroglōssois] spreken, door de mond van vreemdelingen, en zelfs dan zullen ze niet naar mij luisteren – zegt de Heer.” Klanktaal [glōssaisis dus een teken dat niet bestemd is voor gelovigen maar voor ongelovigen,…’ (vers 21-22a)
Paulus’ onderwijs voor vers 21, dwingt hij af door een beroep op de Joodse geschiedenis. Zijn woorden zijn een illustratie uit Jesaja 28:9-12. Deze passage verwijst naar de weigering van Israël om te luisteren naar God. Gods oordeel was dat hij een vreemd buitenlands volk, met een taal die zij niet kenden, zou laten heersen over de Joden (zie ook Mozes’ woorden in Deuteronomium 28:49, zie ook Jeremia 5:15).
Sommigen denken dat de profetie door Jesaja ‘en zelfs dan zullen ze niet naar mij luisteren’ verwijst naar het spreken in vreemde talen door de discipelen tijdens Pinksteren. De bedoeling lijkt echter dit te zijn: hoewel God in de meest eenvoudige manier tot de Joden had gesproken door de profeten en zijn woorden zo vaak had herhaald dat zelfs een kind deze zou kunnen begrijpen, was het door de domheid en hardnekkigheid van het volk dat de Joden deze woorden negeren. Daarom dreigt God het volk met een andere methode om naar hem te luisteren: Hij zal tot het volk spreken door mensen met een andere taal. De methode was dat de Joden wellicht wél zouden luisteren als zij onderdrukt zouden worden door vreemde volken. Zoals door de Chaldeeën (de Babyloniërs), Meden en Perzen – in de zeventig jaar ballingschap – en door de Romeinen. En toch luisterde het (merendeel van het) Joodse volk niet. Men ging door met zaken die God niet goed vond. Vandaar dat de Korintiërs geen reden hadden om in vreemde talen te spreken, omdat deze gebruikt zijn door God als een dreiging en een manier van straf aan een onwillig en ongelovig volk (‘een teken voor ongelovigen’), en niet voor een zegen. (Geraadpleegde bronnen: http://biblehub.com/commentaries/gill/1_corinthians/14.htmhttp://biblehub.com/commentaries/ellicott/1_corinthians/14.htmhttp://biblehub.com/commentaries/barnes/1_corinthians/14.htm)

Tongentaal in het Nieuwe Testament heeft dus in álle gevallen betrekking op een bestaande taal. De brabbeltaal zoals deze gepraktizeerd wordt in charismatische kringen, heeft niets hiermee te maken maar is een uiting van glossolalie.

Tongentaal als bewijs?

Kritiek op Parhams leer (zie hoofdstuk 2.1.) dat tongentaal het bewijs zou zijn van ‘de doop’, is dat in de bijbel niet gesproken wordt over een bewijs van de doop met de heilige Geest. En dus ook niet dat tongentaal een bewijs zou zijn (laat staan hét bewijs). Zo staat nergens in de beschrijving van de pinksterdag in Handelingen 2 (door Parham gebruikt als onderbouwing), dat de gebezigde tongentaal een bewijs was van de doop met de Geest. Er staat enkel dat de aanwezige discipelen de heilige Geest ontvangen en dan in voor hen (bestaande) vreemde talen tegen het volk buiten spreken. Dat is alles.

Hemelse talen?

Het vreemde is dat in de vroege Pinksterbeweging men in eerste instantie dacht dat de gebezigde tongentaal bestaande talen betrof, ergens op de wereld gesproken. Men meende dan ook dat men deze taal verkregen had om zo in deze gebieden te kunnen evangeliseren. Men onderbouwde dit met Handelingen 2 en hieruit is de naam ‘Pinksterbeweging’ ontstaan. Pas toen men realiseerde dat het geen bestaande talen waren maar een brabbeltaal (glossolalie), werd de leer ontwikkeld dat het hemelse talen zou betreffen: een onverstaanbare en niet-bestaande taal, waarin de gelovige op directe wijze met God communiceert. Men paste dus achteraf de theologie aan om het gebruik van glossolalie te legitimeren.
Wat dit zijn van hemelse talen, wordt vaak 1 Korintiërs 13:1 aangehaald: ‘Al sprak ik de talen van alle mensen en die van de engelen (– had ik de liefde niet, ik zou niet meer zijn dan een dreunende gong of een schelle cimbaal.’)
Commentaar over dit vers: Dit wil zeggen, alle talen die worden gesproken op aarde, en met de zeggingskracht en welbespraaktheid van een engel (bron: http://biblehub.com/commentaries/benson/1_corinthians/13.htm). De taal van de engelen lijkt hier gebruikt te worden om de hoogste macht van het gebruik van de taal aan te duiden, of van de meest verheven zeggingskracht en spraak. Het is duidelijk afgeleid van de idee dat (de gaven van) engelen superieur zijn aan de mens, in elk opzicht. Het kan mogelijk een verwijzing zijn naar de idee dat ze een bepaalde manier van communiceren hebben die veel beter is dan die van de mens. (Alle vormen van communicatie door de mens zijn onvolmaakt en niet perfect.) Het is mogelijk dat Paulus hier toespeling maakt op wat hij in 2 Korintiërs 12:4 schrijft: hij werd veertien jaar daarvoor weggevoerd tot in de derde (‘de hoogste’, Bijbel in Gewone Taal) hemel en hoorde daar woorden die niet voor een mens mogelijk waren uit te spreken. Naar deze hogere en zuiverder taal van de hemel zou hij hier kunnen verwijzen. (Bron: http://biblehub.com/commentaries/barnes/1_corinthians/13.htm)
Paulus schrijft dat ook al zou hij alle menselijke talen kunnen spreken met de zeggingskracht en begaafdheid van een engel, maar hij bezat de liefde niet, dan zou dit alles geen nut hebben. Paulus probeert in dit vers duidelijk te maken dat het allerbelangrijkste de liefde (agape) is. Hij stelt echter niet dat hij de gave van hemelse talen (de taal van de engelen) bezit. In 2 Korintiërs 12:4 schrijft hij daarentegen dat deze woorden niet voor een mens mogelijk waren uit te spreken. Conclusie: 1 Korintiërs 13:1 is geen onderbouwing van de stelling dat de glossolalie bedreven in charismatische kringen, hemelse talen betreft.

Glossolalie uitgelegd

(Voor een illustratie van glossolalie in een Amerikaanse pinksterkerk zie dit fragment uit ‘The Story Of God With Morgan Freeman’.)

Andrew Newton (foto rechts), een deskundige op het gebied van hypnose, suggestie en groepsgedrag, schrijft in zijn artikel ‘Hypnosis in Religion’ (http://www.newtonhypnosis.com/hypnosis-in-religion-part-1/):
‘Neurowetenschapper Richard J. Davidson (1951) van the University of Wisconsin en collega’s gebruikten in 2002 fMRI-scans om te kijken naar de hersenen van mediterende boeddhisten van over de gehele wereld. Tijdens meditatie is de hersenactiviteit meer geconcentreerd in gebieden met het vermogen om te concentreren en aandacht te vestigen. Dit baanbrekende onderzoek werd gedupliceerd en daarna bevestigd door Newberg en D’ Aquili in 2003, toen ze op Franciscaanse nonnen gelijke testen uitvoerden.’
NewtonDe wetenschappers ontdekten een ander patroon van hersenenactiviteit in het geval van ‘in tongen spreken’. Newton: ‘Omdat de frontale kwabben worden gebruikt voor zelfcontrole, concludeerden de onderzoekers dat de afname van de activiteit daar, de weg opende voor het verlies van de controle die nodig is voor een dergelijke praatzieke uitbarsting. Het is onmogelijk niet de overeenkomsten te zien tussen dit gedrag en dat veroorzaakt door hypnose, met name die uitgeoefend wordt op het podium waar personen “Marsiaans” (de taal van de planeet Mars) laten praten, één van de oude voorraadjes is van de doorgewinterde showman.’ Newton noemt de gebezigde tongentaal ‘babbelende onzin’ (zie ook 10.6.).

De Amerikaan Hugh Marjoe Ross Gortner (1944, foto links), een ex-charismatische leider en ex-gebedsgenezer in de VS, legt in het boek ‘Knappen’ (1978) uit hoe de ‘doop’ en het spreken in tongen ontstaan. Voor ‘Marjoe’, die het duizenden keren gezien heeft, is het goddelijke moment van religieuze extase niets mystieks. Het is eenvoudig een kwestie van de groepshysterie die je in elke mensenmassa vindt.
Marjoe-Gortner-‘Het is hetzelfde als een popconcert. Je hebt een openingsnummer met een heel sterk begin, dan werk je een heleboel vaste oude dingen af tot je aan het eind bij de tophit komt.’
De tophit is een geestelijke wedergeboorte, produkt van een beproefd religieus recept waaraan de predikant en elke deelnemer een klein maar actief ingrediënt aandragen. Verder is, volgens Marjoe, het enig passende vervolg op het indrukwekkende moment van het gered worden een persoonlijke demonstratie van de kracht van dat pas verworven geloof. Dit zet aan tot het spreken in tongen.
‘Nadat je gered bent, is de volgende stap wat ze noemen “het vervuld worden van de heilige Geest”. Dus kom je terug voor de ervaring met de talen. Sommigen krijgen die dezelfde avond, anderen doen er weken of jaren over. Dan ga je er een avond heen en proberen ze allemaal jou zover te krijgen dat je het krijgt en dan ga je in een behoorlijke trance – niet meteen iets hysterisch, maar het is wel een ongelooflijke ervaring.’
‘De talen is iets dat je leert’, benadrukte hij. ‘Je leert jezelf een soort van ontspanning. De eerste keer doe je misschien gewoon dut-dut-dut-dut en meer komt er niet uit. Dan hoor je anderen en misschien doe je de volgende avond dut-dut-dut-UM-dut-DIET-dut-dut en dat klinkt een beetje beter. Voor je het weet is het duttelumdosadietkondisandut… en daar heb je een hele nieuwe taal.’
Alleen is het, volgens Marjoe, helemaal geen echte taal. Toch toonde Marjoe een enorme eerbied voor de ervaring als uiting van spiritualiteit en broederschap.
‘Het is alleen zo dat ik het analyseer en er heel nuchter naar kijk. Ik zie het niet als iets van God afkomstig en ik zeg niet dat op een gegeven ogenblik de heilige Geest je een tik op je hoofd geeft met een supertoverstaf, waarna je gewoon “de talen induikt”. Glossolalie is een proces dat je opbouwt.’
(Bron: ‘Knappen’ (1978) – dr. Flo Conway en dr. Jim Siegelman, zie ook 10.6.)

Hoewel bij de vroege Pinksterbeweging tongentaal meer beoordeeld werd als een teken van je redding, wordt binnen charismatische kringen de glossolalie meer gezien als een gebedstaal en kenmerk van de ‘volheid van geest’. Binnen de moderne beweging zijn de volgende definities van tongentaal algemeen aanvaard:
1. De gave van het spreken in tongen is een bijzondere bekwaamheid, die God aan sommige gelovigen geeft, om ze in staat te stellen:
(a) met God in een andere taal te spreken die ze nooit geleerd hebben, en
(b) een rechtstreekse boodschap van God te ontvangen en deze aan de gemeente in een door de Geest gegeven uiting door te geven in een taal die ze nooit geleerd hebben.
2. Spreken in tongen betekent spreken in onbegrijpelijke klanken. Het is een uiting van godsdienstige extase.

Met deze definities voldoet men echter niet aan wat de apostel Paulus in 1 Korintiërs 14 stelt over tongentaal, want de taal kan niet verstaan worden en wordt ook niet vertaald en uitgelegd. Daarnaast behandelt Paulus tongentaal als zijnde bestaande talen. Hieronder gaan we in op wat Paulus schrijft.

Glossolalie – tongentaal – versus 1 Korinthiërs 14

(Bronnen: http://www.apologetique.org/nl/artikelen/religie/heterodoxie/neomontanisme/BDG_glossolalie_nl.htm, http://www.apologetique.org/nl/artikelen/religie/heterodoxie/neomontanisme/WV_tongentaal.htm, https://www.debijbel.nl/onderwerpen/s/gemeente/626)

De omvang van de charismatische beweging en de grote kans om blootgesteld te worden aan de charismatische bekeringsijver, maakt de glossolalie tot een belangrijk onderwerp dat iedere christen zou moeten bestuderen.
De eerste charismatische golf, oftewel ‘pinkster-opwekking’ (de Pinksterbeweging) aan het begin van deze eeuw, heeft in de eerste plaats de leer verspreid dat alléén diegenen die de gave van glossolalie hadden ontvangen waren gered. Deze pinksterleer was gebaseerd op een generalisatie van drie gebeurtenissen in het boek Handelingen: het in-vreemde-talen-spreken op wonderbaarlijke wijze ten tijde van Pinksteren, ten tijde van de bekering van de eerste heidenen en ten tijde van de bekering van de discipelen van Johannes de Doper.
Vanaf de zestiger jaren heeft de tweede opwekking, eigenlijk hier pas ‘charismatisch’ genaamd, glossolalie voorgesteld niet als het teken, de bevestiging van de redding, maar als het spirituele kenmerk van de ‘volheid van de geest’, wat de hoogste vorm van christelijke spiritualiteit zou zijn. Deze tweede beweging beriep zich op een interpretatie van het veertiende hoofdstuk van de Eerste brief van Paulus aan de Korinthiërs. Nog andere charismatische golven zijn nadien opgekomen, zonder echter belangrijke veranderingen met betrekking tot glossolalie.

Het charismatische argument gebaseerd op de Eerste brief aan de Korinthiërs

Het is voornamelijk het charismatische argument gebaseerd op de Eerste brief aan de Korinthiërs dat christenen overtuigt en daarom zullen we ons niet verdiepen in andere charismatische argumenten. Dit argument is gebaseerd op de interpretatie van het veertiende hoofdstuk van de Eerste brief aan de Korinthiërs. Korinthe was een Griekse christelijke gemeente gesticht door de apostel Paulus. De kerken van Paulus bestonden uit kleine groepen mensen die in huiskamers bijeenkwamen. In de tijd van het Nieuwe Testament is de huisgemeente het fundament van de christelijke beweging. Christenen kwamen in de eerste eeuw niet bij elkaar in speciale kerkgebouwen. Hun bijeenkomsten waren in huizen van welgestelde gemeenteleden. Deze huizen hadden hooguit plaats voor dertig tot veertig mensen. In steden als Korinthe en Rome waren dan ook zeker meerdere van zulke huisgemeentes te vinden.
 

1 Korintiërs 14: 1-28 (NBV):

(1) ‘Jaag de liefde na en streef naar de gaven van de Geest, vooral naar die van de profetie. (2) Iemand die in klanktaal spreekt, spreekt niet tot mensen maar alleen tot God. Niemand kan hem verstaan, want door toedoen van de Geest spreekt hij onbegrijpelijke taal. (3) Maar iemand die profeteert spreekt tot mensen, en wat hij zegt is opbouwend, troostend en bemoedigend. (4) Iemand die in klanktaal spreekt is daar alleen zelf bij gebaat; iemand die profeteert doet dat ten bate van de gemeente. (5) Ik zou willen dat u allen in klanktaal kon spreken, maar ik wil nog liever dat u profeteert. Iemand die profeteert is nuttiger dan iemand die in klanktaal spreekt, tenzij hij uitlegt wat hij zegt, zodat de gemeente er baat bij heeft.

(6) Broeders en zusters, welk nut zou ik voor u hebben als ik bij u in klanktaal zou spreken zonder u tegelijk iets te openbaren, zonder kennis door te geven of iets te profeteren, of zonder u te onderwijzen? (7) Het is als met een instrument, bijvoorbeeld een fluit of een citer. Als er geen verschil tussen de tonen is, hoe kan men dan horen welke melodie er wordt gespeeld? (8) En als een trompet een onduidelijk signaal geeft, wie maakt zich dan gereed voor de strijd? (9) Voor u geldt hetzelfde: hoe moet men u begrijpen als u in onverstaanbare klanken spreekt? Uw woorden verdwijnen in het niets. (10) Er zijn ik weet niet hoeveel talen in de wereld en ze hebben allemaal betekenis. (11) Als ik de taal van iemand die tot mij spreekt niet ken, blijven we vreemdelingen voor elkaar. (12) Dit geldt ook voor u: als u zo graag geestelijke gaven bezit , moet u ernaar streven uit te blinken in de opbouw van de gemeente.

(13) Daarom moet iemand die in klanktaal spreekt bidden om de gave die te kunnen uitleggen. (14) Wanneer ik namelijk in klanktaal bidt, bid ik weliswaar met mijn geest, maar doe ik niets nuttigs met mijn verstand. (15) Dus wat moet ik doen? Ik moet bidden met mijn geest, maar ook met mijn verstand; ik moet zingen met mijn geest, maar ook met mijn verstand. (16) Als u God alleen maar dankzegt met uw geest, hoe zou dan iemand die net als een buitenstaander uw klanktaal niet verstaat, uw woorden met ‘amen’ kunnen bevestigen? Hij begrijpt niet wat u zegt. (17) Het is natuurlijk goed dat u God dankzegt, maar op die manier is een ander er niet bij gebaat. (18) Ik dank God dat ik meer dan u allen de gave heb in klanktaal te spreken; (19) maar om in de gemeente anderen te onderwijzen, gebruik ik liever een paar begrijpelijke woorden dan ontelbaar veel in klanktaal.

(20)  Broeders en zusters, wees in uw denken niet als kinderen. Wees kinderen in het kwaad, maar wees in uw denken volwassen. (21) Er staat in de wet: ‘Ik zal tot dit volk spreken door mensen die vreemde talen spreken, door de mond van vreemdelingen, en zelfs dan zullen ze niet naar mij luisteren – zegt de Heer.’ (22) Klanktaal is dus een teken dat niet bestemd is voor gelovigen maar voor ongelovigen, en profeteren is niet voor ongelovigen maar voor gelovigen. (23) Wanneer namelijk de hele gemeente samenkomt en iedereen zich in klanktaal uit, zullen ongelovige buitenstaanders die de samenkomst bezoeken dan niet zeggen dat u krankzinnig bent? (24) Maar profeteert iedereen, dan zal een ongelovige buitenstaander door iedereen worden beoordeelt en terechtgewezen. (25) Alles wat hem heimelijk beweegt zal aan het licht komen en dan zal hij zich ter aarde werpen, God aanbidden en belijden: ‘Werkelijk, God is in uw midden.’

(26) Broeders en zusters, wat betekent dit voor uw samenkomsten? Wanneer u samenkomt draagt iedereen wel iets bij: een lied, een onderwijzing, een openbaring, een uiting in klanktaal of de uitleg daarvan. Laat alles tot opbouw van de gemeente zijn. (27) Er mogen twee, hoogstens drie van u in klanktaal spreken, ieder op zijn beurt en bovendien met iemand die uitleg geeft. (28) Is er niemand die dit kan, dan moeten ze zwijgen en alleen voor zichzelf tot God spreken.’
 

Dit zijn de belangrijkste punten in de beargumentering van charismatische kant:
1. Er is sprake in dit hoofdstuk van geestelijke uitingen (1 Kor. 12:30, 14:1) zonder begrip van de uitgesproken woorden (1 Kor. 14:2, 14, 15); glossolalie dus.
2. Deze uitingen stichten degene die het uitoefent (1 Kor. 14:4) en het is aan te bevelen voor alle christenen (1 Kor. 14:5, 18).
De charismatici concluderen op basis van deze twee argumenten dat glossolalie een gave is van de heilige Geest, en het daarom goed en wenselijk is om te bidden om deze gave te ontvangen en glossolalie te beoefenen.

Deze conclusie kan echter niet correct zijn vanwege talrijke redenen van filosofische, bijbelse en psychologische aard. Hieronder staan kort enkele tegenargumenten:

Bijbelse argumenten:
– De bijbel leert om God lief te hebben met alle intellectuele vermogens, wat deel uitmaakt van het grootste gebod (Mat. 22:37). Glossolalie is een praktijk waarbij de rede, het verstand, uitgeschakeld is en is daarom een zonde tegen het grootste gebod.
– De bijbel leert dat de heilige Geest een geest is van wijsheid en verstand (Jes. 11:2). Hij kan daarom geen occult fenomeen, zoals glossolalie, inspireren. Bovendien hebben alle, door God geïnspireerde, bijbelse personen zich uitgedrukt in begrijpelijke taal, gebruik makend van analogieën (vergelijkingen, gelijkenissen).
– De bijbel verbiedt de glossolalie en zijn interpretatie (Deut. 18:10-11). Jezus zelf heeft de betekenisloze gebeden van de heidenen veroordeeld (Mat. 6:7-13).
– De bijbel leert dat, hoewel bepaalde activiteiten als gebed en bijbelstudie goed zijn voor persoonlijke opbouw en welzijn, integendeel de gaven van de heilige Geest goed zijn voor de opbouw en het welzijn van anderen (1 Kor. 12:7; 1 Kor. 14:12, 26; Ef. 4:11-12; 1 Petr. 4:10; overeenkomstig met de leden van een lichaam in 1 Kor. 12). Het praktiseren van glossolalie door de charismatici is vooral bedoeld voor de persoonlijke opbouw van degene die het beoefent en niet voor anderen. Het kan daarom geen gave zijn van de heilige Geest.

Filosofische (gedachten over de belangrijke dingen van het leven) argumenten:
– Logica en verstaanbaarheid zijn noodzakelijke grondslagen om de waarheid van het christendom aan te tonen. Als het christendom praktijken zou leren zoals glossolalie, dan zou het deze grondslagen verwerpen en dat zou een fatale tegenstrijdigheid zijn.
– Het goede en de zin van de taal, van de mondelinge uitdrukkingsvaardigheid, bestaat in het doorgeven van ideeën en betekenis. Zowel degene die in glossolalie spreekt als degenen die het horen, begrijpen niet wat er geuit wordt. Glossolalie is daarom zinloos.
– Zowel de filosofie als de bijbel (Ps. 147:5, Jes. 41:28, Rom. 11:33) leren dat God oneindig rationeel (verstandelijk, beredenerend, weldoordacht) is en dat zijn wil in overeenstemming is met zijn onveranderlijk karakter (zie ook Num. 23:19; Mal. 3:6; Jak. 1:17). God wil daarom dat mensen rationeel zijn en de glossolalie niet uitoefenen (zie ook Spr. 10:13).

Psychologisch (betrekking tot de menselijke geest en gevoelsleven) argument:
Universitaire studies met betrekking tot glossolalie hebben laten zien dat het hierbij niet gaat over een taal, maar over een psychologisch en sociolinguïstisch (verband tussen taal en een sociale groep) fenomeen.

Waarom is het argument zèlf niet correct?

We hebben enkele tegenargumenten gegeven die de onjuistheid van de conclusie van het charismatische argument voor de glossolalie aantonen. Het charismatische argument moet daarom onjuist zijn. Fouten in het charismatische argument:

1. Het woord ‘glossa’ slaat niet op glossolalie, maar op menselijke talen.
‘Glossa’ (glwssa), het gebruikte Griekse woord in dit hoofdstuk van de Brief aan de Korinthiërs om de spreken-in-talen-kwestie aan te duiden, verwijst óf naar het fysieke spraakorgaan (in onze mond) óf naar talen die toegankelijk zijn voor het menselijk begrip, zoals vreemde talen, maar nooit naar occulte fenomenen, zoals glossolalie. Het fenomeen van de glossolalie was goed bekend en werd vaak uitgeoefend in de hellenistische wereld. Het woord ‘mantia’ (manteia) werd door de Grieken het meest gebruikt.
‘Glossa’, het woord dat Paulus gebruikt in dit hoofdstuk, werd nooit gebruikt om te verwijzen naar glossolalie. Waarom zou Paulus zich zo weinig helder uitgedrukt hebben door het woord ‘glossa’ te gebruiken, terwijl hij beschikte over meerdere Griekse woorden met de juiste bedoeling? De charismatici kunnen antwoorden dat Paulus het woord ‘glossa’ heeft gebruikt om onderscheid te maken tussen de door God geïnspireerde glossolalie en de glossolalie die geïnspireerd werd door de in de andere religies vereerde demonen. Dit charismatische antwoord is desalniettemin niet aanvaardbaar, want Paulus heeft niet geaarzeld om het woord ‘prophitis’ (profhthV, dat ons het woord ‘profeet’ gegeven heeft) te gebruiken om te verwijzen naar diegenen die de Bijbelse openbaring doorgeven, terwijl ‘prophitis’ (ook) verwees naar de mediums van de heidense religies en in het bijzonder naar diegenen die glossolalie bedreven om orakels (raadselachtig antwoord) te uiten.

2. Deze talen konden geleerd worden door onderwijs.
Paulus betitelde diegenen die deze talen niet begrepen als ‘idiotis’ (1 Kor. 14:16, 23, 24). ‘Idiotis’ (idiwthV, dat het woord ‘idioot’ voortgebracht heeft) verwijst naar een persoon zonder onderwijs, die niet geleerd, gestudeerd heeft (en wordt ook gebruikt in Hand. 4:13 en in 2 Kor. 11:6). Het betreft hier dus normale talen die men leert door onderwijs en verstand, en geen uiting zoals de glossolalie.

3. Deze talen waren vertaalbaar
De woorden die Paulus gebruikt heeft om erop te wijzen dat deze talen vertaald konden worden (1 Kor. 14:5, 13, 26-28; zie ook 1 Kor. 12:10, 30) zijn afgeleid van de Griekse wortel die het woord ‘hermeneutiek’ (kunst waarmee je teksten interpreteert, uitlegt en begrijpt) heeft voortgebracht. Deze woorden betekenen ‘vertalen, interpreteren, uitleggen’ en impliceren (inhouden, behelzen, betekenen) het verstaan ervan door de vertaler en/of het uitleggen (deze woorden zijn overigens vaak gebruikt in het Nieuwe Testament duidelijk in de zin van ‘vertaling’, bijvoorbeeld in Hebr. 7:2).
Ik (de auteur van deze tekst) heb geen voorvallen gevonden, waarbij deze Griekse woorden gebruikt worden in de context van het uitleggen van de glossolalie. Als het ging om vertalen van glossolalie, gebruikte men andere woorden, zoals ‘sumballo’, ‘semaino’ of werkwoorden afgeleid van ‘krino’. Dit toont nog eens te meer aan dat het spreken in talen hier geen fenomeen als glossolalie betreft.

4. Waren deze talen onbegrijpelijk?
De theologen die in dit hoofdstuk een heidense praktijkuitoefening zagen, hebben het argument naar voren gebracht dat de Korinthïers hun eigen uitingen niet verstonden (1 Kor. 14:14-15) en dus daarom glossolalie beoefenden. Ondersteunt een serieuze analyse van de tekst dit argument of maakt deze dit argument ongeldig?
Paulus zei in de verzen 14, 15 en 19 dat de Korinthiërs zonder ‘verstand’ spraken en gebruikte hiervoor het Griekse woord ‘nous’ (nouV), wat te maken heeft met het verstand en het tegenovergestelde is van domheid. De idee van Paulus is dus niet dat de Korinthische sprekers hun eigen uitingen niet verstonden, maar dat ze met domheid, zonder verstand, spraken. Dit is des te meer frappant, omdat Paulus het werkwoord ‘ida’ (weten, begrijpen) gebruikt heeft in vers 16; hij koos dus zijn woorden op een manier om nuances aan te brengen.
Bovendien heeft Paulus de werkwoorden ‘akouo’ (1 Kor. 14:2) (akouw, waar het woord ‘akoestiek’ van afgeleid is), ‘ginosko’ (1 Kor. 14:7, 9) (ginwskw) en ‘ida’ (1 Kor. 14:11, 16) (oida, waar het woord ‘idee’ van afgeleid is) gebruikt. Deze drie werkwoorden zijn geschikt om een gemis aan begrip of aan het kennen van een taal uit te drukken. Paulus zou ze dus gebruikt hebben (in de verzen 14, 15, 19) als hij bedoelde dat diegene die één van deze talen sprak, niet begreep wat hij zei.
Concluderend: de tekst van de verzen 14 en 15 toont aan dat deze talen werden uitgeoefend met domheid, maar niet zonder de eigen uitingen te verstaan, zoals in het geval van glossolalie.

5. Degene die deze talen sprak, begreep wat hij zei.
Paulus zei (1 Kor. 14:28) dat diegenen die één van deze talen sprak, sprak tot zichzelf en tot God bij gebrek aan vertaling. Maar hoe kan men tot zichzelf praten zonder de eigen woorden te begrijpen?
Bovendien, bepaalde verzen (1 Kor. 14:16-17; 11-12; 5-6) tonen duidelijk aan dat deze talen niet tot opbouw konden leiden als ze niet begrepen werden. Nu, Paulus heeft evenzeer ook geleerd dat diegene die één van deze talen sprak, werd opgebouwd (1 Kor. 14:4). Dus degene die één van deze talen sprak, verstond wat hij zei. Dit punt kan ook bewezen worden met de verzen 16 en 17. Paulus zegt daar dat iemand geen ‘amen’ (‘zeker’, ‘werkelijk’) kon zeggen op een gebed in één van deze talen zonder die taal te kunnen verstaan, en dat degene die in een van deze talen bad ‘amen’ op zijn eigen gebed kon zeggen. Daaruit volgt dat degene die in één van deze talen bad die taal verstond.
Degene die deze talen sprak verstond dus wat hij zei, er is daarom geen sprake van een ervaring, zoals glossolalie.

6. Het betrof normale talen.
Paulus zegt in 1 Kor. 14:18 dat hij meer talen sprak dan alle leden van de kerk van Korinthe bij elkaar. Sommige theologen hebben hierin het bewijs gezien dat Paulus een groot aanhanger was van de glossolalie en het bovenmatig uitoefende. Maar Paulus was buitengewoon druk met zijn missionaire en beroepsactiviteiten (dag en nacht: 1 Thess. 2:9; 2 Thess. 3:8) en was overstelpt met de zorg voor de gemeenten die hij had gesticht (2 Kor. 12:23-28). Paulus kon niet meer tijd hebben dan elk gemeentelid van de kerk te Korinthe om de glossolalie uit te oefenen; des te minder kon hij het alléén méér uitoefenen dan alle kerkleden bij elkaar. Er kan daarom hier geen sprake zijn van glossolalie.
Of zou Paulus meer tijd gehad hebben, omdat hij thuis glossolalie beoefende, terwijl de Korinthiërs het alleen in de kerk beoefenden? Opnieuw, Paulus was zeker te druk om het vaker te beoefenen dan de Korinthiërs. Bovendien is er in het hele Nieuwe Testament geen sprake van zo’n praktijk: waarom zou Paulus veel tijd aan zoiets wijden en er dan nooit melding van maken in zijn brieven? Deze uitleg is daarom niet aanvaardbaar. Zo’n praktijk zou temeer absurd en zelfs zondig zijn, omdat Paulus ook uitdroeg dat deze talen spirituele gaven zijn en dat deze daarom voor de opbouw van anderen gebruikt moeten worden en niet voor persoonlijke opbouw (1 Kor. 12:7; 1 Kor. 14:12, 26; Efez. 4:11-12; 1 Petr. 4:10).
Of zou het hier taalwonderen betreffen, zoals in de drie gevallen van op een wonderlijke manier spreken in vreemde talen die genoemd zijn in het boek Handelingen (hoofdstukken 2, 10 en 19)? Deze taalwonderen maakten het mogelijk een taalbarrière te overbruggen en de christelijke boodschap begrijpelijk te maken voor vreemdelingen. Maar, tegenovergesteld hieraan, de genoemde talen in deze brief aan de Korinthiërs waren juist niet begrijpelijk voor andere personen. Bovendien zijn deze taalwonderen éénmalige fenomenen geweest en geen geestelijke gaven die men ontwikkelt en regelmatig beoefent. En het boek Handelingen, dat verhaalt over de reizen en de wonderen van Paulus, geeft nergens aan dat Paulus zulke wonderen heeft verricht. Te meer, hoe zou Paulus kunnen weten dat hij deze vreemde talen vaker op wonderlijke wijze had gesproken (en dat heeft hij zeker nooit gedaan) dan de leden van de kerk te Korinthe? Deze derde verklaring is daarom ook niet aanvaardbaar.
De mogelijkheid die overblijft is dat deze talen normále vreemde talen waren, zoals al eerder beargumenteerd. En deze mogelijkheid is de enige tevredenstellende verklaring. Het is moeilijk om iemand te vinden die in zoveel plaatsen gewoond heeft als Paulus (zie Handelingen) en ook zo begaafd was met talen (Paulus sprak Aramees, Hebreeuws, Grieks en waarschijnlijk ook Latijn, Arabisch, Syrisch en talrijke dialecten uit Klein-Azië en Griekenland). Paulus had zeker de mogelijkheid gehad om meer vreemde talen te leren dan al de leden van de kerk te Korinthe en kon met zekerheid zeggen dat hij meer talen sprak dan zij allen bij elkaar.
Kortom, het betreft hier normale talen en niet de glossolalie.

Wat is dan de correcte uitleg van de ideeën van Paulus?
We kunnen nu begrijpen waarom Paulus zegt dat degenen die deze talen spraken, het deden zonder verstand (1 Kor. 14:14 en 15). De personen die deze talen niet kenden, konden die niet verstaan zonder vertaling en werden dus niet opgebouwd (1 Kor. 14:4-6, 12, 17). Welnu, tegenovergesteld aan persoonlijke activiteiten, het doel van de gaven van de heilige Geest is de opbouw van anderen, van de kerk (1 Kor. 12:7; 1 Kor. 14:12, 26; Efez. 4:11-12; 1 Petr. 4:10). Bijgevolg, degenen die hun gaven beoefenen (zij het: onderwijs, pastorale zorg of, zoals in dit geval, het spreken in vreemde talen) zonder dat anderen hierdoor worden opgebouwd, doen het zonder nut en dus zonder verstand, op een domme manier.
Ter illustratie: Als een vrouw in het Nederlands hardop zou bidden tijdens een dienst in een Franse kerk, dan zou zij opgebouwd worden door het eigen gebed (1 Kor.14:4), maar omdat de Franstaligen haar niet zouden kunnen begrijpen, zou zij alleen tot God spreken (1 Kor. 14:2) en tot zichzelf (1 Kor. 14:28); de anderen zouden niet opgebouwd worden (1 Kor. 14:17) en dit zou dom zijn van haar (1 Kor. 14:14, 15, 19).

Dit geval zou een illustratie kunnen zijn van de situatie in de gemeente van Korinthe. Korinthe was in Paulus’ tijd een belangrijke Romeinse kolonie met een internationale haven, waar Grieken, Romeinen, Aziaten, Egyptenaren, Syriërs en Joden woonden. In de samenkomsten van de Korinthiërs bestond hierdoor het gevaar van individualisme: ieder zou in zijn eigen taal gaan bidden, lofzingen en een zegen uitspreken (1 Kor. 14:15, 16). Dit is duidelijk niet tot opbouw van elkaar (1 Kor. 12:7, 14: 12), het schept wanorde (14:33) en de toehoorder kan niet weerlegd worden (14:24).
liggingKorintheHet Nieuwe Testament noemt de aanwezigheid van Joodse vreemdelingen in de gemeente van Korinthe, zoals Aquillas, Priscilla en Apollos. Het is heel goed mogelijk dat Joden in deze kerk in het Hebreeuws gebeden hebben en dat toen anderstaligen ook gebeden en gezongen hebben in talen die onbekend waren voor de anderen, zonder dat er vertaling was in het Grieks, de lokale en ook internationale taal van die tijd. Paulus zegt in de verzen 14, 15 en 19 dat de Korintiërs zonder ‘verstand’ spraken, ofwel met domheid, vruchteloos. Ze zagen niet het doel van het samenkomen: vruchtbaar zijn voor elkaar (14:17).
Men kan ook begrijpen waarom Paulus heeft gesproken over bidden om zijn eigen woorden te kunnen vertalen (1 Kor. 14:13). Het is erg moeilijk (1 Kor.14:27, 28) om de concentratie vast te houden als men tegelijkertijd spreekt en iedere zin vertaalt; vandaar het gebed om goddelijke bijstand (1 Kor. 14:13). Zo’n gebed vraagt om een actieve gebedshouding en dat komt niet overeen met een toestand van extase, van glossolalie. Bovendien lijken er geen gevallen te zijn waar glossolalisten hun eigen uitingen hebben geïnterpreteerd.

Paulus verbiedt echter niet het spreken in vreemde talen (andere talen dan de lokale en internationale taal van die tijd: het Grieks), hij legt het spreken in die talen aan banden en schrijft dat een vertaler aanwezig moet zijn (14:28), anders moet men zwijgen en tot zichzelf en tot God spreken (in gedachten of buiten de samenkomst). Tegen jezelf spreken doe je niet als je de klanken niet begrijpt, zoals bij glossolalie. Wil je als christen je eigen ‘niet-Griekse’ taal in het Grieks vertalen, dan heb je Gods bijstand hard nodig om de concentratie vast te houden om elke zin van je mondelinge bijdrage goed te vertalen (14:13).

Omdat stichting onmogelijk is zonder verstand (14:6, 12, 16-17) en omdat degene die in die vreemde taal spreekt gesticht wordt (14:4, 17) is het duidelijk dat deze begrijpt wat hij in deze taal zegt. In de verzen 16, 23 en 24 worden degenen die deze talen niet begrijpen als ‘idiotis’ aangeduid; dit wil zeggen personen die geen onderwijs hebben gehad en niet gestudeerd hebben. Deze talen waren dus te leren; de intelligente theoloog en zendeling Paulus heeft van Gods geest de gave van het aanleren van talen gekregen om zijn gemeente te dienen (14:18) en heeft tijdens zijn reizen, meer dan de gemeenteleden van Korinthe, de kans gehad veel talen te leren (Aramees, Hebreeuws, Grieks, Latijn, Syrisch, talrijke dialecten in Klein-Azië en Griekenland, Arabisch: Gal.1:17!). Dit is misschien ook één van de redenen geweest dat hij door God is geroepen om aan vele volken het evangelie te verkondigen. Bovendien, als het hier niet om normale talen gaat, hoe kon Paulus alléén in staat geweest zijn om méér tijd te hebben om tongentaal te beoefenen dan alle kerkleden bij elkaar (14:18)?

De Bijbel leert dat men God moet liefhebben met heel zijn verstand (Mat. 22:37) en zijn intellectuele capaciteiten moet vernieuwen (Rom. 12:2) en ontwikkelen (Efez. 4:13, Hebr. 5:12, 2 Petr. 3:16-18). Helaas nemen te weinig christenen de tijd om intellectuele gaven, vermogens die zij bezitten, te ontwikkelen en bestuderen niet de filosofie, de geschiedenis, het Grieks, het Hebreeuws… Een gebrek aan kennis en logica kan leiden tot ernstige dwaalleren.

Eindgedachte (R.K.)

Tongentaal (of klanktaal, of het spreken in tongen) beschreven in het Nieuwe Testament betreft bestaande vreemde talen (of een bepaald dialect) voor de spreker óf de toehoorder. De brabbeltaal zoals deze geleerd wordt in charismatische kringen heeft niets hiermee te maken, maar is een uiting van glossolalie: een ongebruikelijk en onbegrijpelijk spraakgedrag zonder overeenkomst met een bestaande taal.
De tongentaal (glossolalie) die in charismatische kringen ten beste wordt gegeven, kan zich bij een persoon manifesteren tijdens een extatische toestand, maar men kan zichzelf ook een eigen brabbeltaal (aan)leren. In beide gevallen kan niemand deze taal verstaan, en de gebezigde brabbeltaal wordt ook niet vertaald en uitgelegd. Er wordt daarmee niet voldaan aan wat Paulus in 1 Korintiërs 14 schrijft.
In de charismatische beweging meent men dat Paulus in 1 Korintiërs 14:2-4 schrijft waartoe de gave om in talen te spreken diende: ‘Tot God spreken, verborgenheden spreken, zichzelf stichten (geestelijk groeien).’ In de verzen 2, 3 en 4 wil de apostel echter duidelijk maken hoe armelijk en zinloos het was in talen te spreken waar niemand het kon verstaan. Dit was een aansporing om hetzelfde doen als Paulus en in de gemeente niet in talen te spreken. Als er toch in een taal gesproken werd, moest iemand het uitleggen voor de hoorders. Als dat niet gebeurde, moest de spreker zwijgen. Gebeurt dit tegenwoordig in charismatische kringen als men in ‘tongentaal’ spreekt?

Conclusie

De charismatische tongentaal is niet de tongentaal beschreven in het Nieuwe Testament. De tongentaal die in charismatische kringen wordt beoefend betreft glossolalie.
 

Getuigenis van een student van Parham

Door David Cloud, update 14 maart 2006 (http://wayoflife.org/fbns/earlypentecostalconf.html)

‘Tijdens een reis door het Midwesten in 2002 trok ik een dag uit voor een bezoek aan de Kansas State Research Society bibliotheek in Topeka. Daar vond ik belangrijke documenten die betrekking hebben op de vroegste geschiedenis van de Pinksterbeweging. In de Research Society bibliotheek in Topeka vond ik drie oude krantenartikels en andere documenten over Parhams Bijbelschool in Topeka. Één artikel beschrijft het getuigenis van S. J. Riggins, een student die de school verliet en beweerde dat de andere studenten louter ‘gibberish’ (gebrabbel) spraken. Het volgende is zijn getuigenis:’

bethel_bible_college
Parhams Bethel Bible College, Topeka

Ik was niet onder de invloed en kon zien dat de studenten tot deze extremiteit geleid werden door hun fanatisme, en tenslotte besliste ik de school te verlaten. Derhalve ging ik verleden zaterdagochtend weg, maar vooraleer te gaan, riep ik de internen van het gebouw bijeen en legde hen mijn redenen van vertrek uit. Ik zei hen dat zij onder de invloed van de Boze waren, en dat het beste wat zij konden doen was de school te verlaten, zoals ik deed. Zij lachten mij uit, en ik verliet de school, en ik heb niet de intentie terug te keren. (Topeka State Journal, Jan. 7, 1901).

‘Beschouw volgende beschrijving door Parham over zijn studenten, de dag nadat Ozman haar tongensprekende loopbaan was begonnen:’
De volgende dag ging ik de stad in, en toen ik terugkwam vond ik alle studenten op de vloer zitten, sprekend in onbekende talen; geen twee spraken dezelfde taal, niemand begreep de speech van zijn of haar gebuur (Topeka Mail and Breeze, Feb. 22, 1901).
‘Dit is geheel in strijd met de Bijbelse leer over de echte gave van talenspreken. Het tongenspreken van The Bethel Bible School in januari 1901 was een ontregelde, niet-stichtende verwarring, waarvan de Bijbel zegt dat dit niet uit God is (1 Kor. 14:33). De Bijbel zegt dat talenspreken niet mag, tenzij ze uitgelegd worden, en zelfs dan moet de gave beoefend worden door slechts één spreker tegelijk (1 Kor. 14:23-28). Bovendien beweerde Parham dat Ozman drie dagen lang na haar eerste tongenervaring niet meer in staat was Engels te spreken; terwijl de Bijbel zegt dat een echte profeet of tongenspreker zichzelf onder controle heeft (‘En wie profeteert heeft macht over zijn geest,’ 1 Kor. 14:32). Het onbeheersbare tongenspreken van Ozman was niet uit God.’

 
 

Handoplegging (3)

NetworkMinistriesHandsVolgens Hebreeën 6:2 hoort de leer over de handoplegging tot de fundamenten van het Nieuwe Testament. In de charismatische beweging treft men veelvuldig de praktijk van het handopleggen aan. Dit past men toe voor overdracht (‘impartatie’) van de ‘doop’, genezing en ‘zegening’ in het algemeen. De neo-charismaten passen de handoplegging ook toe bij het uitdrijven van vermeende demonen (zie ‘Bevrijdingspastoraat’).

Handoplegging is een symbolisch gebaar. Een hogergeplaatst persoon legt één of beide handen op het hoofd van een lagergeplaatst persoon of op de kop van een dier. Zo wordt de persoon of het dier voor een speciaal doel aangewezen. Of er wordt een bepaalde macht of invloed op hem overgedragen.
Handoplegging komt in het Oude Testament voor om een bepaalde bestemming aan te geven, en om (symbolisch) schuld of macht over te dragen. Het gebeurt bijvoorbeeld bij een offerdier (Exodus 29:10-15), een zondebok (Leviticus 16:21), veroordeelden (Leviticus 24:14) en opvolgers (Numeri 27:23).
Bij het zegenen van nakomelingen lijkt handoplegging een magische of animistische betekenis te hebben. Denk bijvoorbeeld aan het verhaal van het zegenen van Efraïm en Manasse door Jakob (Genesis 48:8-22).
Handoplegging komt in het Nieuwe Testament onder andere voor om mensen aan te wijzen voor een speciale taak (Handelingen 6:1-7, 13:2). Een meer magische of animistische betekenis heeft de handoplegging bij het genezen van zieken, bijvoorbeeld door Jezus (Matteüs 9:18) en door Paulus (Handelingen 28:8). Die magische betekenis speelt ook een rol als dopelingen door handoplegging de heilige Geest ontvangen (bijvoorbeeld in Handelingen 8:17).

Vanuit bovenstaande gezichtspunten is de waarschuwing in 1 Timoteüs 5:22 dan ook begrijpelijk: ‘Leg niemand te snel de handen op, maak jezelf niet medeverantwoordelijk voor zijn zonden, zorg ervoor dat je rein blijft.’ Jezus en de discipelen legden bijvoorbeeld bij het uitdrijven van demonen nooit de handen op. Jezus drijft de boze geesten uit met zijn woord, zieken legt hij de handen op (hoewel hij ook genas zonder handoplegging).
Binnen het charismatische bevrijdingspastoraat (zie verder ‘Bevrijdingspastoraat’) wordt echter bij het uitdrijven van (vermeende) demonen veelvuldig gebruik gemaakt van de handoplegging. Waarom doet men dit, terwijl hier zo voor gewaarschuwd wordt en Jezus en zijn discipelen dit nooit deden?

Fire tunnels

download (12)Fire tunnels (vuurtunnels) zijn ontstaan in de Toronto Blessing samenkomsten. De gelovigen vormen een tunnel waar andere gelovigen doorheen lopen. Tijdens het lopen worden deze gelovigen dan gezegend door handoplegging door degenen die de tunnel vormen. Door deze handeling zullen zij, zoals ze leren, de heilige Geest aan de gelovige ‘loper’ doorgeven (impartatie). In de bijbel staat nergens dat mensen op deze manier de heilige Geest kunnen doorgeven. Daarentegen wordt in 1 Tim. 5:22 gewaarschuwd tegen lichtzinnig gebruik van de handoplegging. Toch is dit iets wat er in ‘fire tunnels’ gebeurd.
 
 

Genezingen (5) 

Gebedsgenezing is het pogen mensen te genezen door tussenkomst van een religieus geïnspireerde genezer of predikant, die via het aanroepen van bovennatuurlijke krachten tot het herstel van lichamelijke of psychische aandoeningen tracht te komen. In het christendom is de beoefening van gebedsgenezing geen gemeengoed.

genezing
Jesaja 53:5

In de moderne charismatische beweging meent men dat gelovigen aanspraak mogen maken op gezondheid en genezing. Men verwijst hierbij naar Jesaja 53:5: ‘…zijn striemen brachten ons genezing.’
Dit vers uit Jesaja wordt echter verkeerd begrepen en toegepast. Naar het vers wordt verwezen in 1 Petrus 2:24: ‘Hij heeft in zijn lichaam onze zonden het kruishout op gedragen, opdat wij, dood voor de zonde, rechtvaardig zouden leven. Door zijn striemen bent u genezen.’  Deze context maakt duidelijk dat gesproken wordt over genezing van zonde. Het vers in 1 Petrus spreekt over zonde en gerechtigheid, geen ziekte en aandoeningen. ‘Genezen’ in Jesaja 53:5 verwijst dan ook naar vergeving en gered worden, niet naar fysieke genezing. In de praktijk heeft de beweging dan ook een schadelijke bijbeluitleg, mede doordat bij geen genezing soms gesteld wordt dat de betrokken mensen ‘te weinig geloven’. (Geraadpleegde bronnen: http://biblehub.com/commentaries/isaiah/53-5.htm, http://biblehub.com/commentaries/1_peter/2-24.htm.)

Heeft een gebedsgenezer dezelfde kracht als Jezus?

Er bestaat geen twijfel over Gods macht om vandaag de dag mensen te genezen door de bediening van het gebed (Jakobus 5:14-15). De vraag is echter of de huidige ‘geloofsgenezers’ wel degelijk optreden in de kracht van de heilige Geest. Zo zie je in de bijbel bij de apostelen geen geplande genezingsbijeenkomsten. Zij hadden geen spreekuren en vroegen geen geld voor de genezingen. En als het hun gegeven was op bepaalde plaatsen en tijdstippen genezingen te doen, dan lukten die altijd. Het was niet ‘de ene wel en de andere niet’ of ‘dat been wel, maar die zijn hand niet’… ‘en allen werden genezen.’ (Hand. 5:16) Het was ook niet zo dat bepaalde kwalen te hoog gegrepen waren, want de apostel Paulus wekte zelfs de jongeman Eutychus, die dood neergevallen was, terug tot leven (Handelingen 20:8-12). En de apostel Petrus wekte de leerlinge Tabita op uit de dood (Handelingen 9:36-42).

Door het vergelijken van de helende bediening van Jezus aan die van de moderne gebedsgenezers, kunnen we bepalen of hun beweringen enige basis hebben in de bijbel. Als, zoals ze zeggen, ze genezen door dezelfde kracht en op dezelfde manier als dat Jezus genas, zouden we duidelijke overeenkomsten hierin moeten kunnen zien. Echter, juist het tegenovergestelde is waar. Marcus 1:29-34 geeft ons een beschrijving van slechts één dag van Jezus’ bediening van genezing. Hij genas die getroffen waren met lichamelijke ziekten, aandoeningen en verwondingen. Hij wekte zelfs doden op, en hij wierp demonen uit mensen die bezeten waren door hen. Jezus bewees zijn godheid.

Er zijn meerdere verschillen in de manier waarop Jezus genas die niet kenmerkend zijn voor de moderne gebedsgenezers.
Ten eerste genas hij meteen. Petrus’ schoonmoeder (Marcus 1:31), de zoon van de hoofdman (Matteüs 8:13), de dochter van Jaïrus (Marcus 5:41-42), en de verlamde (Lucas 5:24-25) werden allen onmiddellijk genezen. Ze hoefden niet naar huis te gaan om daar aan het genezingsproces te beginnen, zoals het advies is van vele gebedsgenezers.
Ten tweede genas Jezus geheel. Petrus’ schoonmoeder kon weer volledig functioneren, nadat ze genezen was van een ziekte die zo ernstig was dat ze bedlegerig was. Maar toen Jezus haar had genezen stond ze meteen op en bereidde een maaltijd voor iedereen die in het huis waren. De blinde bedelaars in Matteüs 20:34 kregen direct zicht.
Ten derde genas Jezus iedereen (Matteüs 4:24, Lucas 4:40). Men was niet verplicht om vooraf door de discipelen te worden gescreend, voordat men bij Jezus mocht komen voor genezing, zoals wel de standaard procedure bij ‘genezers’ vandaag is. Jezus genas op vele plaatsen, niet enkel in een omgeving met zorgvuldig gecontroleerde omstandigheden.
Ten vierde genas Jezus werkelijke organische ziekten, niet de symptomen zoals de gebedsgenezers doen. Jezus heeft nooit iemand genezen van een hoofdpijn of rugpijn. Hij genas lepra, blindheid en verlamming; wonderen die echt verifieerbaar (controleerbaar) waren.
Tot slot genas Jezus de ultieme ziekte: de dood. Hij bracht Lazarus terug na vier dagen in het graf. Geen gebedsgenezer kan dit kopiëren.

Er zijn altijd valse genezers geweest die azen op het lijden en de wanhopigheid van mensen om zo hun bankrekening te spekken. Dergelijk gedrag is één van de ergste vormen van godslastering, omdat velen wiens geld werd verspild aan valse beloften Christus ronduit verwerpen, omdat hij niet gedaan heeft wat de genezer heeft beloofd.
Als gebedsgenezers de kracht hebben om te genezen, waarom lopen ze dan niet de ziekenhuizen in en genezen de patiënten van al hun pijnen? Waarom gaan ze niet naar Afrika en genezen alle AIDS-gevallen? Dat doen ze niet, omdat ze het niet kunnen!
(Bron: http://www.gotquestions.org/faith-healers.html)
 
Benny Hinn (zie ook 10.6.)

Benny Hinn

Als doorlichting van de genezingspraktijken en verkwistende levensstijl van de Canadese (maar in Jaffa, Israël, geboren) Word of Faith evangelist Benny Hinn (1952), bracht de Canadese televisiemaatschappij CBC ‘The Fifth Estate’; een documentaire met verborgen camera’s over hoe Hinns staf de kandidaten selecteert die voorwaarts moeten komen om ‘genezen’ te worden (‘Evangelist Hinn Lands under a Cloud’, The Star, Toronto, 17 augustus 2007). Zij die duidelijke fysieke kwalen hadden, werden niet toegelaten. CBC heeft een aantal mensen nagetrokken die genezing claimden. Men ondervond dat zij ofwel nog steeds ziek waren, ofwel zich nooit in die ziektetoestand hadden bevonden waarvan zij zogezegd genezen waren, ofwel overleden waren.
In 2003 verzocht het programma Dateline van NBC om een bevestiging van de 56 genezingen die op één van Hinns  ‘kruistochten’ geclaimd werden. Hinns medewerkers kwamen slechts met vijf gevallen, waarvan beweerd werd dat het ‘onweerlegbare en medisch bewezen mirakels’ waren. Toen daarop Dateline deze vijf gevallen onderzocht, werd ondervonden dat slechts één betrokken persoon medische rapporten kon tonen, maar dat haar dokter vermoedde dat de vrouw eigenlijk nooit had geleden aan de Lou Gehrig’s ziekte, waarvan ze beweerde genezen te zijn (Charisma Online, 20 februari 2003).
In januari 2005 was er een 52-jarige man die aan een hartaanval stierf toen hij Hinns ‘healing crusade’ (genezingskruistocht) bijwoonde in Bangalore, India (‘When the miracle failed to save a life’, Deccan Herald, 23 januari).
Tijdens een toer van Hinn op Fiji, januari 2006, werd er een ‘kreupele man’ op krukken, die was ‘genezen aan zijn benen’, eerder wandelend in het stadion zonder krukken gefotografeerd door een zendeling, Ryan Gray .

Jan Zijlstra

Jan Zijlstra
Jan Zijlstra

In Nederland is Jan Zijlstra (1938) (zie hoofdstuk 9.2.) een bekend gebedsgenezer. Op dit moment (2016) werkt hij als evangelist en gebedsgenezer bij de stichting ‘Wings of Healing’ met samenkomsten in Warmond (Zuid-Holland). Daarvoor was hij verbonden aan De Levensstroom Gemeente te Leiderdorp, die hij in 1992 oprichtte en waar hij tot april 2010 voorganger was. In de Netwerk-reportage ‘Wonderen in de Alblasserwaard’ (28 juni 2007) werden een aantal van zijn geclaimde genezingen gecontroleerd. Het bleek dat sommige personen die op zijn website alsmede op een dvd van de Levensstroom, als ‘genezen’ worden betiteld, niet genezen waren.
Centrale vragen in de reportage zijn: Wat doet het met je als je hersteld, maar later weer terugvalt? Of erger nog: als je helemaal niet geneest? Geeft Jan Zijlstra wel een eerlijk beeld van wat er zich afspeelt bij hem op het podium? Of geeft hij de mensen valse hoop?
Aanleiding van de reportage was de genezing van de 44-jarige Janneke Vlot van posttraumatische dystrofie, een Complex regionaal pijnsyndroom (CPRS). Vlot stond op uit haar rolstoel en Zijlstra haalde hiermee de voorpagina’s van de kranten. Daarnaast zouden tientallen andere mensen op wonderlijke wijze zijn hersteld tijdens Zijlstra’s genezingsdiensten. Zo maakt de reportage melding van Ida de Jagers herstel van een bekkeninstabiliteit en dystrofie in haar been.
Omdat haar vader bij Zijlstra spontaan wordt genezen van pijn in zijn heupen, besluit zijn dochter Rachab van Ooijen, die nagenoeg blind is (vijftien procent zicht), ook naar de gebedsgenezer te gaan. Zijlstra verklaart haar in de dienst genezen, maar toen ze haar bril afdeed bleek dat niet het geval. Na nog een bezoek trad er nog steeds geen genezing op. Rachab vraagt zich dan ook af: waarom mijn vader wel en ik niet?
Op de site van Zijlstra lazen de journalisten dat ook de dertienjarige Leonie Verhoef bij hem was genezen van een zenuwziekte (reflex dystrofie, CPRS1) in haar linkerbeen, waardoor elke aanraking daar pijnlijk was. (In de reportage wordt beweerd dat dit dezelfde ziekte is waarvan Janneke Vlot was genezen. In het dagblad Trouw wordt Vlots ziekte echter benoemd als posttraumatische dystrofie, naar aanleiding van uitlatingen van Vlots huisarts Dick Kruijthoff. Bron) Tijdens de dienst staat Leonie op uit haar rolstoel. ‘Toen er voor me gebeden werd, was ik binnen een paar seconden gewoon mijn pijn kwijt.’ Haar herstel blijkt echter van korte duur. Na enkele keren Zijlstra weer bezocht te hebben met telkens weer een terugval, geeft ze de moed op. Toch gaat ze nog een keer naar de genezingsdienst, nu met een microfoontje ten behoeve van de reportage. Tijdens het ‘genezingsmoment’ zegt Leonie tegen Zijlstra: ‘Ik voel iets warms door me heen gaan. Alleen mijn been raakt het niet.’ ‘Ik voel nog niks.’ ‘De pijn wordt eigenlijk alleen maar erger.’ Terwijl Leonie nog probeert Zijlstra duidelijk te maken dat ze niet genezen is, zet Zijlstra een lied in…
Ook Marielle Bonts wordt op Zijlstra’s dvd ‘Waarom Jezus vandaag geneest’ (een dvd met spectaculaire genezingsverhalen) betiteld als genezen van haar hernia. In de reportage zegt ze dat ze op de plekken waar ze pijn had, warmte voelde gaan. De pijn werd minder en ze kon zich beter bewegen: ‘Ik voelde echt niks meer.’ Maar toen ze weer ging zitten, voelde ze de pijn weer. De genezing was mislukt, terwijl ze wel als genezen op de dvd staat. Zijlstra geeft dit ook toe in het interview met hem volgend op de reportage, maar, zegt hij, ‘zij was toen genezen, het wonder wordt daardoor niet kleiner. Ook het wonder bij Leonie wordt daardoor niet kleiner. Ze is toen genezen geworden.’ Maar Zijlstra vindt het verhaal van Leonie ‘zondermeer zeer triest’.
Tijdens het interview zegt Zijlstra dat het verhaal van Leonie van de website is verwijderd. Echter, zo merkt Netwerk-presentator Tijs van den Brink op: ‘Het staat er nu nog op hoor, ik heb vandaag nog gekeken.’ Op de vraag of Zijlstra wel meer verhalen hoort dat het eerst een genezing lijkt maar dan toch weer over is, antwoordt hij: ‘Ja, (…) maar ik zeg altijd in iedere dienst: niet iedereen wordt genezen. Die vraag wordt altijd overal gesteld: geneest iedereen bij u? Dan zeg ik: Nee.’ Tevens beaamt Zijlstra dat bij hem ‘genezen’ mensen eventueel een terugval kunnen ondervinden.

In de Volkskrant van 9 mei 2007 verklaarde Frank Huygen, hoofd van het Pijnbehandelcentrum Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam en arts van Janneke Vlot, dat bij dystrofie spontane genezingen regelmatig voorkomen. Van een wonder wil hij dan ook niet spreken. (Bron)
 

Hoe moeten we omgaan met genezingswonderen door mensen als Jan Zijlstra? 

(Artikel uit het Reformatorisch Dagblad van 2 april 2007. De auteur is arts in verpleeghuis Salem in Ridderkerk, Zuid-Holland, en auteur van het boekje ‘Genezing op het gebed?’)

In veel kerkelijke gemeenten is de laatste weken verwarring ontstaan door enkele bijzondere genezingswonderen. Reacties zijn uiterst divers. De vraag of het uit God is, wordt niet eensluidend beantwoord. Ik heb evenmin een pasklaar antwoord, maar ik wil wijzen op het feit dat bepaalde ziektebeelden zich beter lenen voor gebedsgenezing dan andere. Ik bedoel dit niet cynisch, maar het is goed om eerst naar medische elementen te kijken, alvorens moeilijke theologische vragen te beantwoorden.

De suggestie dat bepaalde ziekten beter op gebedsgenezing reageren dan andere, is al eerder geopperd. Telkens wordt ze ontkend en afgedaan als ongeloof, maar zodra concrete genezen personen voor het voetlicht verschijnen, wordt deze suggestie wel bevestigd.

In een radio-interview tussen de godsdienstpsycholoog Braams en prof. Ouweneel roemde de laatste de talrijke genezingen bij de profeet Joshua in Lagos. Allerlei ziekten werden genezen, zelfs aids, aldus Ouweneel. Maar toen hij een concreet voorbeeld noemde, betrof het een studente met een persoonlijkheidsstoornis (borderline). Toen Braams hem vroeg waarom de genezingen van aids niet wetenschappelijk zijn gedocumenteerd, antwoordde Ouweneel dat artsen daar niet aan mee willen werken. Is dat laatste echt zo?

Zolang we op deze wijze blijven discussiëren, omzeilen we een essentieel element uit de vraagstelling. Want wie de website van Jan Zijlstra bekijkt en kennis neemt van concrete voorbeelden, moet inderdaad erkennen dat het allemaal om ziekten gaat met een hoog psychogeen (door psychische – geestelijke – oorzaken en invloeden ontstaan, zie psychosomatiek) gehalte. De recent gemelde genezingswonderen behoren eveneens tot die groep.

Als zodanig vind ik het heel eerlijk -en tegelijk onthutsend- dat Ouweneel in zijn boek ‘Geneest de zieken’ erkent dat ouderdomsgerelateerde ziekten niet geschikt zijn voor gebedsgenezing. Anders gezegd: Zijlstra behoeft niet naar het verpleeghuis te komen waar ik werkzaam ben. Datzelfde geldt voor de genezing van aangeboren handicaps, zoals het syndroom van Down. Met zo’n kind behoeft de lezer niet naar Leiderdorp te gaan. Ook suikerziekte blijkt een lastige te zijn, zo erkende een gemeentelid van een evangelische gemeente in Maassluis.

Dit alles wekt de indruk dat sommige ziekten de macht van God te boven gaan! En hoewel niemand dit laatste zal durven beweren, houden soortgelijke genezingswonderen en dito opmerkingen dit wel in stand. Terwijl de Bijbel aangeeft dat Jezus iedereen die tot Hem kwam genas, ongeacht welke ziekte hij of zij had.

Aanval

Zodra ik het bovenstaande inbreng in deze discussie, wordt dat vaak gezien als een aanval op gebedsgenezing. Alsof ik het bestaan van wonderen betwijfel. Niet zelden wordt verwezen naar controlefoto’s in het ziekenhuis die de genezingswonderen zouden hebben bevestigd. Ik heb bij dit laatste mijn twijfels. Toen een MS-patiënt genezen uit Lagos terugkwam, werd dit door röntgensfoto’s bevestigd, aldus het blad Visie. Ik wil niet vervelend doen, maar er is geen foto die MS bevestigt of bewijst! De patiënt met suikerziekte die in hetzelfde Visieartikel wordt genoemd, was gelukkig op tijd in Nederland, want anders had hij zijn ’genezing’ niet overleefd.

Dat ziekten een psychogene component hebben, is inherent aan iedere ziekte. Ik heb daarom veel moeite met de uitdrukking dat het ‘tussen de oren zit’. Dit wekt de indruk dat iemand maar gewoon moet doen, en hij of zij is weer beter. Alsof alleen zwakke en emotionele mensen er last van hebben. Het tegendeel is waar. Iedereen reageert op een bepaalde manier op zijn of haar ziekte. Dat hoort er nu eenmaal bij. Zodra iemand bijvoorbeeld hoort dat hij longkanker heeft, verandert het ziektegedrag direct, terwijl de ziekte op dat moment niet verandert. De pijn wordt plotseling intenser, het slapen gaat moeizamer en het ziekteverzuim neemt toe, terwijl de ziekte nog niet is uitgebreid.

Ziektegedrag maakt het soms erg moeilijk om het effect van bepaalde behandelingen te beoordelen. Zo is in Nederland onderzoek gedaan naar de invloed van een hoge dosis prednison bij kanker. Patiënten die zich als gevolg van hun ziekte of als gevolg van chemotherapie erg beroerd voelden (misselijk, gebrek aan eetlust, afvallen, lusteloosheid) kregen een hoge dosis van een soort prednison. Dit onderzoek was opgezet omdat sommige artsen succesverhalen hadden over spectaculaire genezingen. Deze veranderingen waren inderdaad spectaculair. Uit het onderzoek bleek echter dat deze verbeteringen zowel in de groep van patiënten die prednison kreeg als in de groep die een placebo kreeg voorkwamen. De groep die prednison kreeg, had echter veel meer bijwerkingen! Blijkbaar is ziektegedrag een uiterst complex fenomeen.

Door mijn werk ben ik betrokken geweest bij een onderzoek naar de invloed van baclofen (een spierontspannend middel) op posttraumatische dystrofie, een ziekte die veel genoemd wordt bij genezingswonderen [zoals bij Janneke Vlot, R.K.]. Uit het onderzoek bleek dat plotselinge verbeteringen of verslechteringen van de gezondheidstoestand nauwelijks gerelateerd waren aan de hoeveelheid baclofen die de patiënten kregen toegediend.

Nuchter

Wat betekent het bovenstaande voor genezingswonderen? Dat we het advies van de apostel Petrus moeten opvolgen om enerzijds te waken en te bidden, maar anderzijds wel nuchter te blijven. En dat laatste mis ik in deze discussie.

Ik ontken niet dat God wonderen kan doen en doet. Ik geloof eveneens in de kracht van het gebed. Maar misschien werkt de Heere op een andere wijze dan tot dusver wordt voorgesteld. Ik denk bijvoorbeeld aan Joni Eareckson. Deze vrouw is volledig verlamd als gevolg van een dwarslaesie. In een van haar boeken, ‘De tranen van God’, schrijft ze over de genade die God haar heeft gegeven, ondanks haar rolstoel en handicap. Zij laat iets zien van wat navolging en kruisdragen betekent. Juist in deze menselijke zwakheid komt de kracht van het Evangelie openbaar. Dat is het grootste wonder.
 

Lees eventueel ook 10.6. ‘Hypnose- en beïnvloedende situaties binnen de charismatische beweging’. Hierin wordt onder andere ingegaan op wat de oorzaak kan zijn van tijdelijke vermindering van pijn tijdens ‘genezingen’. 

Lees eventueel ook een persoonlijk verslag via https://goedgelovig.wordpress.com/2010/02/10/6-een-mislukte-genezingsdienst/.
 
 

Nieuwe apostelen en profeten (9), profetieën (6) en bijzondere openbaringen (7)? 

De bijbel schrijft dat God apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraren heeft gegeven tot opbouw van de gemeente; de kerk. De christelijke traditionele leer stelt dat na de begintijd van de gemeente de bedieningen van apostel en profeet zijn verdwenen. Binnen de moderne charismatische beweging meent men echter dat er in deze tijd weer nieuwe apostelen en profeten (zullen) zijn. Wagner (zie hoofdstuk 5) gaat uit van een herstel van de vijfvoudige bediening en meent dat er een apostolische en profetische beweging op gang is gekomen onder leiding van de heilige Geest: de Nieuwe Apostolische Reformatie (NAR). Veel charismatische leiders noemen zich apostel en/of profeet en spreken (vele) profetieën uit. Vaak wordt op basis van bepaalde eigenschappen of kwaliteiten die aan een voorganger of oudste (ouderling) worden toegekend, iemand betiteld als apostel of profeet. Soms benoemt men zichzelf. Is het echter zo dat er tegenwoordig weer nieuwe apostelen en profeten zijn?
 

Apostelen

Het Griekse woord apóstolos betekent ‘degene die gezonden is’: een boodschapper of vertegenwoordiger. Er is buiten de bijbel geen specifieke functie met de naam apostolos. De achtergrond van het gebruik van apostolos in het Nieuwe Testament ligt in het Oude Testament. Daarin worden sommige mensen boodschappers van God genoemd, bijvoorbeeld Mozes en de profeten. De term wordt in de christelijke traditie met name gebruikt voor iemand die door Jezus is uitgezonden om het evangelie te verspreiden.

Jezus zond reeds tijdens zijn tijd op aarde discipelen (leerlingen) uit om zijn boodschap te verspreiden. Twaalf van hen, die tot de binnenste kring van Jezus’ aanhangers behoorden, worden van de overige volgelingen van Jezus onderscheiden doordat zij ‘de Twaalf’ of ‘de Twaalven’ genoemd worden. In de evangelieverhalen worden zij echter nog geen apostelen genoemd. Die term komt pas naar voren in het boek Handelingen en de Brieven (Nieuwe Testament). Toen Jezus niet meer in hun midden was, begonnen zij met het verspreiden van het evangelie in Judea, Syrië, Klein-Azië en Zuid-Europa (inclusief Rome). Volgens Handelingen 1:15-26 werd Judas Iskariot (de verrader van Jezus) opgevolgd door Mattias die vervolgens ook tot de twaalf apostelen wordt gerekend.
De drie synoptische evangeliën (Marcus, Lucas en Matteüs) noemen elk de namen van twaalf apostelen, soms met een nadere aanduiding. Die aanduiding kan per evangelie verschillen. Van Simon wordt bijvoorbeeld gezegd dat hij Petrus genoemd wordt, of dat Jezus hem de naam Petrus gaf. Met Taddeüs en Judas, de zoon van Jakobus, zouden twee verschillende personen bedoeld kunnen zijn, traditioneel worden de twee namen als verschillende namen voor één persoon beschouwd.
Na de toetreding van Mattias waren de apostelen (in alfabetische volgorde):

De apostelen zijn na de dood van Jezus zijn vertegenwoordigers. Ze gaan de wereld in om de boodschap van zijn opstanding bekend te maken. Dit was de functie van de apostelen. In het Nieuwe Testament worden ze daardoor gezien als het fundament van de kerk.* Daarom moeten de gelovigen zorgvuldig omgaan met de boodschap en de leer van de apostelen. Ook Paulus noemde zichzelf een apostel, hoewel hij Jezus niet tijdens zijn leven op aarde ontmoet heeft, maar volgens eigen zeggen later op een bovennatuurlijke wijze (Handelingen 9: 3-7) en daardoor een aanhanger van zijn leer werd. Hij wordt beschouwd als de dertiende apostel.
In de evangeliën en Handelingen lijkt de groep van apostelen heel afgebakend. Uit de brieven van Paulus blijkt dat dit aanvankelijk misschien minder het geval was. Paulus spreekt ook over anderen die zo genoemd worden (bijvoorbeeld in 2 Korintiërs 12:11-13). Zo dragen BarnabasSilas, Timoteüs, Andronicus en Junia ook de titel apostel. In vers 1 en 21 van het evangelie volgens Johannes wordt Nathanaël genoemd, welke vaak wordt vereenzelvigd met Bartolomeüs. Eén keer wordt ook Jezus zelf een apostel genoemd (Hebreeën 3:1). Ook in het vroegchristelijke geschrift Didachè (11:3-6), uit ongeveer 100 na Christus, worden rondreizende christelijke profeten nog apostelen genoemd. Pas later ontstaat de overeenstemming dat er slechts twaalf echte apostelen zijn, en Paulus natuurlijk.

* Efeze 2:19-20 zegt over de gemeente, de kerk: ‘Zo bent u dus geen vreemdelingen of gasten meer, maar burgers, net als de heiligen, en huisgenoten van God, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, met Christus Jezus zelf als hoeksteen.’
(BiGT: ´Vroeger waren jullie vreemdelingen, en hoorden jullie niet bij het volk van God. Maar dat is veranderd. Jullie horen er nu wel bij. Jullie zijn Gods kinderen, samen met de andere christenen. Alle christenen samen vormen een eenheid: de heilige kerk van Christus. Je kunt het vergelijken met een gebouw. Het fundament van het gebouw is dan de boodschap van de apostelen en de profeten. Jullie zijn de stenen in de muren. En de belangrijkste steen, die het hele gebouw op zijn plaats houdt, dat is Jezus Christus. Hij zorgt ervoor dat de kerk groeit. En dat God zelf in de kerk aanwezig is door de heilige Geest.´)

God maakte zijn Woord rechtsreeks door openbaringen aan de apostelen (en profeten) bekend. Apostelen (evenals profeten) zijn er niet meer, het fundament is namelijk gelegd. Nu zetten evangelisten, herders en leraren hun werk voort. De christenen zijn de stenen die God gebruikt om een geestelijk huis te bouwen.

In de christelijke traditie worden de twaalf apostelen als de grondleggers van de kerk beschouwd. De leer van de kerk zou dan ook conform de leer van de apostelen zijn. In de Rooms-Katholieke Kerk wordt ook verwezen naar een bevoegdheidsoverdracht die zou hebben plaatsgevonden door de apostel Petrus aan de bisschop van Rome. Deze ontleent zijn gezag dus aan de veronderstelde apostolische successie. In de Orthodoxe Kerk en in de kerken van de Reformatie ziet men dit anders.
De Orthodoxe Kerk kent naast de twaalf apostelen ook nog grote betekenis toe aan de ‘zeventig apostelen’. Hiermee wordt onder meer verwezen naar het feit dat de evangelist Lucas naast de uitzending van de Twaalf, ook spreekt van een gelijksoortige uitzending van zeventig of 72 andere volgelingen. In de kerkelijke traditie heeft men ook deze personen proberen te identificeren. Naast de bovengenoemde personen die in het Nieuwe Testament ook apostel worden genoemd, komen op die lijst veel namen voor die afkomstig zijn uit Handelingen of de Brieven.

Bronnen: http://nl.wikipedia.org/wiki/Apostel, https://www.debijbel.nl/onderwerpen/s/apostel/167http://www.bijbelengeloof.com/index.php?option=com_content&view=article&id=102:apostelen&catid=61:de-gemeente-van-jezus-christus&Itemid=87.
 
 
Profeten en profetieën

Binnen de charismatische beweging heerst de overtuiging dat ‘profeteren’ een gave is die verkregen kan worden door alle gelovigen die de ‘doop met de heilige Geest’ ontvangen hebben. Op de in 1997 Steve-Shultz2-100px-2013door de Amerikaanse ‘profeet’ Steve Shultz (foto rechts) gestarte site ‘The Elijah List’ (naar de naam van de Oudtestamentische profeet Elia) staan dagelijks uitspraken van Amerikaanse ‘profeten’ binnen de profetische beweging. De pagina bevat koppelingen naar hun sites en eind 2013 bestond het abonneebestand uit meer dan 135.000 personen. De site wordt gerund vanuit Albany (Oregon, VS) en is een belangrijk, zo niet het belangrijkste, platform geworden voor veel charismatische ‘profetische’ ministries in de VS.

‘Profetie’ in de bijbel houdt in dat God een boodschap aan mensen doorgeeft via iemand die hij uitgekozen heeft, meestal een profeet. Die boodschap kan gaan over iets wat in de toekomst gaat gebeuren, maar het kan ook gaan om een waarschuwing, een oordeel of troostende woorden.
De bijbel noemt verschillende manieren waarop God een boodschap door kan geven: via een orakel*, in een visioen (een bovennatuurlijke visuele ervaring) of in een droom tijdens iemands slaap.

* Een orakel is in de bijbel een goddelijke mededeling waaruit de mens de wil van God leert kennen. Men kon een orakel krijgen in een droom, via orakelstenen die door de hogepriester gebruikt werden, via een profeet die het orakel van God ontving en via een waarzegger (maar dit laatste was verboden, Deut. 18:14). In de Tenach (het OT) komen twee uitdrukkingen voor die verband houden met orakels. Ze worden gebruikt in profetische teksten als vaste formuleringen die een goddelijke boodschap inleiden of afsluiten: ‘Neʾoem jhwh’: ‘aankondiging van de Heer’; in de NBV meestal vertaald met ‘(zo) spreekt de Heer’. ‘Masaʾ’: ‘uitspraak’; in de NBV vertaald met ‘profetie’ of ‘godsspraak’.

In het Oude Testament is een profeet iemand die een boodschap van God doorgeeft aan de mensen. Het woord ‘profeet’ is een vertaling van de Hebreeuwse term naviʾ. Dat is de meest gebruikelijke aanduiding voor profeten in het Oude Testament. Er zijn nog twee andere benamingen voor personen met eenzelfde soort bezigheid als profeten: Ziener (chozè of roʾè) en Godsman (ʾisj ʾelohim).
Goddelijke inspiratie was de enige voorwaarde om als profeet te kunnen optreden. De achtergrond van profeten was dan ook heel verschillend. Zo zijn er in de bijbel voorbeelden te vinden van profeten die van beroep schaapherder, priester, boer of schrijver waren. In de Pentateuch (de Tora, de vijf boeken van Mozes: Genesis tot en met Deuteronomium) staan voorschriften voor profetie (onder andere in Deuteronomium 13:2-6).
Op grond van de periode waarin ze optraden, worden de profeten vaak ingedeeld in twee groepen:

  • Vroege profeten: de profeten die voorkomen in de eerste zeven historische boeken van de bijbel (Jozua tot en met 2 Koningen). De ‘vroege profeten’ traden op toen profetie in Israël waarschijnlijk nog maar net in opkomst was (Samuel, Elia).
  • Late profeten: de profeten naar wie een profetisch boek vernoemd is. Deze groep kan onderverdeeld worden in ‘Klassieke profeten’ (profeten die leefden vóór de Babylonische ballingschap* toen Israël een monarchie was; achtste en zevende eeuw v.Chr.) en ‘Post-exilische profeten’ (profeten die leefden na de Babylonische ballingschap; ‘post’ betekent ‘na’).

* De inwoners van Juda en Israël zijn meerdere keren in ballingschap gevoerd naar andere landen. Op deze manier zorgde een overheersende macht ervoor dat een land ontwricht raakte en niet gemakkelijk in opstand kon komen. De bekendste (derde) ballingschap is de Babylonische ballingschap. Deze is in twee fasen in te delen. De eerste wegvoering begon in 597 voor Christus. Dit liep over in de Babylonische ballingschap van 586 tot 538 voor Christus. Als er gesproken wordt over ‘de Babylonische ballingschap’, wordt altijd deze tweede periode bedoeld.

In het Nieuwe Testament en in het vroege christendom was een profeet iemand die een boodschap ontving van God, Jezus of de heilige Geest, en die deze boodschap doorgaf aan anderen. De eerste profeet die in het Nieuwe Testament beschreven wordt, is Johannes de Doper. Alle vier de evangeliën schilderen ook Jezus af als een profeet. Vooral Lucas legt nadruk op het profeetschap van Jezus. Voor hem is Jezus de profeet die al lang geleden door de Schrift beloofd is (Handelingen 3:22-23).
In de vroege kerk was profetie een wijdverbreid verschijnsel. Er waren verschillende vormen van profetie, maar een aantal kenmerken komt steeds terug:

  • De omgeving waarin profeten optraden, was de gemeente waar ze bij hoorden. Het doel van profetie was het opbouwen van de kerk, niet van individuele leden.
  • Hoewel men ervan overtuigd was dat de hele kerk de heilige Geest ontvangen had (zie bijvoorbeeld Handelingen 2:17-18), werd niet iedereen in de kerk gezien als profeet. Er was meestal een specifieke groep leden die profeteerden en als profeten erkend werden. Maar de scheidslijn tussen deze profeten en de andere leden was niet scherp. De kerk als geheel had dan ook de plicht om de profeten kritisch te toetsen (Openbaring 2:2).
  • Profeten sloten in hun boodschap vaak aan bij de traditie: bij bestaande bijbelteksten of christelijke overleveringen.
  • Profeten noemden hun openbaringen soms uitspraken van Jezus.

De apostel Paulus zag profetie als één van de belangrijkste gaven van de heilige Geest (zie onder andere 1 Korintiërs 12:8-11). Profetie was volgens hem een directe openbaring van God, die bedoeld was om de kerk op te bouwen. In Romeinen 12:6 en 1 Kor. 12:10 spreekt Paulus over profetie. Het Griekse woord hier gebruikt is prophéteia. Thayer’s Greek Lexicon stelt over het gebruik van ‘profetie’ in deze twee verzen: ‘Gebruikt … met betrekking tot de gave en prediking van de christelijke leraren genoemd profetie’. (‘Used … of the endowment and speech of the Christian teachers called προφῆται.’  Bron)
Waarschijnlijk beschouwde Paulus zichzelf ook als een profeet, ook al noemt hij zich niet zo. In 1 Korintiërs 14:32-33 schrijft Paulus: ‘En wie profeteert heeft macht over zijn geest, want God is niet een God van wanorde maar van vrede*.’ Dus geen profetie onder extase.
Het duidelijkste voorbeeld van christelijke profetie is het boek Openbaring. Het boek als geheel wordt gepresenteerd als een openbaring (goddelijke onthulling) van Jezus Christus, doorgegeven door zijn dienaar Johannes (Openbaring 1:1).

* In de bijbel betekent vrede: de heelheid van een groep mensen of van een persoon. Zo houdt vrede in dat er geen strijd is tussen volken, en tussen familieleden of gelovigen onderling. Veiligheid, welvaart en gezondheid horen bij een leven in vrede, net als een rustige, vredige dood. Vrede is ook: leven in vrede met God. Dat betekent gehoorzaam zijn aan God en vertrouwen op hem. In het Nieuwe Testament brengt Jezus vrede tussen God en mensen (Romeinen 5:1). Zijn vrede is ook een steun voor zijn leerlingen bij hun werk in de wereld (Johannes 16:33). De vrede van God of Jezus staat tegenover innerlijke onrust en zorgen . De vrede die God geeft is één van de vruchten van de heilige Geest (Galaten 5:22). God wordt ‘de God van de vrede’ genoemd (Romeinen 15:33). Zijn vrede kun je als zegen ontvangen.

Profeten kregen het Woord van God rechtstreeks geopenbaard en gaven dat Woord door. In Deut. 18:21-22 lezen we: ‘Misschien vraagt u zich af: Is er een manier om te bepalen of een profetie al dan niet van de HEER komt? Die is er inderdaad: als een profeet zegt te spreken in de naam van de HEER, maar zijn woorden komen niet uit en er gebeurt niets, dan is dat geen profetie van de HEER geweest. Heb geen ontzag voor een profeet die zich dat aanmatigt.’ Kortom: alles wat een profeet zegt, gebeurt! Gods Woord is het profetische Woord en komt honderd procent uit!
Toch kennen we enkele voorbeelden van profetie in de bijbel, waarin de voorspelling niet uitkwam omdat de profetie het gewenste effect had, namelijk de radicale ommekeer van een Godloze weg. Toen Micha profeteerde dat Jeruzalem geploegd zou worden als een veld en tot een ruïne zou vervallen, leidde dit tot de bekering van koning Hizkia. Het gevolg hiervan was dat God het oordeel dat hij van plan was, weerhield (Micha 3:12, Jer. 26:7-19).
Het bijbelboek Jona is in zijn geheel gewijd aan hoe God profetie wil gebruiken. Toen Jona had geprofeteerd dat de stad Ninevé verwoest zou worden door Gods oordeel, bekeerden de inwoners zich. De reactie van Jona en de les die God hem leert, zeggen ons dat profetie nooit een doel op zichzelf is; om de toekomst te voorspellen. Oordeelsprofetie geeft wel een ultimatum, maar geen ultimum.

Valse profeten

Alle profetieën van een profeet moeten uitkomen. Hieraan kun je zien of iemand een ware of valse profeet is. In charismatische kringen worden vele profetische voorspellingen gedaan. In de praktijk blijken deze, op wellicht een uitzondering na, niet uit te komen. ‘Heb geen ontzag voor een profeet die zich dat aanmatigt.’  (Deut. 18:22)

In Deuteronomium 13:2-4 lezen we: ‘Wanneer een profeet of een droomuitlegger uit uw midden een teken of wonder voorspelt, dat vervolgens uitkomt, en hij verbindt daaraan een oproep om andere, u onbekende goden te volgen en te dienen – luister dan niet naar wat hij zegt. Want de HEER, uw God, wil u daarmee op de proef stellen, om te ontdekken of u hem wel met hart en ziel liefhebt.’ 
De test zit hier in de boodschap van de profeet (na het uitkomen van zijn voorspelling). Leidt deze in het volgen van God? Jezus waarschuwde ons dat er ‘valse messiassen en valse profeten’ zullen komen die zullen proberen om gelovigen te misleiden (Matteüs 24:23-27; zie ook 2 Petrus 3:3, Judas 17-18, 1 Joh. 4:1 en 1 Tim. 4:1).

Eigenlijk hoeft het voor ons niet eens een vraag te zijn of we te maken hebben met een profeet of niet. Want er staat geschreven: ‘…gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, met Christus Jezus zelf als de hoeksteen.’ (Efeze 2:20) Net als de apostelen behoren ook de profeten tot het fundament van de gemeente en dus ook tot de beginperiode van de kerk. En dat houdt simpelweg in dat er vandaag de dag geen profeten meer zijn, evenals apostelen.

Charismatische profetie en ‘woord van kennis’

Hoewel ‘profetie’ in de bijbel inhoudt dat God een boodschap aan mensen doorgeeft via iemand die hij heeft uitgekozen, heeft het begrip in charismatische kring een eigen invulling gekregen. Dikwijls gaat het om een soort ‘ik-boodschappen’ die iemand zegt namens God te spreken, hetzij in persoonlijke begeleiding, hetzij in een (gebeds)samenkomst. Het kan ook een aansporing zijn of het citeren van een Schriftwoord, dat in een bepaalde context wel een heel eigen en zelfs verbazend persoonlijke en concrete klank kan krijgen voor degene voor wie de boodschap bestemd is, zonder dat degene die de boodschap ‘vertolkt’ op de hoogte is van datgene waarover het gaat.
Het ‘woord van kennis’ lijkt hier een verdere ontwikkeling van te zijn en betreft blijkbaar soms heel concrete boodschappen over dingen die de ontvanger van de boodschappen (dit is degene die ze uitspreekt) niet kan weten. Hoe ontstaan zulke boodschappen? Hoort de ontvanger iets? Blijkbaar gebeurt het meer via intuïtieve weg. Het vraagt van degene die er voor open staat om zulke boodschappen door te geven, heel veel vertrouwen en nederigheid; je kan er eventueel ook glad naast zitten! [1]
Maar een boodschap waar je eventueel ook glad naast kunt zitten is geen profetie.
Bovenstaande methode (manier om een bepaald doel te bereiken) is een mystieke methode. Uit Jezus’ antwoord in Johannes 14:9 blijkt dat hij niets moet hebben van het door mensen opzoeken en stimuleren van mystieke ervaringen (zie Johannes 14:8-11, uitleg in 10.3. ‘Passieve houding’).
Bovendien is de definitie die de beweging aan het ‘woord van kennis’ heeft gegeven – ‘een woord van God voor iemand anders ontvangen’ – niet de juiste. Dit wordt vooral duidelijk in de NBV-vertaling: ‘het overdragen van kennis’ (1 Kor. 12:8). Heeft dus te maken met onderricht, evenals het ‘woord van wijsheid’ (HSV, 1 Kor. 12:8, NBV: ‘het verkondigen van wijsheid’).

Uit een zendingsreisverslag (Brazilië) van eerstejaars studenten van trainingsschool voor kinderwerkers ‘De Katapult’, Den Helder (bron):
8 mei 2014: afscheid en verhuizen: ‘Vandaag moesten we afscheid nemen van de mensen van het huis waar we de afgelopen dagen geslapen hebben. Tijdens de sharing hebben we voor elke medewerker een brief geschreven met woorden, bemoedigingen, profetieën, en dergelijke. In de keuken hing een rooster met namen en activiteiten. Deze werd gebruikt om niemand te vergeten. Er stond één naam op de lijst die niemand kende, maar om niemand voor het hoofd te stoten of te vergeten, werd ook deze naam op een blaadje gezet. Alle briefjes werden gegeven bij het afscheid in een goodiebag, dus er werd verder niet meer aan gedacht. Totdat we in het nieuwe huis het rooster voor aankomende week zagen. Op de vrije dag stond die naam weer. Sommigen (…) waren enthousiast dat we deze persoon nu dan toch echt gingen ontmoeten. Anderen realiseerden zich dat het geen naam was, maar het Portugees voor een ‘vrije dag’. We hebben dus vanmorgen geprofeteerd over een vrije dag. Hahaha.’ 

Bronnen: http://nl.wikipedia.org/wiki/Profeet, http://www.bijbelengeloof.com/index.php?option=com_content&view=article&id=106:profeten&catid=61:de-gemeente-van-jezus-christus&Itemid=87, https://www.debijbel.nl/onderwerpen/s/profetie/1030http://www.apologetique.org/nl/artikelen/religie/Christ_theologie/dogmatiek/eschatologie/TWM_heeft_lindsey_gelijk.htm, http://www.gotquestions.org/Nederlands/valse-leermeester.html, [1] http://www.stucom.nl/document/0263.pdf, pagina 4-6
 

Bijzondere openbaringen

Een bijzondere openbaring is hoe God zichzelf op een bovennatuurlijke manier kenbaar maakt. De bijbel vermeldt hoe God tegen de mens spreekt in dromen (Genesis 28:12, 37:5; 1 Koningen 3:5; Daniel 2) en visioenen (Genesis 15:1; Ezechiël 8:3-4; Daniël 7:2; 2 Korintiërs 12:1-7).
God gebruikte in de vroege dagen van het christendom bijzondere openbaringen om zijn waarheid aan mensen over te brengen (zie het boek Handelingen). De belangrijkste waarheid is dat als God een openbaring zou geven, deze volledig in overeenstemming zou zijn met wat hij reeds in de bijbel aan ons heeft geopenbaard.

De charismatische beweging gelooft in tegenwoordige bijzondere openbaringen van God op een regelmatige basis. Geeft God mensen tegenwoordig nog bijzondere openbaringen? Mogelijk. Kunnen we verwachten dat bijzondere openbaringen een alledaagse gebeurtenis zijn? Nee. Maar op basis van de bijbel kunnen we de mogelijkheid dat God tegenwoordig via openbaringen zou spreken niet helemaal uitsluiten, hoewel dit hoogst onwaarschijnlijk is.

Als jij denkt dat je een bijzondere openbaring hebt gehad (bijvoorbeeld een visioen, een droom of een ‘kleine stille stem’) en denkt dat dit misschien van God afkomstig was, bidt er dan over en onderzoek het, want alles wat God zegt zal volledig in overeenstemming zijn met wat hij al in de bijbel heeft geopenbaard. Als dat zo is, bidt en overpeins het dan om vast te stellen welke daden God van je verlangt als reactie op dit (Jakobus 1:5). God zou een mens nooit een visioen of droom geven en dan de betekenis hiervan verborgen houden. Steeds wanneer iemand in de bijbel met een visioen of droom van God te maken had, zorgde God er voor dat de betekenis van dat visioen of die droom duidelijk werd uitgelegd (zie Genesis 40:5-11,  Daniël 2:45,  4:19 en 8:15-17). Wanneer God tot ons spreekt, zorgt hij er voor dat zijn boodschap duidelijk begrepen wordt.

Bronnen: http://www.gotquestions.org/Nederlands/Christelijke-visioenen.html, http://www.gotquestions.org/Nederlands/Christelijke-interpretatie-dromen.html, http://www.gotquestions.org/Nederlands/algemene-bijzondere-openbaring.html.
 
 

Hedendaagse krachtevangelisatie naar aanleiding van Marcus 16:17-18 (11)

Schoenen
 
De leer van hedendaagse krachtevangelisatie door wonderen en tekenen is afkomstig van John Wimber (zie hoofdstuk 5), tot zijn dood in 1997 één van de prominentste figuren binnen de neo-charismatische beweging. Op basis van Marcus 16:17-18 meende Wimber dat elke christen heden ten dage de in deze twee verzen genoemde wonderen en tekenen zou kunnen verrichten. Dit zou in het evangeliseren een essentieel element zijn en hij was ervan overtuigd dat wanneer de kracht van het evangelie bewezen werd door deze wonderen en tekenen, mensen tot geloof zouden komen (slangen oppakken en iets dodelijks drinken werden door hem afgeraden). Wimber baseerde dit op het feit dat hij meende dat ‘hen die geloofd zullen hebben’ betrekking heeft op alle christenen toen en nu.

Marcus 16:17-18 (HSV): ‘En hen die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: in Mijn naam zullen zij demonen uitdrijven; in vreemde talen zullen zij spreken; (18) slangen zullen zij oppakken; en als zij iets dodelijks zullen drinken zal het hen beslist niet schaden; op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen gezond worden.’

John Richard Wimber
John Richard Wimber

N.B. Wimber was van mening dat de ‘doop met de heilige Geest’ plaatsvindt bij de wedergeboorte en geen tweede ervaring is. Hij meende dat omdat je bij de wedergeboorte de heilige Geest ontvangt, en daarmee de bron van alle gaven, een gelovige daarmee ook de kracht zou hebben ontvangen om elke* gave van de Geest te kunnen manifesteren. Daarbij meende hij dat de tongentaal niet hét maar een kenmerk is van de ‘doop’, naast genezing door handoplegging en uitdrijving van demonen. Wimber meende echter dat het ervaringsgerichte aspect van de ‘doop’ (bijvoorbeeld het spreken in tongen) zich eventueel pas later kon voordoen. Hij stelde dat als zich dit pas later voordeed, men dit ten onrechte betitelde als ‘de doop’.
(* Hoewel de apostel Paulus in 1 Korintiërs 12:29-30 dit duidelijk tegenspreekt.)

Naast de tekst uit Marcus 16 gebruikt de moderne beweging als belangrijkste onderbouwing van deze leer Matteüs 10:7-8:
En als u op weg gaat, predik dan: Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. Genees zieken, reinig melaatsen, wek doden op, drijf demonen uit. U hebt het voor niets ontvangen, geef het voor niets.’ (HSV)
Op basis van Marcus 16:17-18 en Matteüs 10:7-8 leren de neo-charismatische leraren dat alle gelovigen die de ‘doop’ hebben ontvangen tegenwoordig demonen kunnen en mogen uitdrijven, tongentaal kunnen beoefenen en genezingen kunnen verrichten. Sommigen beweren zelfs dat doden opgewekt kunnen worden.

Om deze leer van krachtevangelisatie te behandelen moeten we ingaan op het begrip ‘koninkrijk van God’, de evangelieverkondiging door de twaalf apostelen en Paulus, het doel van wonderen en hun plaats in de Joodse geschiedenis, en de achtergrond van bepaalde bijbelteksten. Dit verband is belangrijk om te concluderen of Wimbers leer van hedendaagse krachtevangelisatie bestaansrecht heeft.
 

In eerste instantie aan de Joden

Jezus en zijn leerlingen (discipelen) verkondigden het evangelie (de goede boodschap van het reddende ingrijpen van God) in eerste instantie aan de Joden. Dit maakt bijvoorbeeld de tekst in Marcus 7:24-30 duidelijk:
(26) ‘Deze vrouw was van Syro-Fenicische afkomst en geen Jodin; ze smeekte hem om bij haar dochter de demon uit te drijven. (27) Hij zei tegen haar: “Eerst moeten de kinderen genoeg te eten krijgen; het is niet goed om de kinderen hun brood af te pakken en het aan de honden te voeren.” (28) De vrouw antwoordde: “Heer, de honden onder de tafel eten toch de kruimels op die de kinderen laten vallen.” (29) Hij zei tegen haar: “Dat hebt u goed gezegd. Ga naar huis, de demon heeft uw dochter al verlaten.”‘ 
Het Nieuwe Testament vertelt dat Jezus’ optreden in de eerste plaats gericht was op de Joden, maar dat zijn boodschap van redding in tweede instantie voor alle mensen bedoeld is. In de evangeliën lezen we dat Jezus zelf zich af en toe tot heidenen richtte. Op die manier wordt duidelijk dat de tweede fase, waarin de boodschap van redding voor iedereen is, zijn basis al had in het optreden van Jezus. Marcus 7:24-30 is hiervan een voorbeeld. En bovendien een bijzonder voorbeeld. Want de dialoog tussen Jezus en de vrouw (vers 27-29) legt uit hoe men dit voorbeeld dient te begrijpen. Nu nog worden de heidenen vergeleken met honden (dat is anders in de tweede fase, als Joden en heidenen samen als kinderen bij God aan tafel zitten), maar nu al zijn de kruimels voor hen. Zo wijzen deze vrouw en haar dochter vooruit naar alle heidenen, want de boodschap van redding en heil is uiteindelijk voor iedereen [10]:
‘De tijd is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij: kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws.’ (Marcus 1:15)
‘Vanaf dat moment begon Jezus zijn verkondiging. “Kom tot inkeer,” zei hij, “want het koninkrijk van de hemel is nabij,”’ (Matteüs 4:17).

Jezus bezat meerdere discipelen, maar er is een duidelijk aparte groep van twaalf leerlingen (de apostelen) die een speciale opdracht hebben. Maar zelfs deze bevoorrechte leerlingen moeten een lang leerproces doorlopen. Volgens het evangelie van Matteüs mogen ze pas aan het einde van dit evangelie Jezus’ onderricht doorgeven aan alle volken (Matteüs 28:16-20).
Jezus heeft in de jaren waarin hij predikend rondtrok, herhaaldelijk laten blijken dat het hem in eerste instantie ging om de kinderen van Israël. De Grieken en Romeinen liet hij links liggen. Zelfs de Samaritanen, die wat hun geloof betreft de Joden toch nabij waren. [8, pagina 185] Jezus begon zijn verkondiging in Galilea, maar er zijn weinig verhalen uit het begin over contacten met vreemdelingen of Romeinse functionarissen. Slechts een enkele keer kwam hij buiten het gebied voor een uitstapje naar de Decapolis of Tyrus en Sidon. Zijn wereld was die van de synagoge en de Galilese Joden. In het Johannes-evangelie bezoekt Jezus Jeruzalem diverse keren, meestal tijdens Joodse feestdagen. De andere evangeliën noemen slechts één reis naar Jeruzalem – die fataal zou aflopen. [9, pagina 424]
Natuurlijk stuitte Jezus geregeld op niet-Joden, maar hij was erg terughoudend als het om heidenen gaat. Wanneer hij zijn leerlingen eropuit stuurt geeft hij hun de opdracht uit Matteüs 10:5-7 mee [8, pagina 203]:
Deze twaalf zond Jezus uit, en hij gaf hun de volgende instructies: ‘Sla niet de weg naar de heidenen in en bezoek geen Samaritaanse stad. Ga liever op zoek naar de verloren schapen van het volk van Israël. Ga op weg en verkondig: “Het koninkrijk van de hemel is nabij.”’

Jezus verkondigde de nabijheid van het koninkrijk van God. Maar wat wordt hiermee bedoeld?

kroonHet begrip ‘koninkrijk van God’

Het koninkrijk van God was een belangrijk concept in het Jodendom. Het begrip heeft duidelijke wortels in het Oude Testament. De Joden dachten dat God het koninkrijk van Israël, het ‘Twaalfstammenrijk’ dat in 922 v.Chr. uiteengevallen was, zou herstellen door middel van een ‘messias’. Deze zou een einde maken aan de Romeinse overheersing en van geheel Israël weer een koninkrijk maken. De leerlingen van Jezus en het volk dachten dat Jezus misschien deze messias* was. Jezus sprak echter niet over het koninkrijk van Israël, maar over een ander koninkrijk: het koninkrijk van God. De evangeliën (Nieuwe Testament) beschrijven dat Jezus dit koninkrijk afkondigde als iets dat op het punt stond te gebeuren, en niet slechts toekomstige werkelijkheid was. In zijn Bergrede geeft Jezus een uitvoerige beschrijving van het koninkrijk van God.

* Twee gebeurtenissen kunnen daarbij een belangrijke rol gespeeld hebben: de intocht in Jeruzalem en de reiniging van de tempel (Matteüs 21:1-17). Uiteindelijk voldoet Jezus niet aan de bestaande Joodse verwachtingen over de messias. Jezus was welliswaar ‘de gezalfde verlosser’, maar hij verlost (een gelovige) van zonde door zijn dood aan het kruis. Voor Jezus betekende ‘messias’ dat de mensen Jezus nodig hebben om in het reine met God te komen.
‘Messias’ is afgeleid van het Hebreeuwse woord ‘masjiach’. Het betekent gezalfde en de Griekse weergave is ‘christos’, in het Nederlands bekend als ‘Christus’. In het Nieuwe Testament krijgt Jezus deze titel. In de vroegchristelijke en Griekssprekende gemeente werd Christus ook als eigennaam van Jezus gebruikt, en dat gebeurt nog steeds. Hoewel Jezus uiteindelijk niet voldeed aan de bestaande Joodse verwachtingen over de messias, blijven zijn volgelingen geloven dat hij de messias is. Het geloof in zijn opstanding was daar de oorzaak van. Het leven en sterven van Jezus, en zijn opstanding, werd gezien als een vervulling van oude verwachtingen. En vanuit dat geloof werd heel het leven en werk van Jezus als messiaans bestempeld.
Het van Christus afgeleide ‘christenen’ wordt een aanduiding voor de navolgers van Jezus. Volgens het boek Handelingen wordt deze naam voor het eerst gebruikt halverwege de eerste eeuw na Christus. 

Jezus (afgeleid van het Hebreeuwse ‘Jesjoea’, een afkorting van ‘Jehosjoea’: ‘de Heer is redding’) wordt herhaaldelijk gevraagd om uitleg wat het koninkrijk van God precies inhoudt. Er komt echter steeds een antwoord in de vorm van een gelijkenis (zie bijvoorbeeld Matteüs 13). Nadat Jezus was opgestaan uit de dood, vroegen de discipelen aan hem of dit het moment was dat hij voor Israël het koninkrijk zou herstellen. Hierop antwoordde hij dat het hen niet toekomt te weten wanneer dit zal gebeuren (Handelingen 1:6-7). Hierna onderwees hij de discipelen over het koninkrijk van God.

Het koninkrijk van God is een vertaling van het Griekse ‘basileia tou theou’ en het wijst op de macht van God in het heden en de toekomst. Het begrip speelt een belangrijke rol in het onderwijs van Jezus: Het koninkrijk van God is nabij! Het komt. En het is er al een beetje…
Als Jezus over het koninkrijk van God sprak, verwees hij naar de wijze waarop God dingen deed – een toestand die overal kon ontstaan als mensen Gods normen en waarden overnamen. Daarom kon hij zeggen: ‘Het koninkrijk Gods is onder u…’ Maar om dingen naar Gods wijze te doen, moesten mensen hun eigen afhankelijkheid van God erkennen. Binnengaan van het koninkrijk begon met God te vertrouwen, zoals kinderen hun ouders vertrouwen.
Het koninkrijk begint bij Jezus, zie onder andere Matteüs 12:28: ‘Maar als ik door de Geest van God demonen uitdrijf, dan is het koninkrijk van God bij jullie gekomen.’ Jezus’ wonderen en genezingen zijn een teken van het koninkrijk (Matteüs 11:2-6, Marcus 3:27), maar ook zijn vergeving van zonden is een teken van het aanbreken van Gods koninkrijk. Een ander belangrijk teken van dit koninkrijk is Jezus’ aandacht voor mensen die aan de rand van de samenleving staan. Hij stelt armen, zieken en mensen met een zware handicap centraal, maar ook mensen die schuld op zich geladen hebben, zoals tollenaars en prostituees.
Jezus waarschuwt echter de rijken en de mensen die tevreden zijn met zichzelf: als Gods koninkrijk komt zal over hen een oordeel uitgesproken worden (Lucas 6:20-26). Niet voor niets hield Jezus zijn toehoorders geregeld voor barmhartig te zijn als God, want ‘met de maat waarmee u meet, zult u gemeten worden’ (Lucas 6:36-38). Die combinatie van liefde tot God en tot de naaste, vormde de kern van zijn betoog voor een nieuwe wereld: het koninkrijk van God.

Marcus en Matteüs spreken over de snelle komst van het koninkrijk van God. Maar de uitspraken van Jezus over de komst van het koninkrijk roepen vroeg in de kerkgeschiedenis vragen op. Bij Lucas en Johannes is er al nauwelijks of geen aandacht meer voor het moment waarop het koninkrijk zal aanbreken.
In het evangelie van Matteüs zijn vergelijkbare uitspraken te vinden als in Marcus. In plaats van ‘koninkrijk van God’ gebruikt Matteüs in zijn evangelie vaak ‘koninkrijk van de hemel’, net zoals de joods-rabbijnse traditie. Waarschijnlijk werden beide termen gebruikt in de kerk, maar was de laatste in de (joods-christelijke) gemeente van Matteüs gewoner, omdat de Joden het directe gebruik van de naam van God (Hebreeuws: JHWH) vermeden. Er lijkt geen groot verschil in betekenis te zijn.
Op een vergelijkbare manier als in Lucas, komt de verwachting van het koninkrijk voor in het Evangelie van Thomas (link Wikipedia) dat niet in het Nieuwe Testament is opgenomen. Het koninkrijk van God ligt niet in de (nabije) toekomst, maar is al onder ons: ‘Het [koninkrijk] komt niet door ernaar uit te kijken. Men zal niet zeggen: kijk, hier is het, of: kijk, daar is het. Maar het koninkrijk van de Vader is over de aarde verspreid en de mensen zien het niet.’ (Thomas 113, vergelijk Lucas 17:20-21)
De evangelist Johannes had een heel eigen visie op de prediking en betekenis van Jezus. Hij spreekt met geen woord over de nabijheid van het koninkrijk van God. Tweemaal komt de term voor, beide malen in het gesprek tussen Jezus en Nikodemus. Beide uitspraken onderstrepen dat het koninkrijk al aanwezig is. Het is te zien en men kan er binnengaan:
‘Waarachtig, ik verzeker u: alleen wie opnieuw wordt geboren, kan het koninkrijk van God zien.’ (Johannes 3:3)
‘Waarachtig, ik verzeker u: niemand kan het koninkrijk van God binnengaan, tenzij hij geboren wordt uit water en geest.’ (Johannes. 3:5).

Na Pinksteren (waar de belofte van de heilige Geest ingelost wordt, Handelingen 2) verkondigen de apostelen Jezus’ dood aan het kruis voor onze zonden, Jezus’ opstanding en het koninkrijk van God; ook aan de heidenen (dit begon met de prediking van de apostel Petrus in het huis van de Romein Cornelius, Handelingen 10).

Verschil tussen ‘de Twaalf’ en Paulus

Wilde een niet-Jood (een heiden) tot het joodse geloof toetreden dan moest deze zich aan de joodse Wet (de Thora, de leer en instructies aan de Joden) gaan houden: men moest de joodse regels voor de sabbat, feesten, spijswettenbesnijdenis, enzovoorts volgen, en zich aan de bijbehorende gebeden en rituelen houden.  Zulke personen noemde men jodengenoten of proselieten.
De twaalf apostelen (‘de Twaalf’ of ‘de Twaalven’) predikten ‘geloven met navolging van de Wet’ wilde men toetreden tot het christelijke geloof (de leer van Jezus). Het geloof in Jezus Christus* en de  genade (goedheid) van God is wat een mens behoud, en het houden aan de Wet bewijst dat iemand gelooft.

* ‘dat Christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat, dat hij is begraven en op de derde dag is opgewekt, zoals in de Schriften staat’ (1 Kor. 15:3-4). Deze geloofsgetuigenis (geschreven door Paulus) werd ook door Petrus gedaan op Pinksteren (Handelingen 2:22-40).

jan_lievens_apostel_paulus
De apostel Paulus (schilderij van Jan Lievens)

Jezus en zijn eerste volgelingen waren Joden met het joodse geloof – en bleven dat. Dit feit is erg belangrijk voor het christelijk geloof, ook volgens de apostel Paulus. Maar Paulus benadrukte dat ook niet-Joden (die zich niet aan de Wet houden) voluit volgelingen van Jezus kunnen zijn.
Paulus – ook wel de ‘dertiende apostel’ genoemd – heeft deze boodschap van genade geopenbaard gekregen door Jezus zelf in de woestijn van Arabië (Gal. 1:11-12, 18 en 3:7-9). Het was een geheel nieuwe boodschap, namelijk dat God mensen niet als rechtvaardig* beschouwt omdat ze (ook) de Wet naleven, maar alleen omdat ze in Jezus Christus geloven. Daardoor kunnen ook heidenen, die zich niet aan de Wet houden, rechtvaardig worden (men noemt dit het Nieuwe Verbond**). Paulus noemt dit het evangelie van Christus (Galaten 1:7).

‘Behandel anderen dus steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen. Dat is het hart van de Wet en de Profeten.’ (Matteüs 7:12) In de Bergrede (Matteüs 5:17-20) houdt Jezus zijn volgelingen voor dat hij niet is gekomen om de Wet af te schaffen en de woorden van de profeten te negeren. Hij wil die juist ‘vervullen’. Er zal dan ook geen letter van de Wet worden veranderd. De naleving van de Wet was echter ‘een lege formule’ geworden. God was identiek geworden aan de Wet, en de vele interpretaties en correcties hadden God naar de achtergrond gedrongen.
Jezus riep op tot verandering en probeerde God terug te brengen in de harten van de mensen, waarbij ze zich niet moesten laten afleiden door beperkende bepalingen. Het lijkt erop dat Jezus zijn volgelingen erop wil wijzen dat de Wet geen absolute soevereiniteit mag hebben. Liefde, compassie en mededogen moesten leidraad in hun leven zijn. Het ging daarbij niet meer uitsluitend om heiligheid en reinheid. Jezus vraagt aan de mensen dus méér dan een naleving van de Wet. Hij vraagt een totale overgave aan de wil van God. [8, pagina 236-241]

De meeste Joden willen niet naar Paulus luisteren. Zij denken dat ze door God gered worden, omdat zij het volk van God zijn en zich zo goed mogelijk aan de Wet houden (Romeinen 3:21-31). Zij vinden daarom Paulus’ boodschap volstrekt verkeerd.
Voor Paulus was de Wet heilig, maar hij was ervan overtuigd dat mensen niet rechtvaardig* konden worden door zich hieraan te houden. De Wet leidt niet tot rechtvaardigheid, maar juist tot veroordeling, want niemand kan de Wet volledig en perfect naleven. Daarom bewijst de Wet hoe zondig de mens is (zie onder andere Galaten 3:19-24). Volgens Paulus vallen alle mensen, zowel joden als christenen, onder het oordeel van de zonde (Romeinen 1-3). Maar door de dood van Jezus Christus kunnen zondaars die in Jezus geloven, verzoend worden met God (Romeinen 5:17).

* Gerechtigheid (of rechtvaardigheid) is één van de belangrijkste bijbelse waarden, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament. In het Nieuwe Testament krijgt ‘gerechtigheid’ steeds meer de betekenis dat God gelovigen redt door de dood van Jezus Christus. 
** Volgens de christelijke kerk worden de beloften uit het Oude Testament (de Hebreeuwse Bijbel: de Tenach of Tanach, of ‘de Wet en de Profeten’, of ‘de Schriften’) vervuld in het Nieuwe Testament. Daarom wordt het tweede deel het ‘Nieuwe’ Testament genoemd. Maar in het Nieuwe Testament wordt het Oude Verbond met Israël niet opgeheven maar vernieuwd en uitgebreid. Daarom worden de twee delen van de bijbel ook wel het ‘Eerste Testament’ en het ‘Tweede Testament’ genoemd.
De aanduiding ‘Nieuwe Testament’ komt uit de vroege christelijke kerk. De nieuwe situatie die ontstaan was door de opkomst van de christelijke beweging, werd ‘het Nieuwe Verbond’ genoemd. Het Latijnse woord voor ‘verbond‘ is ‘testamentum’, en zo is de aanduiding Nieuwe Testament ontstaan.

Verschil in doelgroep: Joden en heidenen

Veertien jaar na zijn openbaring legt Paulus het evangelie van Christus, dat hij al die tijd buiten Israël verkondigde, voor aan de apostelen te Jeruzalem (Galaten 2:1-10). In Galaten 2:9 lezen we over de beslissing tijdens de concilie (kerkvergadering) van Jeruzalem (omstreeks 48) dat Paulus (en Barnabas) zich op de heidenen zal richten en de Twaalf op de Joden (‘de besnedenen’, vers 8-9). Paulus wordt dan ook wel de ‘apostel van de heidenen’ genoemd. Paulus zal echter tot zijn overlijden de christelijke boodschap verkondigen aan iedereen die wil luisteren, inclusief de Joodse gemeenschappen buiten Israël* (zie onder andere Handelingen 28:17-30).

Handelingen 21:18-20: De volgende dag ging Paulus met ons naar Jakobus, bij wie alle oudsten waren samengekomen. Nadat Paulus hen begroet had, vertelde hij tot in bijzonderheden wat God door zijn verkondigingswerk onder de heidenen tot stand had gebracht. Toen ze dat hoorden, prezen en eerden ze God en zeiden: ‘Je hebt kunnen zien, broeder, dat ook vele duizenden Joden het geloof hebben aanvaard, en allen leven vol overtuiging volgens de wet.’

* In de eerste eeuw leefden er door deportatie, vlucht en vrijwillige emigratie meer Joden buiten Palestina dan in het Heilige Land. De Assyriërs deporteerden de noordelijke stammen naar Medië, terwijl de Judeeërs naar Babylonië waren gebracht waar velen verkozen te blijven. Sommige Judeeërs waren naar Egypte gevlucht of naar landen elders in Noord-Afrika, op zoek naar een beter bestaan. De grootste gemeenschap bevond zich in Alexandrië (Egypte). Er waren ook grote Joodse gemeenschappen in Klein-Azië en in steden als Korinte. Ook in Rome bestond een gemeenschap. Jeruzalem was echter nog altijd het religieuze centrum van de joodse wereld. Van mannelijke Joden werd verwacht dat ze zoveel mogelijk meededen aan de grote pelgrimsfeesten. Vandaar dat we in Handelingen over de grote menigte lezen die zich voor Pinksteren heeft verzameld en die uit Joden en bekeerde niet-Joden uit alle windstreken bestaat. (Zie ook: https://nl.wikipedia.org/wiki/Joodse_diaspora.)

Diaspora_synagogues_in_Antiquity
Verspreiding van synagogen in de klassieke oudheid

Paulus en de Twaalf spreken elkaar niet tegen in hun onderricht. Petrus had in Handelingen 10 al de Romeinse officier Cornelius en zijn familie te Ceasarea gedoopt, wat aanvankelijk verontwaardiging opriep bij de gemeenteleden te Jeruzalem. Petrus wist hen er echter van te overtuigen dat besnijdenis en de naleving van de Wet geen voorwaarden waren voor de doop, wat impliceerde dat het christelijk geloof niet langer een verlengstuk was van het jodendom. Zo zegt Petrus bijvoorbeeld in Handelingen 15:10-11: ‘Waarom wilt u God dan trotseren door op de schouders van deze leerlingen [van Paulus] een juk te leggen dat onze voorouders noch wijzelf konden dragen [de Wet]? Nee, we geloven dat we alleen door de genade van de Heer Jezus gered kunnen worden*, op dezelfde wijze als zij.’ 

Paulus trekt wel fel van leer als Joodse christenen bepaalde christenen uit de heidenen vertellen dat zij zich moeten besnijden en onder de Wet moeten leven (Handelingen 15:1-2, Galaten 1:6-23). Paulus noemt dit een ‘ander evangelie’:
‘Het verbaast me dat u zich zo snel hebt afgewend van hem die u door de genade van Christus heeft geroepen en dat u zich tot een ander [‘heteron’] evangelie hebt gekeerd. Er is geen ander [‘allo’] evangelie, er zijn alleen maar mensen die u in verwarring brengen en het evangelie van Christus willen verdraaien.’ (Galaten 1:6-7) 
In dit vers hebben het Griekse ‘heteron’ en ‘allo’ betrekking op ‘niet van dezelfde aard’; iets met een ander karakter. Niet-Joden hadden geen enkele binding met het jodendom; ze waren volgelingen van Jezus, niet van de Wet van Mozes.

N.B. In sommige evangelische kringen wordt tegenwoordig het geluid gehoord dat men door middel van ‘werken’ (goede daden) de totale behoudenis kan ontvangen. Het onderricht door de Twaalf maakt echter duidelijk dat men hierop geen leer of doctrine mag baseren: gelovigen werden niet behouden door werken (op basis van de Wet), maar de werken bewezen dat zij geloof hadden. Ook Paulus onderwijst niet dat iemand behouden wordt op basis van daden, maar hij meent wel dat goede daden een gevolg zouden moeten zijn van een oprecht geloof. De ‘apostel van de heidenen’ schrijft in 1 Kor. 3:13-15 (BiGT): ‘Al ons werk zal later door God beoordeeld worden. Het zal getest worden, net zoals dingen die in het vuur getest worden. Stel dat iets gemaakt is van goud, zilver of edelstenen. Dan blijft het in het vuur bewaard, het verbrandt niet. Maar stel dat iets gemaakt is van hout, hooi of stro. Dan verbrandt het, er blijft niets van over. Net zo zal God al ons werk beoordelen. Iemand die zijn werk goed gedaan heeft, zal door God beloond worden. Maar iemand die zijn werk slecht gedaan heeft, zal gestraft worden. Hij wordt wel gered, maar als allerlaatste.’

Wonderen en tekenen voor de Joden

De verkondiging beschreven in de vier evangeliën (Nieuwe Testament) is in eerste instantie gericht op de Joden. Dit werd door Jezus zelf gedaan en door zijn leerlingen. Jezus die zieken genas, demonen verdreef en een nieuwe levensethiek onderwees worden geïnterpreteerd als een demonstratie van het koninkrijk. Naast dat de Joden toen over het koninkrijk konden ‘horen’, konden zij toen tevens het koninkrijk ‘zien’. De wonderen en tekenen beschreven in Matteüs 10:7-8 en Marcus 16:17-18 noemt men dan ook wel de ‘tekenen van het koninkrijk’.

Uittocht uit Egypte: het wonder van de splitsing van de zee.
Uittocht uit Egypte: het wonder van de splitsing van de zee.

In het hele Oude Testament komen we teksten tegen waarin God keer op keer tekenen gaf aan zijn volk Israël, omdat zij hem hierom vroegen. Dit was al zo tijdens de uittocht uit EgypteMozes kreeg van God drie tekenen voor de Joden dat hij gestuurd was door de Heer: de verandering van zijn staf in een slang en de verandering van zijn hand in die van een melaatse. ‘Maar zijn ze door geen van deze beide wonderen te overtuigen en blijven ze weigeren naar je te luisteren, dan moet je water uit de Nijl scheppen en dat over het land uitgieten; het water zal op het droge in bloed veranderen.’ (Exodus 4:9)
Ook in het Nieuwe Testament is dit niet anders, want het hele leven van Jezus werd gekenmerkt door de vele wonderen en tekenen die hij deed. Maar geen van zijn discipelen heeft ooit beweerd dat een wonder geloof in Christus voortbrengt (zie onder andere Matteüs 11:20 en Johannes 12:37). Wel genas Jezus velen ná het zien van hun geloof (zie bijvoorbeeld Matteüs 8:13; 9:2, 18-22 en 28-30).

Iets wat vaak over het hoofd wordt gezien in discussies over tekenen en wonderen, is de timing en de plaatsing ervan in de bijbel. In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht zagen de mensen in de bijbelse tijden lang niet altijd wonderen. In feite zijn de bijbelse wonderen in het algemeen gegroepeerd rond speciale gebeurtenissen in Gods handelen met de mensheid. Israëls verlossing uit Egypte en ingang naar het Beloofde Land werden vergezeld door vele wonderen, maar de wonderen verdwenen kort daarna. Tijdens de late jaren van het koninkrijk Israël, toen God op het punt stond zijn volk in ballingschap te plaatsen, liet hij een aantal van zijn profeten wonderen doen. Jezus deed wonderen, en in de vroege bediening van de apostelen deden zij wonderen. Maar buiten deze tijden zien we heel weinig wonderen of tekenen in de bijbel. De overgrote meerderheid van de mensen die in de bijbelse tijden woonden, zagen nooit tekenen en wonderen met hun eigen ogen. Ze moesten door het geloof leven in wat God reeds aan hen geopenbaard had.

In 1 Kor. 1:22-23 schrijft Paulus: ‘De Joden vragen om wonderen en de Grieken zoeken wijsheid, maar wij verkondigen een gekruisigde Christus, voor Joden aanstootgevend en voor heidenen dwaas.’ 
De wonderen en tekenen waren gericht op de Joden, zowel direct als indirect, en dan met name voor de ONgelovige Joden. Toch zijn er onder de heidenen ook wonderen en tekenen gebeurd, zoals uitingen van de Geest na bekering. Deze uitingen waren dan ook indirect ter teken aan de christelijke joden dat ook de heidenen direct toegelaten waren tot het christendom.
Paulus heeft ook wonderen verricht bij de heidenen. Hij omschrijft in 2 Kor. 12:12 deze als merktekenen van een apostel: ‘Alles wat een apostel tot een apostel maakt, heb ik u laten zien: elke volharding, alle tekenen en wonderen, elke kracht.’ Aan de tekenen van een apostel kon men de heerschappij (macht en gezag) van God zien: ‘de tekenen van het koninkrijk’. Hierdoor werd Paulus door God bevestigd in zijn autoriteit (gezag) van apostel, evenals de andere apostelen (zie bijvoorbeeld Hand. 2:43 en 5:12). Dit zijn echter geen gaven voor iedere gelovige, maar tekenen (verricht door de apostelen) voor de ONgelovigen! Zo werd Paulus op zijn reis naar Rome gebeten door een giftige slang*, maar leed geen nadelige gevolgen (Hand. 28:5).

* We moeten niet zoeken naar levensbedreigende handelingen als bewijs van ons geloof. Wimber waarschuwde ook voor het oppakken van slangen en het drinken van iets giftigs (naar aanleiding van Marcus 16:18). Toch zijn er gevallen bekend van personen die dit wel hebben gedaan; een aantal overleefde dit niet. We kunnen dan ook refereren naar Jezus’ verwijzing naar de Wet als antwoord op Satans verzoeking in de woestijn: ‘Maar Jezus antwoordde: ‘Er is gezegd: “Stel de Heer, uw God, niet op de proef.”’ (Lucas 4:12)

Dat de wonderen en tekenen bestemd waren voor de (ongelovige) Joden, maakt Paulus ook in Handelingen 28:25-28 duidelijk. Hij haalt hier een voorspelling van de profeet Jesaja aan tegen de joodse gemeente (dus binnen het joodse geloof) te Rome.
(23b) Van de ochtend tot de avond legde Paulus getuigenis af en sprak hij uitvoerig met hen over het koninkrijk van God, terwijl hij hen op grond van de Wet van Mozes en de Profeten voor Jezus probeerde te winnen. Sommigen lieten zich overtuigen door zijn woorden, maar anderen bleven ongelovig. (25) Ze werden het niet met elkaar eens en gingen uiteen, maar niet voordat Paulus nog een laatste woord had gesproken: ‘Volkomen terecht heeft de heilige Geest bij monde van de profeet Jesaja tegen uw voorouders gezegd: “Ga naar dat volk en zeg: ‘Jullie zullen goed luisteren maar niets begrijpen, en jullie zullen goed kijken maar geen inzicht hebben. Want het hart van dit volk is afgestompt, hun oren zijn doof en hun ogen houden zij geslotenMet hun ogen willen ze niets zien, met hun oren niets horen, met hun hart niets begrijpen. Want anders zouden ze tot inkeer komen en zou ik hen genezen.” [Jesaja 6:9-10] U moet dan ook weten dat God deze boodschap van redding al aan de heidenen bekendgemaakt heeft; zij zullen wel luisteren.’ (Hand. 28:23b-28)
Opmerkelijk: Paulus spreekt er níet over dat de heidenen zullen ‘zien’!

Deze voorspelling wordt ook in Johannes 12:37-50 aangehaald: ‘Ondanks de wondertekenen die hij [Jezus] voor hun ogen gedaan had, geloofden ze niet in hem. Zo gingen de woorden van de profeet Jesaja in vervulling, die zei: “Heer, wie heeft onze boodschap geloofd? Aan wie is de macht van de Heer geopenbaard?” Ze konden niet tot geloof komen, want Jesaja heeft ook gezegd: “Hij heeft hun ogen verblind en hun hart gesloten, anders zouden zij met hun ogen zien en met hun hart begrijpen, zij zouden zich omkeren en ik zou hen genezen.” Jesaja doelde op Jezus toen hij dit zei,…’ (Johannes 12:37-41a)

Beëindiging wonderen en tekenen

Triomfboo van Titus te Rome: krijgsbuit uit de tempel.
Triomfboog van Titus te Rome: krijgsbuit uit de tempel.

Ook na Jezus’ kruisiging en opstanding bekeerde het overgrote deel van het Joodse volk zich niet door de verkondiging door de apostelen tot het geloof in Christus.* Men verwierp Jezus’ boodschap en leer, en daarmee eindigden de wonderen en tekenen, want ‘de Joden vragen om wonderen’ (1 Kor. 1:22-23).
Uiteindelijk resulteerde alles in de verwoesting van Jeruzalem en de tempel in 70, want zo verging het ‘deze verdorven generatie’ (Matteüs 12:45, Handelingen 2:40). Israël onderging nu verwoesting, plundering en verstrooiing door de Joodse Oorlog (66-70).

Paulus zei heel duidelijk dat de heidenen zullen ‘luisteren’, maar hij noemt niet ‘zien’. Tegenwoordig zijn wonderen en tekenen dan ook niet meer aan de orde. Wij moeten geloven door ‘horen’ en niet door ‘zien’. Hiermee is natuurlijk niet gezegd dat God in zijn wijsheid dit niet meer (incidenteel) zal doen. Maar hierop kunnen en mogen we geen theologie funderen, zoals de leer van hedendaagse krachtevangelisatie. Het is bijvoorbeeld veelzeggend dat Petrus, Johannes en Judas (de discussie over de daadwerkelijke schrijvers daargelaten) waarschuwen voor valse wonderen en valse tekenen.

* In de boeken van het Nieuwe Testament wordt soms gezegd dat de boodschap van redding en heil naar de heidenen kwam, nadat – of zelfs omdat – de Joden die hadden afgewezen. Dat betekent trouwens niet dat God op zijn beurt de Joden had afgewezen; ook voor hen bleef hoop op redding bestaan (zie Rom. 11:25-32). Maar meestal wordt er een ander accent gelegd, bijvoorbeeld in Romeinen 1:16, waar Paulus (overleden kort voor de Joodse Oorlog) schrijft: ‘Voor dit evangelie schaam ik mij niet, want het is Gods reddende kracht voor allen die geloven, voor Joden in de eerste plaats, maar ook voor andere volken.’ Met andere woorden, de heidenen delen in tweede instantie mee in het voor de Joden bestemde heil. Marcus 7:24-30 sluit bijvoorbeeld hierbij aan. Het primaat ligt bij de redding van de Joden. Heidenen mogen daar pas in tweede instantie in delen. Maar het verhaal benadrukt dat ook heidenen een plaats hebben in de christelijke beweging, ook al is die van oorsprong Joods. Paulus is verdrietig, omdat de meeste Joden weigeren in Jezus Christus te geloven (Romeinen 9:1-3). Toch is hij ervan overtuigd dat ook het Joodse volk eens tot geloof zal komen en door God gered zal worden (Romeinen 11:21-31). [10]
 

In perspectief
We kunnen de vroege christenen in drie groepen verdelen: behoudende joden en hellenistische (Grieks sprekende) joden in Palestina en daarbuiten, en als derde groep de hellenen (niet-joden) in Palestina en daarbuiten. De eerste christelijke groepen bestonden bijna helemaal uit joden. Later werd de groep niet-joden in de christelijke gemeenschap groter. Tussen deze groepen bestonden grote cultuurverschillen.
In het begin waren er veel vragen over de verhouding tussen jood zijn en christen zijn. De apostel Paulus stelde dat je christen kon worden zonder eerst jood te worden. Dit voorstel werd bevestigd in het eerste apostelconcilie (of concilie – kerkvergadering – van Jeruzalem) omstreeks het jaar 48. De christelijke gemeenschappen buiten Palestina (die voornamelijk bestonden uit niet-joden) verloren geleidelijk de band met de joodse wereld. Dit proces van hellenisering werd versterkt door de vernietiging van de tweede tempel in 70. Tussen de twee blokken van het jodendom en het christendom kwamen de joden-christenen steeds meer in de verdrukking. Zij werden een randverschijnsel in beide groepen en werden door beide buitengesloten. Dit leidde er toe dat deze stroming op den duur helemaal verdween. (Bron: http://www.venstersopkatholiekgeloven.nl/hoofdartikelen/oerchristendom/)
 

Marcus 16:17-18 

Tegenwoordig zijn wonderen en tekenen niet meer aan de orde. Wij moeten geloven door ‘horen’ en niet door ‘zien’. Toch meende Wimber op basis van Marcus 16:17-18 dat elke christen heden ten dage de in deze twee verzen genoemde wonderen en tekenen zou kunnen verrichten. Dit zou in het evangeliseren een essentieel element zijn en hij was ervan overtuigd dat wanneer de kracht van het evangelie bewezen werd door deze wonderen en tekenen, mensen tot geloof zouden komen (slangen oppakken en iets dodelijks drinken werden door hem afgeraden). Is Wimbers uitleg echter verdedigbaar?

Evangelist Marcus
De evangelist Marcus (schilderij van Jusepe Leonardo)

Het evangelie volgens Marcus is het oudste verhaal uit Nieuwe Testament dat de geschiedenis van Jezus van Nazaret uitgebreid beschrijft. Een belangrijk motief hierbij is de terugkerende vraag: wie is Jezus? Om die vraag te beantwoorden worden in Marcus verschillende aanduidingen voor Jezus gebruikt: Jezus is de Mensenzoon, de Zoon van God, en de messias. Volgens de evangelist is de volledige betekenis van deze titels pas na Jezus’ kruisdood en opstanding duidelijk geworden. Dat is te verklaren omdat in het boek allerlei verhalen staan waarin Jezus na het verrichten van een wonder de omstanders opdracht geeft te zwijgen over wat ze gezien hebben, en genezen mensen mogen niet spreken over het feit dat Jezus de messias is.
Marcus heeft (nog overwegend mondelinge) overleveringen over Jezus geordend en geredigeerd, en omgevormd tot een doorgaande levensbeschrijving. Daarin wordt verteld over wonderen die Jezus deed en discussies die hij voerde, en staan ook gelijkenissen opgeschreven die hij vertelde en profetische uitspraken die hij deed.
Marcus is het oudste en kortste van de vier evangeliën, en is geschreven in het Koinè-Grieks. De tekst bevat geen naam van de auteur.

Voorheen schreef men het evangelie toe aan Johannes Marcus. Hij zou na zijn samenwerking met Paulus en Barnabas nog als tolk voor Petrus gewerkt hebben. Deze traditionele informatie over de auteur is gebaseerd op andere bijbelteksten (1 Petrus 5:13, Kolossenzen 4:10, Handelingen 12:25, Handelingen 13:13, 2 Timoteüs 4:11) en op het getuigenis van Papias, bisschop van Hiërapolis in de tweede eeuw na Christus. Dit getuigenis is bewaard in de Historia Ecclesiastica (‘kerkgeschiedenis’) van Eusebius van Caesarea, die leefde van 260-340 na Christus. Steeds meer bijbelwetenschappers raken er echter van overtuigd dat we niets weten over degene die dit evangelie heeft geschreven. In elk geval was de auteur van het Marcus-evangelie zelf geen ooggetuige van de verhaalde gebeurtenissen, maar baseerde hij zich op overlevering.
Het is niet bekend waar het evangelie is geschreven. Traditioneel werd Rome aangewezen, maar men denkt ook wel aan Palestina of Syrië. In elk geval moet het een omgeving geweest zijn waar joden en christenen steeds meer van elkaar gescheiden werden. Meestal wordt op basis van de rede over de eindtijd in Marcus 13 verondersteld dat het geschreven is kort na de inname van Jeruzalem en de verwoesting van de tempel door de Romeinen in 70 na Christus. Marcus lijkt hier weet van te hebben. Het evangelie moet dan ook gedateerd worden kort na 70.

Het belangrijkste tekstkritische probleem van het evangelie volgens Marcus is het laatste hoofdstuk 16, vanaf vers 9: het slot. Bijbelgeleerden gaan ervan uit dat de laatste twaalf verzen oorspronkelijk niet tot het evangelie volgens Marcus behoren. Deze twaalf verzen (16:9-20), die de verschijningen van de opgestane Jezus beschrijven, komen namelijk niet voor in de oudste manuscripten (handschriften). Jongere manuscripten hebben wel een slot, maar hier zijn een lange en een korte versie van (sommige handschriften bevatten zelfs beide versies). Aangenomen wordt dat het latere toevoegingen zijn, ontstaan uit onvrede met het abrupte slot van Marcus. Dit blijkt bijvoorbeeld uit inhoudelijke en stilistische verschillen met de rest van het evangelie.
De vraag is of Marcus oorspronkelijk afsloot met 16:1-8 (passage over het lege graf) of dat het originele slot (na vers 8) van het evangelie verloren is gegaan. Het verhaal van het lege graf eindigt in een paradox: hoe kan het dat de evangelist het verhaal kent als de vrouwen niemand iets hebben gezegd? De lezers zullen zelf op zoek moeten gaan naar de verrezen Heer. De afsluitende reeks verschijningen (Marcus 16:9-20) is later aan het evangelie toegevoegd. [1] [2] [3] [4] [5] [6] [7] [Wikipedia: Ontstaan_van_de_geschriften_van_het_Nieuwe_Testament]
Als gevolg wordt dan ook gepleit om de tekst van Marcus 16:9-20 niet te gebruiken als solide basis voor een doctrine (leer) of praktijk. Wimber deed dit echter wél !!! Hij formeerde op basis van de verzen 17 en 18 de extreem charismatische leer van hedendaagse krachtevangelisatie door wonderen en tekenen.

Evangelisatie training
 
Marcus 16:9-20 behoort niet tot de originele tekst van Marcus. Gaan we ervan uit dat, ondanks de tegenwerpingen (!!!), de tekst van Marcus 16:9-20 toch gebruikt kan/mag worden als solide basis voor een bepaalde leer of praktijk, dan rijzen er twee vragen met betrekking tot de uitleg van Wimber van Marcus 16:17-18:
1. Wie wordt bedoeld met ‘hen die geloofd zullen hebben’?
2. Betreffen de tekenen ook onze huidige tijd?

Marcus 16:15-20 (HSV): (15) En Hij zei tegen hen: Ga heen in heel de wereld, predik het Evangelie aan alle schepselen. (16) Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar wie niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden. (17) En hen die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: in Mijn naam zullen zij demonen uitdrijven; in vreemde talen zullen zij spreken; (18) slangen zullen zij oppakken; en als zij iets dodelijks zullen drinken zal het hen beslist niet schaden; op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen gezond worden. (19) De Heere dan is, nadat Hij tot hen gesproken had, opgenomen in de hemel en heeft Zich gezet aan de rechterhand van God, (20) maar zij gingen overal heen om te prediken, en de Heere werkte mee en bevestigde het Woord door de tekenen die erop volgden. Amen.

1. Wie wordt bedoeld met ‘hen die geloofd zullen hebben’?

Wimber meende dat ‘hen die geloofd zullen hebben’ letterlijk alle gelovigen, ook heden ten dage, betreft. Maar is het zo dat in die periode ook echt alle gelovigen deze tekenen konden verrichten? Met andere woorden: wie wordt bedoeld met ‘hen die geloofd zullen hebben’?

We blijven uitgaan van de HSV. In vers 17 staat: ‘En hen die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen:’. En in vers 20 staat: ‘maar zij gingen overal heen om te prediken, en de Heere werkte mee en bevestigde het Woord door de tekenen die erop volgden.’ Plaatsten we vers 17 dus in de context van de gehele passage, dan wordt duidelijk dat ‘de Heer hen die geloofd zullen hebben hielp door hun verkondiging te bevestigen met de tekenen die erop volgden’. ‘Hen die geloofd zullen hebben’ heeft dus betrekking op degenen die het evangelie (het goede nieuws) brachten!
Het lijkt erop dat de discipelen geïnformeerd werden over het feit dat zij als brengers van het evangelie na de opname van Jezus in de hemel, deze wonderen en tekenen zouden kunnen verrichten ter bevestiging dat zij ‘ware’ verkondigers van het evangelie waren. Maar het lijkt er tevens op dat zij hiermee geïnformeerd werden dat er ook nog andere ‘ware’ verkondigers zouden komen die tevens deze wonderen en tekenen konden verrichten. En dit blijkt ook zo te zijn geweest; denk maar aan de apostelen Paulus en Barnabas, en de diaken Filippus (Handelingen 8:6-7).
Marcus 16:15-20 wordt betiteld als een zendingsopdracht en de discipelen worden niet veel later apostelen genoemd. Het Griekse woord apóstolos betekent niets anders dan ‘gezondene’, ‘boodschapper’ of ‘vertegenwoordiger’. ‘Hen die geloofd zullen hebben’ betreft dus de christenen die Jezus na zijn opname vertegenwoordigen, en gezonden zijn de goede boodschap te verkondigen en te verspreiden: de apostelen (‘de Twaalf’) en bepaalde andere ‘ware’ verkondigers.

Deze zienswijze wordt bevestigd door de korte versie van het einde van Marcus 16.
‘Alles wat hun opgedragen was, meldden zij in het kort aan de kring rond Petrus. Daarna stuurde Jezus zelf zijn leerlingen eropuit om van het oosten tot het westen de heilige en onvergankelijke boodschap van de eeuwige verlossing te verkondigen. Amen.’ (NBV) (bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Marcus_16#Tekstkritiek, zie ook de NBV vers 9)
Er wordt hier enkel gesproken over ‘zijn leerlingen’. In het bijbelboek Handelingen (van de apostelen) lezen we ook nergens dat álle gelovigen (alle toenmalige – bekeerde – christenen) deze tekenen konden verrichtten (afgezien van uitingen van de Geest na bekering). De genoemde tekenen in Marcus 16:17-18 worden dan ook wel de ‘merktekenen’ of ‘tekengaven’ van een apostel genoemd.

Tekenen als toerusting zendingswerk

Marcus 16:15-20 wordt betitelt als een zendingsopdracht. Dat de genoemde tekenen een toerusting waren voor het zendingswerk, blijkt uit de aard van deze gaven. Zij hebben direct te maken met situaties die men op het zendingsveld tegenkomt. Daarom hebben ook drie van de vijf niets met de Geestesgaven te maken: het uitdrijven van boze geesten, slangen opnemen en iets dodelijks drinken zonder schade. Twee daarvan gaf God ter bescherming van de zendelingen, namelijk het oppakken van slangen en iets dodelijks drinken zonder daar schade van te lijden.
Dat het spreken in vreemde talen uitermate handig was voor het zendingswerk behoeft geen uitleg. Zo sprak Paulus verschillende buitenlandse talen. Zieken genezen (door Gods hulp) was een teken (‘van het koninkrijk’) ter bevestiging van de brengers van het goede nieuws en hun boodschap.
Jezus’ macht over de demonen is een bewijs van het nieuwe koninkrijk dat met hem begint (zie bijvoorbeeld Matteüs 12:25-29). Ook de discipelen krijgen de gave van het uitdrijven van demonen, dit ‘teken van het koninkrijk’, evenals enkele andere verkondigers van het evangelie.
In Lukas 10:1-20 wordt een (eerdere) uitzending van 72 (sommige handschriften schrijven ‘zeventig’) andere leerlingen van Jezus beschreven. Ook zij genazen zieken en dreven demonen uit. Bij terugkomst zegt Jezus tegen deze discipelen: ‘Bedenk wel: ik heb jullie de macht gegeven om slangen en schorpioenen te vertrappen en om de kracht van de vijand te breken, zodat niets jullie kan schaden’ (Lucas 10:19). Ook hier hebben de tekenen betrekking op het zendingswerk, en op bevestiging van de verkondiging door de 72 leerlingen.

Wimber maakte de fout de woorden ‘zij’ (zie vetgedrukt in de HSV-passage) te betrekken op alle gelovigen, terwijl ‘zij’ de gezonden verkondigers van het evangelie betreft. Marcus 16:15-20 betreft dan ook een opdracht tot evangelisatie: het geloof brengen tot de ONgelovigen. En de beschreven wonderen en tekenen zijn geen gaven voor iedere gelovige, maar tekenen voor de ONgelovigen, en dan op de eerste plaats voor de ongelovige Joden, want ‘de Joden vragen om wonderen’  (1 Kor. 1:22). De genoemde wonderen en tekenen werden verricht door de apostelen (en bepaalde andere ‘gezonden’ verkondigers) en niet door álle toenmalige christenen.

2. Betreffen de tekenen ook onze huidige tijd?

Gaan we ervan uit dat we Marcus 16:9-20 wél mogen gebruiken als solide basis voor een leer of praktijk, dan kunnen we nog een tweede argument aandragen waarom Wimbers leer niet juist is. We moeten dan kijken naar de (taalkundige) tijd waarin de tekst is geschreven.
Laten we, ondanks bovenstaande uitleg, ervan uitgaan dat alle toenmalige gelovigen ook de genoemde tekenen konden verrichten. Dan rijst de als tweede gestelde vraag: ‘Betreffen de tekenen ook onze huidige tijd?’

We blijven uitgaan van de HSV. De tekst uit Marcus 16 is gedateerd kort na 70 en, overeenkomstig met de Griekse grondtekst, geschreven in de verleden tijd.
Marcus 16:19-20 (HSV): ‘(19) De Heere dan is, nadat Hij tot hen gesproken had, opgenomen in de hemel en heeft Zich gezet aan de rechterhand van God, (20) maar zij gingen overal heen om te prediken, en de Heere werkte mee en bevestigde het Woord door de tekenen die erop volgden. Amen.’
Als de schrijver van Marcus al terugblikkend schrijft over de tekenen die erop volgden, dan laat dit de conclusie toe dat deze buitengewone dingen toen al tot het verleden behoorden.
Hebreeën 2:4 (gedateerd in het laatste kwart van de eerste eeuw, bron: NBV, pagina 312 NT) ondersteunt deze conclusie door ook (al) in de verleden tijd te schrijven: ‘Ook God zelf getuigde daarvan, door tekenen en wonderen en allerlei grote daden te verrichten, en door de gaven van de heilige Geest overeenkomstig zijn wil te verdelen.’

Naar aanleiding van bovenstaande kunnen we stellen dat (so wie so) na 70 de genoemde tekenen in Marcus 16:17-18 tot het verleden behoren. Een onderbouwing van deze stelling is de zendingsopdracht uit Matteüs 28:16-20. Jezus die zich tijdens zijn leven in eerste instantie had gericht op de kinderen van Israël, heeft na zijn opstanding een andere boodschap. Deze boodschap wordt door de christelijke kerk beschouwd als de meest toepasselijke opdracht voor de tegenwoordige zending en evangelieverkondiging, omdat het voor de elf discipelen (Judas Iskariot was weggevallen) onmogelijk was om tijdens hun leven alle volken te bereiken en te bekeren.

bijbelMatteüs 28:16-20

‘Het evangelie volgens Matteüs’ kreeg zijn huidige vorm in de periode tussen 80 en 90 na Christus. De schrijver vermeldt zijn eigen naam niet. Vanaf het eind van de tweede eeuw wordt het evangelie toegeschreven aan Matteüs en wordt zijn naam in de handschriften genoteerd. Op grond van Matteüs 9:9 en Matteüs 10:3 wordt van hem gezegd dat hij een tollenaar (een inner van belasting) was, en later een van Jezus’ leerlingen. De meeste onderzoekers nemen echter aan dat deze niet de auteur is, maar dat het boek geschreven is door een anonieme christen; een Jood met een sterke betrokkenheid op de Thora – mogelijk een Schriftgeleerde – die zich, na Jezus’ dood, tot het christendom bekeerde (zie ook https://nl.wikipedia.org/wiki/Evangelie_volgens_Matte%C3%BCs#Auteur).

Matteüs 28:16-20 (NBV): ‘De elf leerlingen gingen naar Galilea, naar de berg die Jezus hun had genoemd, en toen ze hem zagen bewezen ze hem eer, al twijfelden enkelen nog. Jezus kwam op hen toe en zei: ‘Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb. En houd dit voor ogen: ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.’

Opvallend is dat deze zendingsopdracht, in tegenstelling tot die van Marcus, niet in de verleden tijd is geschreven, maar in de toekomende tijd. Het gaat dan ook over wat er nog moest – en nog steeds moet – gebeuren: ‘tot aan de voltooiing van deze wereld’ (dit is de terugkomst van Christus). Jezus spreekt hier enkel over op weg te gaan, te dopen en te onderwijzen.
Het is hier aan het einde van het evangelie volgens Matteüs, dat de discipelen de opdracht krijgen om naar alle volken te gaan. Volgens Matteüs (28:19) richtte de opgestane Christus zich niet meer in eerste instantie tot de Joden, maar zei hij dat álle volken onderricht moesten worden. Hij construeert daarmee een verschil tussen de Jezus tijdens zijn leven en die na zijn opstanding, en effent zo de weg voor de verkondiging van het geloof onder de heidenen. Opmerkelijk is dan ook dat we in deze bijbelpassage níet lezen dat de Heer door bijzondere tekenen zal werken ‘tot aan de voltooiing van deze wereld’.

Op basis van dit alles kunnen we concluderen dat (so wie so) na 70 de ‘wonderen en tekenen’ al tot het verleden behoren.

Toch bijbelse onderbouwing hedendaagse krachtevangelisatie?

Marcus 16:17-18 geeft de leer van tegenwoordige krachtevangelisatie geen bestaansrecht. De moderne beweging draagt echter nog een paar bijbelteksten aan die Wimbers leer wel degelijk een fundament zouden geven. Zijn deze teksten echter daadwerkelijk te gebruiken als onderbouwing?

Naast de passage in Marcus 16 gebruiken de neo-charismatici als belangrijkste ondersteuning van deze leer Matteüs 10:7-8:
‘Ga op weg en verkondig: “Het koninkrijk van de hemel is nabij.” Genees zieken, wek doden op, maak mensen die aan huidvraat lijden rein en drijf demonen uit. Om niet hebben jullie ontvangen, om niet moeten jullie geven!’
Als we de tekst vanaf vers 1 weergeven is direct duidelijk dat de opdracht in de verzen 7 en 8 slaat op de twaalf discipelen van Jezus. De opdracht betreft de verkondiging aan het Joodse volk tijdens Jezus’ leven. (Pas na Jezus’ opstanding krijgen de discipelen de opdracht om naar álle volken te gaan, Matteüs 28:16-20, en hier wordt níet gesproken over wonderen en tekenen.)
1 Daarop riep hij zijn twaalf leerlingen bij zich en gaf hun de macht om onreine geesten uit te drijven en iedere ziekte en elke kwaal te genezen.
2 Dit zijn de namen van de twaalf apostelen: als eerste Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes, 3 Filippus en Bartolomeüs, Tomas en de tollenaar Matteüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Taddeüs, 4 en ten slotte Simon Kananeüs en Judas Iskariot, die hem zou uitleveren.
5 Deze twaalf zond Jezus uit, en hij gaf hun de volgende instructies: ‘Sla niet de weg naar de heidenen in en bezoek geen Samaritaanse stad. 6 Ga liever op zoek naar de verloren schapen van het volk van Israël. 7 Ga op weg en verkondig: “Het koninkrijk van de hemel is nabij.” 8 Genees zieken, wek doden op, maak mensen die aan huidvraat lijden rein en drijf demonen uit. Om niet hebben jullie ontvangen, om niet moeten jullie geven!’ (Matteüs 10:1-8)
In vers 1 is het al duidelijk dat de passage de twaalf leerlingen van Jezus betreft. In vers 2 worden ze zelfs bij naam genoemd! Bovendien staat er nogmaals ter verduidelijking in vers 5: ’Deze twaalf zond Jezus uit’. De verzen 7 en 8 worden overduidelijk uit hun verband gehaald. Manipulatie noem je dat! Een leer van krachtevangelisatie door alle christenen tegenwoordig kun je hiermee onmogelijk onderbouwen.

Onderstaande drie bijbelteksten worden daarnaast gebruikt om de leer van hedendaagse krachtevangelisatie te onderbouwen.

Lucas 10:8-9: ‘En als jullie een stad binnengaan en daar welkom zijn, eet dan wat je wordt voorgezet, genees de zieken die er zijn en zeg tegen hen: “Het koninkrijk van God heeft jullie bereikt.”’
Dit is een opdracht aan 72 andere leerlingen van Jezus (sommige handschriften schrijven ‘zeventig’) om naar de Joden te gaan om het evangelie te verkondigen. Deze zending staat in het kader van de verkondiging aan het Joodse volk tijdens Jezus’ leven, zie Lucas 10:1: ‘Daarna stelde de Heer tweeënzeventig anderen aan, die hij twee aan twee voor zich uit zond naar iedere stad en plaats waar hij [Jezus] van plan was heen te gaan.’
De opdracht in deze tekst was specifiek aan deze 72 discipelen en heeft betrekking op de verkondiging aan het Joodse volk voor Jezus’ sterven, en mag daarom niet toegepast worden op huidige christenen.
(Lucas 10:17-20: De tweeënzeventig  keerden vol vreugde terug en zeiden: ‘Heer, zelfs de demonen onderwerpen zich aan ons bij het horen van uw naam.’ Hij zei tegen hen: ‘Ik heb Satan als een lichtflits uit de hemel zien vallen! Bedenk wel: ik heb jullie de macht gegeven om slangen en schorpioenen te vertrappen en om de kracht van de vijand te breken, zodat niets jullie kan schaden. Verheug je er echter niet over dat de geesten zich aan jullie onderwerpen, maar verheug je omdat jullie naam in de hemel opgetekend is.’)

Johannes 14:12: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie in Mij gelooft, zal de werken die Ik doe, ook doen, en hij zal grotere doen dan deze, want Ik ga heen naar Mijn Vader.’ (HSV)
De neo-charismatici  vereenzelfigen ‘de werken’ met wonderen (en tekenen). De vraag is dan ook: wat bedoeld Jezus in dit vers met ‘de werken’? Want deze zullen groter zijn dan de werken die Jezus deed.
Jezus spreekt hier tegen zijn discipelen tijdens het laatste avondmaal (zie Johannes 13). Alles staat in het teken van Jezus’ kruisiging, opstanding en opgaan naar de hemel.
‘Want Ik ga heen naar Mijn Vader.’ Deze reden is tweeledig: (1) Jezus zal de aarde hebben verlaten en niet in staat zijn deze werkzaamheden voort te zetten. Daarom moeten gelovigen deze voor hem voortzetten. (2) Jezus zal in de hemel zijn, klaar om – in antwoord op gebed – (in)direct te helpen. Daardoor zullen gelovigen in staat zijn deze werken voort te zetten en zelfs te overtreffen.
Het sleutelwoord is ‘geloof’! Hier in 14:12 hebben we een geheel algemene uitdrukking die verwijst naar ieder die – in elke generatie en in elke hoek van de wereld – zijn/haar vertrouwen in Christus stelt en Jezus spreekt hier over de effecten van het geloof. Deze effecten (‘werken’) zullen groter zijn dan die van hem; zo kunnen we verwijzen naar de evangelieverkondiging door de apostelen, waardoor duizenden mensen tot geloof kwamen (op Pinksteren al zo’n drieduizend). De ‘werken’ betreft echter niet wonderen, want deze ‘werken’ zullen groter zijn dan die van Jezus. Maar geen van de apostelen heeft een groter wonder dan Jezus verricht: de opwekking van Lazarus uit de dood na vier dagen (Johannes 11:1-44).
(Geraadpleegde bronnen: http://biblehub.com/commentaries/maclaren/john/14.htm, http://biblehub.com/commentaries/cambridge/john/14.htm)

1 Kor. 4:20: ‘Want het koninkrijk van God bestaat niet uit woorden, maar uit kracht.’
Hier spreekt de apostel Paulus tot de Griekse christelijke gemeente van Korinte ter vermaning: ‘Sommigen van u doen alsof ze heel wat zijn, omdat ze denken dat ik toch niet kom. Maar ik zal spoedig naar u toe komen, indien de Heer het wil, en dan zal ik wel te weten komen of die opscheppers het bij woorden laten of dat ze werkelijk kracht bezitten. Want het koninkrijk van God bestaat niet uit woorden, maar uit kracht.’ (1 Kor. 4:18-20)
De neo-charismatici vereenzelfigen hier ‘kracht’ met wonderen (en tekenen). Maar wat wordt hier met ‘kracht’ bedoeld?
Matthew Henry’s Concise Commentary: Dienaren van Jezus zijn er om als voorbeeld te volgen, zover zij Christus volgen in geloof en praktijk. Wanneer het evangelie effectief is, komt het niet alleen in woorden maar ook in kracht – door de heilige Geest; ‘dode’ zondaren weer levend maken door hen zowel innerlijk als uiterlijk te vernieuwen (kennis, houding, gedrag) en gelovigen te troosten en te versterken, wat niet gedaan kan worden door overtuigende taal van mensen maar door de kracht van God.
Cambridge Bible for School and Colleges: Het koninkrijk van God is niet simpelweg een zaak van het verstand, maar van de geest (het hart). Het bestaat niet uit het accepteren of realiseren van bepaalde stellingen (‘woorden’), maar uit de invloed op het leven en geweten (‘kracht’).
Wat Paulus zegt is: ‘Ik zal weleens zien of deze mensen daadwerkelijk een gelovig leven leiden door de Geest of dat ze het alleen maar bij hooghartige woorden laten.’ De term ‘kracht’ in 1 Kor. 4:20 wordt door de beweging verkeerd geinterpreteerd door deze uit de context van de tekst te plaatsen. De term betreft niet wonderen, maar een gelovig integer leven geleid onder invloed van de heilige Geest.

Concluderend kunnen we stellen dat bovenstaande bijbelteksten geen onderbouwing zijn van hedendaagse krachtevangelisatie door ‘wonderen en tekenen’. Daarnaast kunnen we concluderen dat de beweging bijbelverzen uit hun context plaatst en er dan een eigen interpretatie aan geeft. Het blijkt iets te zijn wat de beweging kenmerkt…

Conclusie

In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht zijn de bijbelse wonderen in het algemeen gegroepeerd rond speciale gebeurtenissen in Gods handelen met de mensheid. De overgrote meerderheid van de mensen die in de bijbelse tijden woonden, moesten enkel door het geloof leven in wat God reeds aan hen geopenbaard had.

Marcus 16:9-20 is later aan het evangelie toegevoegd. Er wordt dan ook gepleit om deze tekst niet te gebruiken als solide basis voor een doctrine (leer) of praktijk. Als gevolg hiervan zullen andere bijbelteksten Wimbers leer moeten ondersteunen. Alle genoemde tekstonderbouwingen zijn echter te weerleggen.

Nemen we als uitgangspunt dat we Marcus 16:9-20 wél mogen gebruiken, dan kunnen we stellen dat het in Marcus 16:17-18 gaat over tekenen, waarmee God bevestigde dat de verkondiging in opdracht van hem gebeurde, zoals hij ook Mozes door wonderen en tekenen als zijn boodschapper en dienaar legitimeerde. De tekenen werden verricht door de apostelen en enkele andere verkondigers van het Woord, en niet door letterlijk álle gelovigen.
De tekst beschrijft de gebeurtenissen in de verleden tijd, omdat er teruggekeken wordt; de periode was al afgesloten. De tekst betreft niet onze huidige tijd en mag daarom niet op christenen tegenwoordig toegepast worden.

Matteüs 28:16-20 spreekt in de toekomende tijd, want deze tekst geldt nog steeds. Volgens Matteüs (28:19) richtte de opgestane Christus zich niet meer in eerste instantie tot de Joden, maar zei hij dat álle volken onderricht moesten worden. Er wordt in deze bijbelpassage echter níet over wonderen en tekenen gesproken.

Paulus schrijft dat de tekenen en wonderen toen met name bedoeld zijn voor de ongelovige Joden toen, want ‘de Joden vragen om wonderen’ (1 Kor. 1:22). Verder schrijft de apostel ‘van de heidenen’ in het volgende vers dat christenen enkel moeten leven uit geloof, dus zonder het zien van wonderen en tekenen, want ‘…maar wij verkondigen een gekruisigde Christus’. Paulus is in Hand. 28:28 ook duidelijk: ‘U moet dan ook weten dat God deze boodschap van redding al aan de heidenen bekendgemaakt heeft; zij zullen wel luisteren.’ Paulus spreekt hier níet over ‘zien’, waar hij in het geval van de Joden wel over spreekt.

De wonderen en tekenen in de bijbel zijn gericht op de Joden, en dan met name op de ongelovige Joden. De nieuwtestamentische wonderen en tekenen bij de heidenen zijn indirect ter teken aan de joodse christenen dat ook de heidenen direct toegelaten zijn tot het christendom. De bijbel leert ons dat na het eerste gedeelte van de eerste eeuw de wonderen en tekenen verdwenen.

Op basis van dit alles kunnen we stellen dat Wimbers theologie van hedendaagse krachtevangelisatie ongefundeerd is en weerlegd kan worden, en daardoor geen bestaansrecht kent.

Slotgedachte

Jezus heeft heel veel bovennatuurlijke dingen gedaan toen hij op aarde was. Meerdere malen verzoekt hij echter nadrukkelijk er niet over te spreken (zie bijvoorbeeld Matteüs 8:4 en 9:30). Hoe anders is dit tegenwoordig? Maar geen van Jezus’ discipelen heeft ooit beweerd dat een wonder of teken geloof in Christus voortbrengt. Het is dan ook veelzeggend dat Petrus, Johannes en Judas (de discussie over de daadwerkelijke schrijvers daargelaten) waarschuwen voor valse wonderen en valse tekenen.
Is dit alles geen duidelijk argument je niet te richten op het najagen van bovennatuurlijke wonderen en tekenen? Je zou je dus bezorgd kunnen afvragen waar de vele huidige (geclaimde) wonderen hun oorzaak hebben…
 
Geraadpleegde bronnen:
http://nederlandgered.nl/kracht-evangelisatie-training/, http://www.bijbel.nl/_files/Lordship%20%20%20Salvation.pdf, http://www.bijbelengeloof.com/index.php?option=com_content&view=article&id=96:verschillende-soorten-evangelie&catid=147:de-bijbel-en-het-geloof&Itemid=86http://nl.wikipedia.org/wiki/Messias, https://www.debijbel.nl/onderwerpen/s/messias/101https://www.debijbel.nl/onderwerpen/s/zonde-in-het-nieuwe-testament/1711http://www.bijbel.nl/content/2013/10/Het-begin-van-de-bediening-van-Paulushttps://www.debijbel.nl/onderwerpen/s/gerechtigheid-nt/1631, https://www.debijbel.nl/onderwerpen/s/koninkrijk-van-god/632, Dr. Ian Barnes – Historische atlas van de bijbel, Librero 2012, Kerkdriel, https://www.debijbel.nl/onderwerpen/s/jezus/1672, http://www.bijbelarchief.nl/default.asp?id=504, Nieuwe encyclopedie van de bijbel, Uitgeverij Kok-Utrecht 1999, http://www.ibstudiehuis.nl/k/n607/news/view/5700/5435/israel-en-het-koninkrijk-deel-1.html, http://www.ibstudiehuis.nl/k/n607/news/view/5699/5435/israel-en-het-koninkrijk-deel-2.html, http://nl.wikipedia.org/wiki/Koninkrijk_van_God, https://www.debijbel.nl/onderwerpen/s/paulus/2853http://biblehub.com/text/galatians/1-6.htm, http://biblehub.com/text/galatians/1-7.htmhttp://biblehub.com/text/galatians/1-8.htmhttp://biblehub.com/text/galatians/1-9.htmhttp://nl.wikipedia.org/wiki/Nieuwe_Testamenthttps://www.debijbel.nl/onderwerpen/s/matteus-auteur-en-datering/2527https://nl.wikipedia.org/wiki/Evangelie_volgens_Matte%C3%BCs

[1] http://nl.wikipedia.org/wiki/Evangelie_volgens_Marcus
[2] http://hermeneutics.stackexchange.com/questions/3973/is-the-ending-of-the-gospel-of-mark-169-20-original
[3] http://hermeneutics.stackexchange.com/questions/3973/is-the-ending-of-the-gospel-of-mark-169-20-original/11473#11473
[4] http://hermeneutics.stackexchange.com/questions/4831/did-mark-intend-to-end-his-gospel-at-168/5167#5167 
[5] http://nl.wikipedia.org/wiki/Marcus_16
[6] Het Nieuwe Testament is in de Herziene Statenvertaling (HSV, 2010) een vertaling van deTextus Receptus, een niet-optimale variant van de Byzantijnse tekst. Het was echter de beste tekst die de Statenvertalers ter beschikking hadden. Inmiddels zijn er in de afgelopen vierhonderd jaar vele oudere handschriften ontdekt, zoals de Codex Vaticanus, de Codex Sinaïticus, de Bodmer papyri 66 en Papyrus 75; de Chester Beatty papyri 4546 en 47 en vele andere. Vele Bijbelwetenschappers zijn van mening dat daarmee de oorspronkelijke tekst nauwkeuriger te reconstrueren is. Om de HSV acceptabel te laten blijven voor een zo groot mogelijk deel van de achterban, heeft men hier voor het Nieuwe Testament geen gebruik van willen maken. In het Oude Testament maakten de herzieners van de Statenvertaing (SV, 1637) overigens wel gebruik van de Dode Zee-rollen om onduidelijke passages beter te kunnen vertalen. (Bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Herziene_Statenvertaling#Kritiek_van_Bijbelwetenschappers)
[7] https://www.debijbel.nl/onderwerpen/s/marcus-opbouw/2529, [8] Fik Meijer – Jezus & de vijfde evangelist, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 2015, [9] Biblica, atlas van de bijbel, Librero 2014, Kerkdriel, [10] Rieuwerd Buitenwerf en Clazien Verheul (redactie). Ballingen, buren en buitenlanders. De vreemdeling in de Bijbel. Heerenveen 2007
 
 

De uitleg van Joël 2:23b en 28-29 (8)

De moderne charismatische beweging heeft de Latter Rain theologie als uitgangspunt van veel van haar leringen. In deze leer vormt het bijbelboek Joël een belangrijke inspiratiebron.

Het Oudtestamentische boek Joël (Hebreeuws: יואל, Jōʼel′: ‘JHWH is God’) is het tweede boek van het Twaalfprofetenboek (‘Dodekapropheton’): Hosea tot en met Maleachi. De twaalf profeten worden ook wel de kleine profeten genoemd. Dat slaat op de omvang van de boeken: ze zijn veel kleiner dan de drie grote profeten Jesaja, Jeremia en Ezechiël. Het boek Joël is genoemd naar de profeet die in het opschrift vermeld wordt (Joël 1:1). Over hem is weinig bekend. Meestal wordt aangenomen dat Joël profeteerde in Juda en Jeruzalem.

De profeet Joël (schilderij van Peter Paul Rubens, 1602)
De profeet Joël (schilderij van Peter Paul Rubens, 1602)

Het is waarschijnlijk dat Joël na de Babylonische ballingschap (beëindigd 538 v.Chr.) leefde. Het boek noemt bijvoorbeeld wel priesters en oudsten, maar geen koning of ministers – die waren er kennelijk niet meer. Ook noemt de profeet (in Joël 4) onder de vele volken wel het verre Griekenland, maar niet Assyrië en Babylonië. Die laatste volken spelen dan ook geen rol meer na de zesde eeuw voor Christus. Tenslotte staan er geloofsvoorstellingen in het boek die pas na de ballingschap ontstonden. Een voorbeeld daarvan is de bron die in de tempel ontspringt (Joël 4:18).
De directe aanleiding voor Joëls boodschap is een hongersnood die werd veroorzaakt door een sprinkhanenplaag (hoofdstuk 1). Deze wordt door Joël gezien als een teken dat de ‘dag van de Heer’* dichterbij komt. Gods oordeel zou meer verwoesting brengen dan een natuurramp. Het boek wil de hoorders oproepen tot boete en inkeer: als het volk oprecht berouw toont, zal God het toch te hulp komen.
Joël staat na Hosea en voor Amos. Dat is niet toevallig. Het boek Hosea maakt concrete verwijten en eindigt met een oproep tot bekering (Hosea 14:2-4). Joël sluit hierop aan door aandacht te besteden aan de ramp die Juda treft. En Joël (4:16) eindigt waar Amos begint (Amos 1:2): met een uitspraak over Gods machtsvertoon vanaf de Sion. Joël en Amos sluiten allebei af met de belofte van overvloed (Joël 4:18 en Amos 9:13).
Waarschijnlijk zijn deze verbindingslijnen aangebracht door latere redacteuren van de drie boeken. Zij gebruikten Joël om de boodschap van Hosea en Amos aan Israël actueel te maken voor Juda. De Sion als heilige plaats staat daarbij centraal. 
 

* De dag van de Heer
De ‘dag van de Heer’ verwijst in de bijbel naar het einde van de tijd als God over alle mensen zal oordelen. Andere termen die hetzelfde uitdrukken, zijn onder andere ‘de dag van Gods woede’, ‘die dag’, en – in het Nieuwe Testament – ‘de dag van Jezus Christus’.
In het Oude Testament is de ‘dag van de Heer’ een belangrijk thema in de boeken van de profeten. Soms duidt ‘de dag’ een tijd aan waarin God zal oordelen over Israël en de andere volken, soms juist een periode waarin hij redding zal brengen.
Vóór de Babylonische ballingschap beschrijven de klassieke profeten de ‘dag van de Heer’ vooral als een dag van onheil. God zal de inwoners van Israël en Juda straffen omdat ze zich niet gehouden hebben aan zijn wetten. Het zal een tijd zijn van angst, duisternis en natuurrampen, en Israël zal onderdrukt worden door andere volken. We vinden dit beeld bijvoorbeeld terug in de boeken Hosea, Amos, Micha, Sefanja en Joël, en in sommige gedeelten van Jesaja.
In 586 voor Christus werden de inwoners van Juda getroffen door een grote ramp: Jeruzalem en de tempel werden vernietigd door de Babyloniërs, en een deel van de bevolking werd in ballingschap gevoerd. Sommige profeten zagen dit als een teken dat de dag van de Heer was aangebroken (zie bijvoorbeeld Klaagliederen 1:21 en Ezechiël 34:12).
Maar al snel kreeg de ‘dag van de Heer’ opnieuw een eschatologische (‘de leer van de laatste dingen’) lading. De nadruk verschoof nu naar de dag van de Heer als een tijd van redding voor Gods volk. Het oordeel was vooral bestemd voor de vijanden van Israël, zoals Egypte, Edom en Babylonië. We zien dat beeld bijvoorbeeld in het boek Obadja (Obadja 1:15), en in teksten uit Ezechiël (onder andere Ezechiël 30:3).
De profetische teksten van na de ballingschap (en af en toe ook teksten in de klassieke profeten) geven een ander beeld. De dag van de Heer is nu een tijd waarin God zijn volk weer zal helpen en herstellen.
God zelf zal voor zijn volk optreden (Maleachi 3:17). Hij zal de Israëlieten terug laten keren naar hun eigen land (Jesaja 11:11-12), en hij zal als koning over Israël of over de hele wereld regeren (Micha 4:6-7; Jesaja 2:2-4). Overal in de wereld zal vrede heersen (Hosea 2:18; Jesaja 11:1-10), en er zal overvloed zijn (Jesaja 4:2). Iedereen zal in die tijd God leren kennen (Jesaja 19:19-25).
Sommige teksten spreken over de komst van een Davidische koning (bijvoorbeeld Zacharia 3:8-10).
In het Nieuwe Testament is de uitdrukking ‘dag van de Heer’ overgenomen uit het Oude Testament. Net als daar betekent het de tijd van Gods laatste oordeel. In het Nieuwe Testament betekent het ook dat Jezus naar de wereld terug zal komen (Lucas 17:24). Daarom noemt Paulus de dag van het laatste oordeel ook ‘de dag van onze Heer Jezus Christus’ (1 Tessalonicenzen 5:2) of ‘de dag van Christus Jezus’ (Filippenzen 1:6).
 

Joël 2:23b door Latter Rain gekoppeld aan Joël 2:28-29

In Joël 2:23a wordt volgens sommige vertaling-interpretaties de komst van de messias aangekondigd: ’.. want Hij zal u geven dien Leraar ter gerechtigheid;’ (SV). Deze uitleg is echter omstreden. De NBV vertaalt dit met: ‘…,want hij geeft regen om je te verkwikken’. We gaan hieronder uit van de HSV-vertaling.

Joël 2:18-32 (HSV):
18 Toen nam de HEERE het op voor Zijn land, en Hij spaarde Zijn volk. 19 De HEERE antwoordde en zei tegen Zijn volk: Zie, Ik zend u het koren, de nieuwe wijn en de olie, zodat u ermee verzadigd wordt. Ik zal u niet meer overgeven als voorwerp van smaad onder de heidenvolken. 20 Ik zal die uit het noorden ver van u wegdoen. Ik verdrijf hem naar een dor en woest land, zijn voorhoede naar de zee in het oosten, zijn achterhoede naar de zee in het westen. Zijn stank stijgt op, zijn walm stijgt op, want hij heeft grote dingen gedaan. 21 Wees niet bevreesd, land, verheug u en wees blij, want de HEERE heeft grote dingen gedaan. 22 Wees niet bevreesd, dieren van het veld, want de weiden van de woestijn worden groen, de bomen dragen hun vrucht, de wijnstok en de vijgenboom geven hun opbrengst. 23 En u, kinderen van Sion, verheug u en wees blij in de HEERE, uw God, want Hij zal u geven de Leraar tot gerechtigheid (NBV: ‘want hij geeft regen om je te verkwikken’). Die zal regen op u doen neerdalen, vroege regen en late regen in de eerste maand. 24 De dorsvloeren zullen vol koren zijn, de perskuipen stromen over van nieuwe wijn en olie.

25 Ik zal u de jaren vergoeden die de  veldsprinkhaan, de jonge sprinkhaan, de zwermsprinkhaan en de treksprinkhaan hebben opgegeten, Mijn grote leger, dat Ik op u had afgestuurd. 26 Dan zult u overvloedig en tot verzadiging eten, en de Naam van de HEERE, uw God, prijzen, Die wonderlijk met u heeft gehandeld. Mijn volk zal voor eeuwig niet beschaamd worden. 27 Dan zult u weten dat Ik te midden van Israël ben, dat Ik, de HEERE, uw God ben, en niemand anders: Mijn volk zal voor eeuwig niet beschaamd worden!

Belofte van de Geest
28 Daarna zal het geschieden dat Ik Mijn  Geest zal uitstorten op alle vlees: uw zonen en uw dochters zullen profeteren, uw ouderen zullen dromen dromen, uw jongemannen zullen visioenen zien. 29 Ja, zelfs op de dienaren en op de dienaressen zal Ik in die dagen Mijn Geest uitstorten. 30 Ik zal wondertekenen geven aan de hemel en op de aarde: bloed en vuur en rookzuilen. 31 De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed, voor die dag van de HEERE komt, die grote en ontzagwekkende. 32 Het zal geschieden dat ieder die de Naam van de HEERE zal aanroepen, behouden zal worden. Want op de  berg Sion en in Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals de HEERE gezegd heeft, namelijk bij hen die ontkomen zijn, die de HEERE roepen zal.

Joëls profetie van Gods geest die uitgestort wordt op alle vlees (NBV: ‘uitgegoten wordt over al wat leeft’), wordt in Handelingen 2:16 door Petrus aangehaald om de gebeurtenissen op Pinksteren te verklaren.

In de Latter Rain leer worden de profetieën in Joël 2:23b en 28-29 aan elkaar gekoppeld:
Joël 2:23b: Die zal regen op u doen neerdalen, vroege regen en late regen in de eerste maand. Joël 2:28-29: Daarna zal het geschieden dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees: uw zonen en uw dochters zullen profeteren, uw ouderen zullen dromen dromen, uw jongemannen zullen visioenen zien. Ja, zelfs op de dienaren en op de dienaressen zal Ik in die dagen Mijn Geest uitstorten. (HSV)
De beweging interpreteert beide regens in vers 23b als een uitstorting van de heilige Geest. Men leert dat de uitstorting van de heilige Geest op de discipelen op Pinksteren de vroege regen is, waarmee de profetie uit Joël 2:28-29 in vervulling is gegaan. De late regen (Engels: ‘latter rain’) zal een geweldige uitstorting van de heilige Geest zijn vlak voor de terugkomst van Jezus op aarde. In het kader hiervan geloven sommigen ook in de leer van ‘Joëls Leger’: de manifestatie van de ‘zonen van God’ (zie voor kritiek hierop het volgende onderwerp ‘Kingdom Now’).
Betreffen de regens in Joël 2:23b echter een uitstorting van de heilige Geest?

De vroege regen (Hebreeuws: ‘môreh’) en de late regen (Hebreeuws: ‘malḳôsh’) in vers 23b slaan op de regens die respectievelijk het begin (oktober-november) en het einde (maart-april) van het natte seizoen in het land Israël markeren. De vroege regen bevochtigt de aarde en maakt deze gereed voor de zaden die kort daarna gezaaid worden. De late regen is belangrijk voor de rijping van de gewassen. Als één van beide regens mislukt, wordt de oogst ernstig beschadigd.
De context spreekt enkel over de gaven van de aarde, niet over de gaven van de Geest welke genoemd worden in vers 28 en 29. De vroege regen betreft dan ook niet de uitstorting van de heilige Geest op Pinksteren, en de late regen (latter rain) betreft dan ook niet een vermeende uitstorting van de heilige Geest voor de terugkomst van Jezus. Wat Latter Rain doet is de hele tekst van het bijbelboek Joël uit zijn verband halen.
Joël voorspelt dat er weer goede tijden voor het volk Israël (‘kinderen van Sion’) komen, mits het volk tot berouw komt en zich bekeert. De regens staan voor deze goede tijden (iets wat nog duidelijker wordt in de NBV-vertaling). Vergelijk in verband hiermee ook Deuteronomium 11:13-17: Als u de geboden gehoorzaamt die ik u vandaag voorhoud, en de HEER, uw God, liefhebt en hem met hart en ziel dient, belooft de HEER: ‘Ik zal jullie akkers op de juiste tijd regen geven, in het najaar en in het voorjaar. Je zult je oogst binnenhalen, koren, wijn en olie, en ik zal groene weiden geven voor je vee. Je zult er leven in overvloed.’ Maar pas op: laat u er niet toe verleiden een dwaalspoor te volgen, voor andere goden neer te knielen en ze te vereren. Want dan roept u de woede van de HEER over u af en zal hij de hemel sluiten. Er zal geen regen meer vallen en de hele oogst zal mislukken, en spoedig zult u verdwenen zijn uit het goede land dat de HEER u zal geven.

Bronnen: Nieuwe encyclopedie van de bijbel, Uitgeverij Kok, Utrecht 1999, pagina 236, https://www.debijbel.nl/onderwerpen/s/joel-bijbelboek/1956, https://www.debijbel.nl/onderwerpen/s/dag-van-de-heer-ot/1037http://biblehub.com/commentaries/joel/2-23.htm
 
 

Kingdom Now (11)

De Latter Rain zienswijze op de eindtijd mondde in de jaren (19)70 uit in de Kingdom Now (Koninkrijk Nu) leer. Deze kreeg vooral bekendheid vanaf 1980. De theologie is een vorm van chiliasme of millennialisme en is een postmillennialistische leer: een interpretatie van Openbaring 20 die de terugkomst van Jezus plaatst na (Engels: ‘post’) het duizendjarig vrederijk. De leer is sterk beïnvloed door de Latter Rain en gaat uit van huidige nieuwe apostelen en profeten (herstel vijfvoudige bediening), en ‘geestelijke oorlogsvoering’.
Kingdom Now is een ‘herstelleer’ en een vorm van heerschappijtheologie. De kerk is een uiting van het koninkrijk van God en die kerk moet groeien, totdat ze de gehele aarde vervult. Wij bevinden ons volgens Kingdom Now nú in het koninkrijk en als gevolg daarvan zouden de gelovigen als koningen over de aarde moeten regeren (naar Openbaring 5:10). Daartegenover staat dat de apostel Paulus dit koningschap van gelovigen ziet als iets toekomstigs. Hij koppelt het aan de terugkeer van Jezus (1 Korintiërs 4:8). (Zie meer uitleg over Openbaring bij * onderaan de tekst.)

Kingdom Now leert dat Jezus niet eerder kan terugkeren, totdat al zijn vijanden door de christenen bedwongen zijn. Een strategie hierbij is te proberen sociale instellingen – waaronder overheden en wetten – onder Gods gezag te brengen. Kingdom Now aanhangers zijn dan ook tegen scheiding van kerk en staat, en streven naar een totale theocratie (regeringsvorm waarbij de geestelijke overheden tevens het staatsbestuur in handen hebben).
De kerk, zo wordt geleerd, moet opnieuw claimen wat Adam (door de zondeval) verloor aan Satan, namelijk het gezag over de aarde. Een manier om dat te doen is door ‘geestelijke oorlogsvoering’. Dit houdt in dat christenen door gebed in Jezus’ naam Satans controle en invloed over wijken, steden, regio’s en landen kunnen afbreken (zie verder ‘Geestelijke oorlogsvoering’).

De Nederlandse oud-docente psychologie aan de Evangelische Hogeschool Els Nannen bekritiseert deze leer als volgt: ‘De satan werd volgens deze mensen de “rechtmatige” heerser over de aarde in plaats van Adam. Satan heeft zodoende een “recht” en een “claim” op de aarde, evenals op de mens die op aarde leeft. (…) Wie de evangeliën serieus leest, ontdekt (…) dat de Here vóór zijn kruis en opstanding altijd met gezag leerde, gezag had “over alle vlees” en over de natuurelementen (Joh. 17:2, Mat. 8:27). Dat Jezus Christus tevens volmacht had om zonden te vergeven, om demonen uit te drijven en zelfs doden op te wekken, bewijst dat noch de zonde, noch de duivel, noch de dood alle macht hadden. Het hoogste was wel zijn gezag om zijn leven af te leggen en het weer te nemen (Joh. 10:18). De gedachte dat God de Schepper de heerschappij over de aarde aan satan, zijn vijandig schepsel, verloren zou hebben, is meer dan absurd.’ Nannen meent dat dit zelfs godslasterlijk is.
‘“De ganse aarde behoort mij”, zegt God tot Mozes. God heeft na de zondeval nooit in de plaats van de gevallen mens een gevallen engel tot heerser over de aarde benoemd. (…) De enige rechtmatige heerser en God van hemel en aarde is en blijft God de schepper, wetgever en rechter (1 Tim. 6:14-16, Jac. 4:12).
Voor Adam was de enige consequentie van zijn ongehoorzaamheid aan Gods gebod de doodstraf (Gen. 2:17, Rom. 6:23a). Na de zondeval behield de mens de heerschappij over de aarde en de dieren. (…) Wel is het een feit dat ten gevolge van Adams ongehoorzaamheid de aardbodem door God vervloekt, en door de zonden van Adams nageslacht verdorven werd (Gen. 3:17, 6:5, 6:11-12, Op. 19:2). Maar ook dat betekent geen “rechtmatige claim” van de duivel op de aarde.
De satan zal zich zeker gevleid voelen wanneer bevrijdingsleraars en andere christenen beweren dat hij de “rechtmatige heerser” is en als zodanig “rechtseisen” tegenover God en de mens heeft. Maar God heeft de satan nooit tot heerser verhoogd.’ (Bron: Els Nannen – ‘Waarlijk Vrij?’, hoofdstuk 2.2.2.)

Wat de Kingdom Now theologie in feite beweert is dat God buitenspel staat. De idee dat God de controle over iets, om het even wat, heeft verloren is ronduit belachelijk – zeker in combinatie met de idee dat de mensen hem moeten helpen deze controle terug te krijgen. De bijbel leert dat God over alles de volledige controle heeft: ‘Wanneer hij dit besloten heeft, de HEER van de hemelse machten, wie zal het dan verijdelen? Wanneer hij zijn hand opheft, wie zal hem tegenhouden?’ (Jes. 14:27). ‘Wat kosten twee mussen? Zo goed als niets. Maar er valt er niet één dood neer als jullie Vader het niet wil.’ (Mat. 10:29)

Kingdom Now verwacht een grote opwekking. Men gaat ervan uit dat het op deze aarde steeds beter wordt. We verwezenlijken immers het koninkrijk.
De boodschap van de bijbel is heel anders. Het beeld dat de bijbel schetst van de toekomst, tot de terugkomst van Jezus, is zeker geen soort hemel op aarde. Er wordt gesproken over afval van het geloof, verdrukking, vervolging, verkilling van de liefde, over oorlogen (Lucas 21, Matteüs 24, Openbaring). 2 Thessalonisenzen 2 en 3 spreken duidelijk over een grote afval van het geloof, wat wel iets anders is dan een ontwikkeling richting een Godsrijk op aarde.

Joëls Leger

Onder leiderschap van nieuwe apostelen en profeten leert de Kingdom Now theologie dat de gelovigen het koninkrijk van God zelf op aarde te kunnen verwezenlijken, waarna Jezus kan terugkomen om de leiding van dat koninkrijk op zich te nemen. In dit kader geloven sommigen ook (in navolging van de Latter Rain) in de ‘manifestatie van de zonen van God’: ‘Joëls Leger’. Ontstaan uit een grote wereldwijde opwekking zou deze groep ‘gezalfde’ christenen een belangrijk kenmerk zijn van de ‘late regen’ (latter rain). De ‘gezalfden’ zullen de heilige Geest zonder beperkingen ontvangen en dezelfde wonderen en tekenen kunnen verrichten als Jezus toen hij op aarde was. Hierdoor zullen zij de wereld voor Christus veroveren, zodat hij kan terugkomen op aarde.

De theologie is gebaseerd op Joël 2:1-11, waarin wordt gesproken over een leger ‘zoals er nooit tevoren is geweest’, op Psalm 82:6, waarbij men ‘U bent goden’ toepast op deze speciale groep gelovigen, en op Romeinen 8:19: ‘De schepping ziet er reikhalzend naar uit dat openbaar wordt wie Gods kinderen zijn’ (‘For the earnest expectation of the creature waiteth for the manifestation of the sons of God’, King James Version). Als je luistert naar de charismatische vernieuwingsgroepen kun je termen horen als ‘the manchild’, ‘the overcomers’, ‘the manifest sons of God’, ‘the Joël army’, ‘the Christ compagnie’. Al die termen slaan op deze elite met speciale zalving die in Jezus’ naam de wereld gaat veroveren.

Joël 2:1-11 spreekt over een leger ‘zoals er nooit tevoren is geweest’ (vers 2). Het gaat over de ‘dag van de Heer’ (zie vers 1 en 11). Vóór de Babylonische ballingschap beschrijven de klassieke profeten (de profeten uit de achtste en zevende eeuw voor Christus; de periode voor de ballingschap) de ‘dag van de Heer’ vooral als een dag van onheil. God zal de inwoners van Israël en Juda straffen, omdat ze zich niet gehouden hebben aan zijn wetten. Het zal een tijd zijn van angst, duisternis en natuurrampen, en Israël zal onderdrukt worden door andere volken. We vinden dit beeld bijvoorbeeld terug in de boeken Amos, Hosea, Micha, Sefanja en Joël, en in sommige gedeelten van Jesaja. Het betreft dus absoluut geen opwekking, laat staan een leger van gelovigen dat de wereld voor Jezus zal veroveren.
Kritiek op het gebruik van Psalm 82:6, waarbij men ‘U bent goden’ toepast op deze speciale groep gelovigen, is dat deze tekst is gericht tot de rechters van Israël, waar ze goden werden genoemd; niet omdat ze goddelijk waren, maar vanwege hun gezag en macht; omdat zij de ware en enige God vertegenwoordigden wanneer zij oordeelden over het volk. Het Hebreeuwse woord voor ‘goden’ gebruikt in Psalm 82: 6 (Hebreeuws: ĕ-lō-hîm), kan ook worden toegepast op magistraten (rechters) en om iemand te beschrijven als ‘machtig’ (vergelijk ook Johannes 10:34, Grieks: theoi).
Romeinen 8:19, een brief geschreven door de apostel Paulus, refereert aan de verschijning van de heiligen (zo noemt Paulus de christenen) in hun verheerlijkte lichamen bij de terugkomst van Christus. Zie vers 22 en 23 (BiGT): Nu is het leven op aarde nog vol pijn en ellende. Dat geldt ook voor ons leven. God heeft ons de heilige Geest al gegeven, maar we wachten nog op een lichaam dat nooit zal sterven. Dat is het grootste geschenk dat God ons zal geven. Dan zullen we leven als Gods kinderen. Maar tot die tijd hebben we het moeilijk en zwaar.’ 
Romeinen 8:19 gaat over de dood: de straf van God voor de slechtheid van de mensen. ‘Alles op aarde wordt bedreigd door de macht van de dood. Dat is niet de schuld van de aarde, maar het is de straf van God voor de slechtheid van de mensen. Toch is er hoop! Want ooit wordt de aarde bevrijd. Dan komt er een eind aan de macht van de dood. De aarde verlangt hevig naar dat moment van bevrijding. Dan zal God aan zijn kinderen het eeuwige leven geven. En dan zullen zij voor altijd op aarde leven.’ (BiGT, vers 19-21) De bijbel maakt duidelijk dat de verheerlijking van onze lichamen zal plaatsvinden bij de terugkeer van Jezus (Filippenzen 3:20-21; 1 Kor. 15:23, 50-57; 1 Joh. 3:2).
De leer van ‘Joëls Leger’ wordt binnen de traditionele christelijke theologie beschouwd als ketters.

Kingdom Now staat haaks op de bijbel en gelooft dat de mens tot ongekende dingen in staat is. De theologie is een misleidende filosofie van mensen wiens ijdele verbeeldingen streven God te vermenselijken en de mens te vergoddelijken.

Geraadpleegde bronnen: http://www.eo.nl/magazines/visie/artikel-detail/een-eigen-koninkrijk/http://www.gotquestions.org/kingdom-now.html, http://www.toetsalles.nl/htmldoc/latterrain.nar.htm, https://www.debijbel.nl/onderwerpen/s/dag-van-de-heer-ot/1037http://www.equip.org/article/the-manifestation-of-the-sons-of-god/https://books.google.nl/books?id=ziszAgAAQBAJ&pg=PT38&lpg=PT38&dq=kritiek+geestelijke+oorlogsvoering&source=bl&ots=86xB5dxPaG&sig=a_Pw3fy36al4Mqjy9JSytCKUs_A&hl=en&sa=X&ved=0ahUKEwjZ7pCTnZDLAhXkJXIKHbgAD6oQ6AEIRTAF#v=onepage&q=kritiek%20geestelijke%20oorlogsvoering&f=false
 

* Openbaring van Johannes
(bronnen: https://www.debijbel.nl/onderwerpen/s/openbaring-van-johannes/2619https://www.debijbel.nl/include/dl.php?l=NBGSERVER/document/Rome_en_de_duivel.pdf)

Openbaring is het laatste boek van het Nieuwe Testament. Traditioneel gaat men ervan uit dat het geschreven is door de apostel Johannes (de zoon van Zebedeüs). Het is echter waarschijnlijk dat het om een andere Johannes gaat: een rondreizende profeet in de Romeinse provincie Asia (nu West-Turkije). Het taalgebruik in Openbaring verschilt sterk van dat in het evangelie volgens Johannes en de auteur ziet zichzelf als een profeet.

Het boek Openbaring is gebaseerd op visioenen die de schrijver kreeg op het Griekse eiland Patmos. Johannes schrijft dat hij in ellende verkeert en op Patmos is omdat hij het goede nieuws van Jezus verkondigd had. Hij noemt er echter geen bepaalde straf bij. Sommige kerkvaders vermelden dat apostel Johannes naar Patmos was verbannen door keizer Domitianus (81-96). Velen denken ook dat het boek in die tijd geschreven is, omdat Domitianus bekend stond als een vervolger van de christenen. Maar historisch onderzoek laat zien dat Domitianus niet structureel christenen heeft vervolgd.
Sommige passages uit Openbaring kunnen verband houden met de periode kort na keizer Nero (gestorven 9 juni 68) (zie met name Openbaring 13:18, het getal 666) en de Joodse Oorlog tegen Rome (66-70), maar ze kunnen net zo goed te maken hebben met de regering van een van Domitianus’ opvolgers.
Er zijn dan ook zowel argumenten voor een vroege datering, kort na 70, als voor een latere, tot ongeveer 125. 

Johannes schreef het boek in de vorm van zeven brieven aan zeven christelijke gemeenten (Openbaring 1:4 en Openbaring 2:1-3:22). De steden liggen in een relatief klein gebied in de Romeinse provincie Asia, waar Johannes als een rondreizende profeet actief geweest moet zijn. De belangrijkste stad van de zeven genoemde gemeenten was Efeze. Dat was tachtig kilometer van Patmos vandaan. De Grieks-Romeinse cultuur domineerde in de provincie Asia het openbare leven. Dit betekent dat Johannes’ lezers destijds geconfronteerd werden met tempels voor Grieks-Romeinse goden en met religieuze activiteiten waarbij het verplicht was eer te bewijzen aan de keizer en aan de godin Roma, die het Romeinse Rijk representeerde. Ook gemeenschappelijke maaltijden, zoals die van de verschillende gilden van ambachtslieden, hadden vaak een religieuze dimensie. Johannes was fel gekant tegen deze praktijken en verbond ze met de invloedssfeer van Satan.

Openbaring beschrijft hoe Johannes op Patmos in vervoering raakt en vervolgens van Jezus Christus een serie visioenen krijgt in woord en geluid. Het boek verzet zich tegen de verering van de keizer en de macht van de Romeinse staat. Het spreekt de kleine, bedreigde geloofsgemeenschappen in de provincie Asia moed in om vol te houden. Uiteindelijk, zo stelt Johannes, ligt alle macht in handen van God en Jezus Christus. De ellende zal slechts korte tijd duren, want Christus zal spoedig terugkeren en alle goddeloze machten vernietigen. De lezers krijgen een rijk van vrede, en een nieuwe hemel en een nieuwe aarde in het vooruitzicht gesteld.

Openbaring 20

Weinig teksten uit de bijbel zijn zo ondoorgrondelijk als de visioenen uit Openbaring. Openbaring 20 is daarop geen uitzondering. In hoofdstuk 19 wordt beschreven hoe ‘het beest en zijn legertroepen’ oorlog willen voeren tegen ‘de ruiter op het paard en zijn legermacht’. De ruiter op het paard wint de strijd. Het beest staat voor het oude Rome, de ruiter voor Christus. Met andere woorden, hier wordt voorspeld dat het Romeinse Rijk ten onder zal gaan. Dat is het moment waarop het visioen uit hoofdstuk 20 begint. We horen hoe een engel de duivel gevangen zet voor duizend jaar. De schrijver van Openbaring ziet Rome en de duivel als twee handen op een buik. Het grote Romeinse Rijk is voor hem de vertegenwoordiging van de duivel op aarde. Het symboliseert als het ware het kwaad zelf. Nadat Rome verslagen zal zijn, zal dus die duivel duizend jaar opgesloten worden. Tijdens diezelfde duizend jaar zullen volgens de profetie degenen die ‘het beest en zijn beeld niet hadden aanbeden’ en onthoofd waren weer opstaan uit de dood. Ze zullen samen met de messias (dat is Jezus Christus) regeren. ‘Het beest en zijn beeld’ verwijst weer naar Rome. Het onthoofden verwijst naar de straffen die christenen konden krijgen als ze de beelden van de Romeinse keizer niet wilden aanbidden. Over de periode van duizend jaar die hier genoemd wordt, is al veel gediscussieerd. Er zijn zelfs hele theologische stromingen uit ontstaan. Vermoedelijk moet je de duizend jaar niet zo letterlijk nemen. Er komen in Openbaring veel getallen voor die symbolisch bedoeld zijn. De schrijver wil vooral aangeven dat het gaat om een heel lange periode, maar wel een periode die eindig is. Het gaat hier dus over het einde van het Romeinse Rijk, waarna de duivel een lange tijd opgesloten wordt. De door de Romeinen gedode christenen staan op en regeren samen met Christus. Na die periode wordt de duivel losgelaten uit zijn gevangenis, om nog één keer de mensheid te misleiden. Hij verzamelt alle volken om op te trekken naar de christenen en de stad Jeruzalem. Al die volken samen worden in het visioen Gog en Magog genoemd. Daarmee staat Openbaring in verbinding met een andere Bijbeltekst, Ezechiël 38- 39, waarin de komst van Gog uit het land Magog voorspeld wordt. In het vroege Jodendom is die profetie uit Ezechiël uitgelegd als een voorspelling van wat er zal gebeuren aan het eind van de tijd. Gog en Magog zijn de volken van de duivel, die tegen de goede mensen strijden, de mensen die bij God horen. De schrijver van Openbaring neemt die profetie op in zijn eigen voorspellingen. In het visioen van Openbaring blijft het bij het misleiden van de volken. De duivel boekt geen overwinning meer: hij wordt voor altijd verslagen en opgeborgen. De doden staan op en ondergaan het laatste oordeel. Daarna kan de goede tijd die God beloofd heeft definitief beginnen.
Toen het boek Openbaring opgeschreven werd, waren de Romeinen op het hoogtepunt van hun macht. Het einde van hun rijk was dus nog niet in zicht. Waarom voorspelt de schrijver dan toch al deze dingen? Hij wil zijn lezers en lezeressen ervan overtuigen dat de dingen niet altijd zijn zoals ze lijken. Christenen worden opgepakt en gedood en van Gods beloofde nieuwe toekomst is weinig zichtbaar. Geweld hoort bij de werkelijkheid van alledag. Maar ook al dat geweld hoort bij Gods wereld, die uitloopt op iets nieuws en beters. Het is alsof de schrijver tegen zijn lezers wil zeggen: God is de greep op de wereld niet kwijt, dus houd vast aan wat je beweegt, houd vast aan je geloof. Om die boodschap te kunnen begrijpen, moet je wel door heel wat angstaanjagende beelden en visioenen heenkijken…

Het boek Openbaring bestaat uit veel beelden en visioenen met uitleg. Er wordt veel geheimzinnige taal in gebruikt en het is niet helemaal duidelijk wat er precies bedoeld is. Zulke teksten worden aangeduid met de term ‘apocalyptiek’. Dat woord is afgeleid van het Griekse woord ‘apocalyps’, dat ‘onthulling’ of ‘openbaring’ betekent.
Het boek heeft duidelijk kenmerken van een brief. Waarschijnlijk werd het geschrift in West-Turkije van de ene gemeente naar de andere gestuurd om er uit voorgelezen te worden. 
 
 

Geestelijke oorlogsvoering (12)

Efeziërs 6:10-17: Houd stand
Ten slotte, zoek uw kracht in de Heer, in de kracht van zijn macht. Trek de wapenrusting van God aan om stand te kunnen houden tegen de listen van de duivel. Onze strijd is niet gericht tegen mensen maar tegen hemelse vorsten, de heersers en de machthebbers van de duisternis, tegen de kwade geesten in de hemelsferen. Neem daarom de wapens van God op om weerstand te kunnen bieden op de dag van het kwaad, om goed voorbereid stand te kunnen houden. Houd stand, met de waarheid als gordel om uw heupen, de gerechtigheid als harnas om uw borst, de inzet voor het evangelie van de vrede als sandalen aan uw voeten, en draag bovenal het geloof als schild waarmee u alle brandende pijlen van hem die het kwaad zelf is kunt doven. Draag als helm de verlossing en als zwaard de Geest , dat wil zeggen Gods woorden.

wapenrusting
 
De geestelijke strijd behandeld door de apostel Paulus in bovenstaande bijbelpassage, vullen de neo-charismatici in als opdracht om te vechten tegen demonische machten. Door ‘geestelijke oorlogsvoering’ in gebed menen ze de invloed van duivelse machten te kunnen verbreken en de groei van Gods koninkrijk te bewerken. Het is een leer in navolging van Kingdom Now. Bij de gebeden die men gebruikt gaat het om bestrijden. Dit doet men door Satan te bestraffen, ‘territotiale’ demonen te neutraliseren, mensen – ook christenen – te  bevrijden van (vermeende) demonische ‘gebonden- of bezetenheid’, en door aanbidding. Men maakt gebruik van onder andere gebedswandelingen, strijdend vlaggen, strijdend bidden op speciale plaatsen en zelfs strijdend zingen. Soms wordt de trommel, conga of drum gebruikt tot aansporing.

Wie is Satan?

In het Oude Testament heeft het Hebreeuwse woord satan meestal de algemene betekenis van ‘aanklager’. In slechts een paar gevallen gaat het daarbij om een hemelse figuur. In het Nieuwe Testament is Satan de grote tegenstander van God, die verantwoordelijk is voor het kwaad in de wereld.

In de Hebreeuwse tekst van het Oude Testament komt de uitdrukking satan bijna dertig keer voor. Het verwijst meestal naar mensen, en betekent ‘tegenstander’ of ‘aanklager’. Het woord heeft in zulke gevallen niets te maken met Satan als bovennatuurlijk persoon.
In drie gevallen verwijst satan in het Oude Testament naar een hemelse figuur. Wat precies de betekenis is van Satan in de teksten waarin hij optreedt als een hemelse figuur, is omstreden. De teksten wijzen ook niet allemaal in dezelfde richting. In Job 1-2 en Zacharia 3:1-2 behoort hij tot de hemelse raad (een groep hemelse raadgevers van God). In allebei die teksten is Satan een soort negatieve tegenpool en tegenstander van God, en treedt hij op als een aanklager van mensen. Maar zijn macht is slechts beperkt: God bepaalt uiteindelijk wat er gebeurt. In 1 Kronieken 21:1 heeft Satan meer macht. Daar treedt hij op als verleider: hij zet David ertoe aan een volkstelling te houden. Satan is in deze tekst misschien vooral gebruikt om God te ontlasten: het was niet God die David liet zondigen (zoals in 2 Samuel 24:1 wordt gezegd), maar ‘een satan’.
In Numeri 22:22 wordt de engel van de Heer die Bileam de weg verspert, aangeduid als satan. Maar waarschijnlijk wordt het woord satan in deze tekst in de gewone betekenis van ‘tegenstander’ gebruikt: de engel houdt Bileam tegen, en is daarom een ‘tegenstander’ van Bileam.

In het Nieuwe Testament wordt met Satan een bovennatuurlijke persoon bedoeld die de belangrijkste tegenstander is van God, en die verantwoordelijk is voor het kwaad in de wereld. Hij is de leider van de engelen die tegen God in opstand gekomen zijn.
Vanaf de tweede eeuw voor Christus ontwikkelde zich een nieuw beeld van Satan. In sommige joodse teksten werd hij getypeerd als de aartsvijand van God. Hij werd gezien als de heer van het rijk van de duisternis, en de vorst van de boze geesten. Een andere aanduiding voor Satan is ‘de duivel’. Dat is afgeleid van het Griekse diabolos, ‘kwaadspreker’, wat in de Septuaginta soms de vertaling van het Hebreeuwse satan is. Hij zou van oorsprong een hooggeplaatste engel zijn, die als aanvoerder van een groep engelen in opstand kwam tegen God. De bijbelse tekst die hiervoor de basis bood, is Genesis 6:2-4*.

* Hier kiezen de godenzonen vrouwen uit de dochters van de mensen. Waarschijnlijk was dit een motief uit de mythologie (verhalen over goden en andere bovennatuurlijke wezens): de goden die worden bedoeld, zijn de goden die we kennen uit oosterse mythes. De schrijver van het Genesisverhaal gebruikte dit motief om de wanorde in de tijd vóór de zondvloed te illustreren. (Bron: https://www.debijbel.nl/onderwerpen/s/godenzonen/531.)
Een tweede uitleg is dat in de oudheid een koning vaak werd aangeduid als ‘zoon van de goden’. Als we de verwijzing in die zin opvatten, staat er dat de koningen inplaats van de onschuldigen te beschermen, schaamteloos hun onderdanen misbruiken en het recht claimen met elke vrouw die ze begeerden te slapen. Het bestempelen van de ‘befaamde helden’ die uit deze verbintenissen geboren werden als ‘nefilim’ – letterlijk de ‘gevallenenen’ of ‘verdoemden’ – laat zien hoe nuchter de tekst deze heroische figuren en hun daden beoordeelt. Het ging om het morele verval van de mens (Gen. 6:5). De mens heeft zichzelf herschapen naar het evenbeeld van Kain. Vol pijn wend God zich af van een waanzinnig geworden wereld, want ‘ik heb er spijt van dat ik hen heb gemaakt’ (Gen. 6:7). Volgens Genesis zal slechts een van hen aan Gods toorn ontkomen: Noach. (Geraadpleegde bron: Biblica, atlas van de Bijbel, Librero 2014, Kerkdriel, pagina 97)

In de christelijke traditie kwam de voorstelling op dat de duivel de mens tot zonde (ingaan tegen de wil van God) verleidt. Als slang verleidde hij de eerste mensen, en bracht zo dood en verderf in de wereld.
In het Nieuwe Testament is Satan de vorst van het rijk van de duisternis. Zijn rijk omvat de hele wereld (vergelijk Matteüs 4:1-11; 1 Johannes 5:19) en ook de lucht en de hemelsferen (Efeziërs 6:12). Mensen die niet in Jezus Christus geloven, vallen onder de heerschappij van Satan. Wie in Jezus Christus gaat geloven, gaat over van het rijk van de duisternis naar het rijk van het licht. Maar Satan blijft de verleider, en wie zijn geloof verliest, valt in Satans handen terug (1 Johannes 2:18-19).
In het boek Openbaring is Satan de draak waarmee de aartsengel Michaël de strijd aangaat. Satan staat hier voor de krachten van het kwaad. Uiteindelijk zullen de duivel en zijn medestanders worden verslagen in een laatste grote strijd. De macht van Satan zal dan voor altijd gebroken worden, en hij en zijn engelen zullen in het eeuwige vuur worden geworpen (Openbaring 20:1-10).
Andere namen voor Satan zijn Lucifer (naar de Latijnse vertaling van het woord ‘morgenster’ in Jesaja 14:12), Beliar of Belial, en Beëlzebul. Belial is een Hebreeuws woord dat ‘waardeloos,’ ‘wetteloos’ of ‘losbandig’ betekent. Personen die zich op een immorele manier gedragen, worden in het Oude Testament soms ‘zonen van belial’ (dat wil zeggen ‘zonen van wetteloosheid’, ‘wetteloze personen’) genoemd. In 2 Tessalonicenzen 2:3 wordt Satan ‘de wetteloze mens’ genoemd. Dat is in feite een vertaling van Belial. De betekenis van de naam Beëlzebul is omstreden, maar tegenwoordig denken de meeste uitleggers dat de naam ‘Baäl de prins’ betekent. Er is waarschijnlijk een verband met Beëlzebub (NBV: Baäl-Zebub), een Filistijnse god die genoemd wordt in 2 Koningen 1:2–3. Beëlzebub betekent ‘heer van de vliegen’. Mogelijk was de echte naam van deze Filistijnse god Beëlzebul, en heeft de bijbelse auteur dat opzettelijk veranderd in de spotnaam Beëlzebub—‘heer van de vliegen’.
(Bron: https://www.debijbel.nl/onderwerpen/s/satan/517)
 
Wagners theorie

download (4)Charles Peter Wagner (1930, zie hoofdstuk 5) (foto links) is mede bekend geworden door zijn zienswijze op ‘geestelijke oorlogsvoering’ (‘spiritual warfare’ of ‘geestelijke strijd’), in navolging van de Kingdom Now leer. De basisvisie van Wagner is dat christenen een ‘strategisch-geestelijke oorlogvoering’ tegen Satan en zijn demonen moeten voeren om de wereldwijde opwekking (de ‘late regen’: latter rain) voor te bereiden, en zodoende de wederkomst van Christus op aarde. Wagner meent dat er drie niveaus zijn binnen deze ‘oorlogsvoering’:

1. Grondniveau: Persoon tot persoon; bidden voor elkaars persoonlijke behoeften. Dit verwijst naar het uitdrijven van demonen uit mensen (bevrijdingspastoraat).

2. Occult niveau: Houdt zich bezig met demonische krachten vrijgegeven door activiteiten die verband houden met satanisme, hekserij, astrologie en andere vormen van occultisme (sjamanen, New Age channelers, occultisten, tovenaars, waarzeggers).

3. Strategisch of kosmisch niveau: Het terugdringen en ontbinden van demonen die over regeringen en overheden heersen. Op dit niveau maakt men gebruik van ‘spiritual mapping’: geestelijke (territoriale) machten worden boven een bepaald gebied in kaart gebracht, waarna wordt gebeden om deze te bestrijden, ook op de plek zelf. Het houdt in het ‘ontdekken’ waar demonen het meest actief en krachtig zijn, waarom ze die macht kunnen behouden en ook wat hun namen zijn.*

* Met betrekking tot de leer van ‘territoriale demonen’ (3) wordt gesteld: Satan is de heerser van de aarde en bekleedt de hoogste positie in die hiërarchische structuur van demonen. Omdat hij niet zoals God alomtegenwoordig is, delegeert hij zijn heerschappij aan zijn handlangers (demonen) die in de demonische hiërarchie een hoge rang hebben. Deze hiërarchie is naar gebieden of territoria ingedeeld aan diverse demonen en als ‘hun competentiegebied’ toegewezen. De christen nu moet met het oog op evangelisatie, zending en bevrijdingsbediening de demonische hiërarchie nauwkeurig onderzoeken, kennen en onderscheiden. Bij het ondervragen van demonen wordt daarom niet alleen naar hun naam gevraagd, maar ook naar hun positie en taak binnen de hiërarchie en naar hun ‘territorium’. (Bron: Els Nannen – ‘Waarlijk Vrij?’, hoofdstuk 2.2.4.)

‘Geestelijke oorlogsvoering’ is een aanvalsstrijd door neo-charismatische gelovigen tot uitbreiding van het koninkrijk van God en het terugdringen van de invloed van Satan in de wereld. In deze ‘oorlogsvoering’ kunnen aanval en verdediging door elkaar heenlopen. Het uitgangspunt van Wagner in deze ‘strijd’ is dat Satan en zijn demonen letterlijk in de wereld zijn, dat territoriale demonen van Satan kunnen worden geïdentificeerd bij naam en dat christenen verplicht zijn een geestelijke strijd met hen aan te gaan. Op het individuele vlak is het bevrijdingspastoraat hiervan onderdeel (zie het volgende onderwerp).

Ontkrachtiging theorie Wagner

Hoe raar dit ook mag klinken, maar Wagner ontkrachtigt zelf zijn theorie van geestelijke oorlogsvoering! Zo verbaast hij zich erover dat van alle boeken over engelen en demonenleer in de bibliotheek van het Fuller Seminary (theologische opleiding in de VS), hij er maar vijf kon vinden die ‘ook maar enige verwijzing hadden naar (geestelijke) territoriën en dat er van de vijf slechts drie het onder­werp enigszins behandelden, maar duidelijk als iets secundairs (ondergeschikt)’. [1]
Na tweeduizend jaar theo­logische weten­schap zou dit feit alleen ons al vraagtekens moeten doen zetten bij de aandacht die deze leer nu krijgt. Wagner zegt wel dat hij vermoedt dat deze leer histo­rische wortels moet hebben, maar die zijn tot op heden onduide­lijk. [2] Als deze opzienbarende dingen al die jaren in de bijbel aanwezig zouden zijn geweest, waarom heeft niemand ze ooit gezien? ‘Het neerhalen van “territoriale geesten” die verbonden zijn aan specifieke gebieden, is een betrek­kelijk nieuw idee’, geeft Steven J. Lawson (voorganger bij Christ Fellowship Baptist Church in Mobile, Alabama, VS, en directeur van OnePassion Ministries) toe. [3]
Zelfs de voorstanders van deze leer geven dus toe dat er weinig in de bijbel wordt geleerd over het onderwerp van ‘territoriale demonische hiërar­chieën’. Deze leer zou daarom merendeels afgeleid zijn uit de ervarin­gen van zendelingen en christelijke werkers en niet uit de bijbel.
Wagner geeft toe dat zijn conclu­sies soms berusten op persoonlijke giswerk: ‘Niets in dit vers zelf (Efeziërs 6:12), wijst erop dat één of meer van deze categorieën zouden passen bij de beschrijving van territoriale geesten. Maar velen, waaronder ikzelf, vinden dit hoogst aanneme­lijk.’ [4]
Efeziërs 6:12: ‘Onze strijd is niet gericht tegen mensen maar tegen hemelse vorsten, de heersers en de machthebbers van de duisternis, tegen de kwade geesten in de hemelsferen.’ 

Daniël 10

PawsonDe Britse voormalig baptische predikant James David Pawson (1930) (foto rechts) zegt over Wagners theorie: ‘Hoewel men nu beweert dat de Schrift deze methode ondersteunt, kwam zij niet voort uit een heront­dekking van bijbelse zendingsprin­cipes. Als we deze leer onderzoe­ken in het licht van de Schrift, is de bijbelse basis ervoor uiterst zwak.’ Pawson stelt dat er slechts twee verzen in de bijbel zijn die eventueel ‘territoriale geesten’ beschrijven: Daniël 10:13 en 20. [5] ‘Wat hier moet worden opge­merkt, is dat Daniël niet persoon­lijk de strijd met hen aanbond en ook niet de opdracht daartoe kreeg. Er werd met hen afgerekend door tussenkomst van engelen.’ [10] Hiermee stelt Pawson dat er in de gehele bijbel geen fundering aanwezig is voor de charismatische leer van ‘geestelijke oorlogsvoering’ door gelovigen.

Daniël 10 (NBV):
In het derde jaar van koning Cyrus van Perzië werd aan Daniël, die Beltesassar werd genoemd, een boodschap geopenbaard. Het was een betrouwbaar bericht over een grote strijd. Door een visioen begreep hij het bericht.
2 In die dagen was ik, Daniël, drie volle weken in de rouw. 3 Smakelijk voedsel at ik niet, vlees en wijn kwamen niet in mijn mond, en ik wreef mij niet in met olie tot er drie weken verstreken waren. 4 Op de vierentwintigste dag van de eerste maand, toen ik mij aan de oever van de grote rivier de Tigris bevond, 5 sloeg ik mijn ogen op en zag een man, gekleed in linnen, met om zijn lendenen een gordel gemaakt van goud uit Ufaz. 6 Zijn lichaam was als turkoois, zijn gezicht leek een bliksem en zijn ogen waren als fakkels van vuur. Zijn armen en voeten glansden als gepolijst koper en zijn stemgeluid leek door een mensenmenigte te worden voortgebracht. 7 Alleen ik, Daniël, zag de verschijning. De mannen in mijn gezelschap zagen de verschijning niet, maar werden wel bevangen door een grote angst, zodat zij wegvluchtten en zich verborgen 8 en ik alleen overbleef. Toen ik die indrukwekkende verschijning zag, verloor ik al mijn kracht; ik werd lijkbleek en was niet in staat nog iets te doen. 9 Ik hoorde zijn stem, maar zodra ik die hoorde verloor ik het bewustzijn en viel voorover op de grond. 10 Toen raakte een hand mij aan en deed me al bevend op handen en knieën steunen. 11 Hij zei tegen me: ‘Daniël, geliefde man, luister naar de woorden die ik tot je spreek en sta op, want ik ben naar je toe gestuurd.’ Nadat hij dit gezegd had, stond ik bevend op. 12 Toen zei hij: ‘Wees niet bang, Daniël, want vanaf de eerste dag dat je inzicht probeerde te verkrijgen door in deemoed te buigen voor je God, is je gebed verhoord, en daarom ben ik gekomen. 13 Maar de vorst van het Perzische koninkrijk heeft mij eenentwintig dagen tegengehouden voordat Michaël, een van de voornaamste vorsten, mij te hulp schoot toen ik daar, bij de koningen van Perzië, zo alleen stond. 14 Ik ben gekomen om je inzicht te geven in wat er aan het einde van de tijd met je volk zal gebeuren; want dit is opnieuw een visioen dat over de toekomst gaat.’
15 Terwijl hij zo tegen me sprak, hield ik mijn ogen op de grond gericht en was verstomd. 16 Toen raakte de menselijke gedaante mijn lippen aan. Ik opende mijn mond en begon te spreken. Ik zei tegen degene die voor me stond: ‘Mijn heer, door het visioen verkrampt mijn lichaam, mijn kracht verlaat me. 17 Hoe kan ik, uw dienaar, met u spreken? Ik heb helemaal geen kracht meer, er rest mij geen levensadem.’ 18 Toen raakte hij, die eruitzag als een mens, mij nogmaals aan en schonk me kracht. 19 Hij zei: ‘Wees niet bang, geliefde man, vrede zij met je, wees sterk, wees sterk!’ En doordat hij tegen me sprak, werd ik gesterkt, en ik zei: ‘Mijn heer, spreek, u hebt mij gesterkt.’ 20 Toen zei hij: ‘Weet je waarom ik naar je toe gekomen ben? Ik moet spoedig terugkeren om tegen de vorst van Perzië te strijden, en zodra ik hem overwonnen heb, wacht mij de vorst van Griekenland. 21 Maar eerst zal ik je zeggen wat er in het geschrift van de waarheid geschreven staat. Niemand steunt mij in mijn strijd tegen deze vorsten, behalve je vorst Michaël.

De Nederlandse oud-docente psychologie aan de Evangelische Hogeschool Els Nannen stelt in haar boek ‘Waarlijk Vrij?’ (2011) dat de charismatische leer over territoriale demonen maar op één bijbeltekst is gebaseerd, namelijk Daniël 10:13: ‘Maar de vorst van het Perzische koninkrijk heeft mij eenentwintig dagen tegengehouden voordat Michaël, een van de voornaamste vorsten, mij te hulp schoot toen ik daar, bij de koningen van Perzië, zo alleen stond.’ Nannen weerlegt de charismatische uitleg tot dit vers met de volgende argumenten:

1. ‘Daniël 10 begint met de vermelding wanneer het visioen en Daniëls reactie van rouw daarop plaatsvonden: “In het derde jaar van Kores*, de koning der Perzen”. Deze Kores was geen geen vijand van het Joodse volk. Integendeel. (…) God gebruikte de heidense koning Kores om het lot van zijn volk te keren en het naar zijn land terug te laten keren. Er stond dus niet een “Perzisch-territoriale demon” achter Kores die het edict (besluit) daartoe al twee jaar voor Daniël 10 uitgevaardigd had (…), maar God zelf. Het is dan ook niet goed denkbaar dat een demonenvorst achter Kores tegenover de engel stond om te verhinderen dat Daniël profetisch inzicht in de toekomst van de volken en van Israël zou ontvangen (Daniël 10:13).’
* In de NBV heet Kores ‘Cyrus’. Een belangrijke Perzische koning in de bijbel is Cyrus II (regeerperiode 559-530 v. Chr.) Hij voerde een tolerant beleid ten opzichte van de godsdiensten en gewoonten van de volken die hij veroverde. In 539 v.Chr. versloeg hij de Babyloniërs. Volgens Ezra 1:1-4 was Cyrus degene die de Israëlieten toestemming gaf om uit de Babylonische ballingschap terug te keren en de tempel te herbouwen. (Het Perzische Rijk kwam na het Babylonische Rijk. De Perzen worden in de Bijbel vaak samen genoemd met de Meden.) (Bron: https://www.debijbel.nl/onderwerpen/s/koningen-van-de-grootmachten/2894)

2. ‘Daniël had een woord geopenbaard gekregen en daarom zijn hart erop gezet om inzicht te verkrijgen (Daniël 10:1 en 12). Hij was dus niet in gebed voor bevrijding van Perzië van “territoriale demonen” opdat hij een evangelisatie in Perzië zou kunnen doorvoeren en Kores tot geloof zou kunnen komen. Hij had evenmin in die wachttijd van drie weken de ”voor Perzië competente demon” gebonden en zo “geneutraliseerd”. Het kwam in deze gelovige, aan wie juist de waarheid van Gods soevereine regering geopenbaard was (onder andere in Daniël 2:19-21), natuurlijk nooit op een demon achter het uitstel van verhoring te zien.
Ook de engel spreekt niet over een demonenvorst die tegenover hem stond, laat staan dat hij die eerst had moeten “binden” (neutraliseren) of zelfs “uitdrijven” om tot Daniël te kunnen komen. Kores was een mens en geen demon, evenmin een vorst door een demon gebonden, laat staan bezeten. Bovendien was de engel niet gekomen om Perzië, Kores of Daniël van demonische gebondenheid door een territoriale demon te bevrijden. Er vond dan ook geen zogenaamde “evangelische doorbraak” plaats. De engel was met maar één doel gekomen: Daniël profetisch inzicht te geven!’

3. ‘De strijd vond in de hemel plaats – niet op aarde, niet in het Perzische rijk. Er waren geen mensen bij die strijd betrokken, ook Daniël niet. Hij wist zelfs helemaal van niets, totdat de engel hem over een strijd samen met de engel Michaël informeerde.
Kortom, ook vanwege dat alles kan Daniël 10 geen legitimatie zijn voor de charismatische dwaalleer en dwaalpraktijk van strategisch-geestelijke oorlogsvoering tegen “territoriale demonen” op aarde.’

4. ‘In de charismatische interpretatie van Daniël 10 wordt weinig of geen acht geslagen op vers 13b waar sprake is van koningen, dus meervoud, terwijl Kores de enige in die tijd was. De oplossing ligt in hoofdstuk 11:2. Er zullen nog drie koningen in Perzië opstaan en “dan (daarna) zal de vorst van Griekenland komen” (Daniël 10:20) – niet de demonenvorst van Griekenland! Het is een profetie aangaande het komende Griekse rijk (Daniël 11), het rijk van Alexander de Grote (356-323 v.Chr.), waaraan Babel later dienstbaar zou worden als vergelding voor zijn boze daden (Jer. 25:12-14).
De vermelding van het toenmalige Perzië met zijn vier opeenvolgende vorsten en het daaropvolgende koninkrijk van Griekenland is dus eerder een historische aangelegenheid dan een geografische met “territoriale  demonen”!’
Daniël 7-12 geeft beschrijvingen van visioenen van Daniël. Het zijn visioenen over het verloop van de geschiedenis. In het eerste visioen (Daniël 7) verschijnen vier dieren. Ze staan symbool voor de grote wereldrijken van die tijd. Ook is er sprake van ‘een oude wijze’ die plaatsneemt op een troon. En er verschijnt met de wolken iemand die ‘eruitzag als een mens’. Het tweede visioen (Daniël 8) beschrijft de strijd tussen een ram en een geitenbok. De ram is symbool van het Perzische rijk en de geitenbok van het Griekse rijk. Het derde visioen (Daniël 9) beschrijft de komst van de engel Gabriël. Hij geeft Daniël uitleg over de toekomst van zijn volk en van Jeruzalem. Het laatste visioen (Daniël 10-12) geeft in geheimzinnige taal een overzicht van de historische gebeurtenissen vanaf het begin van de Perzische periode tot aan de tijd van Antiochus Epifanes (extra link www.debijbel) (circa 215-164 v. Chr.). (Bron: https://www.debijbel.nl/onderwerpen/s/daniel-opbouw/1984)

5. ‘Het enige doel van Daniël 10–12 is om een profetisch-historisch perspectief te geven met betrekking tot het Perzische en Griekse rijk, tot de koningen van het zuiden en die van het noorden alsook tot Israël zelf.’

Nannen meent dat de charismatische leer van ‘territoriale demonen’ een grove belediging is van God en zijn soevereine (oppermachtige) regering. ‘De Bijbel zelf geeft nergens een basis voor de constructie van “territoriale” demonen, ook niet in die éne tekst in Daniël 10. Daarmee vervalt dus ook de basis voor een “strategisch-geestelijke oorlogsvoering” tegen “teritoriale” demonen ter voorbereiding van evangelisatie, zending of een opwekking. Waar de Schrift zwijgt, mag de mens niet spreken en niet boven Gods Woord uitgaan, opdat hij niet als leugenaar bevonden wordt (Spreuken 30:6).’ (Bron: Els Nannen – ‘Waarlijk Vrij?’, hoofdstuk 2.2.5.)

Ander bijbels bewijs?

Behalve Daniël 10 worden er nog andere teksten aangedragen als eventueel bewijsmateriaal voor het territoria­le gedrag van demonische activi­teit: de koning van Tyrus (Ezech. 28:12), de geest van Babylon* (Openb. 17:3‑5), Bel in Babel (Jer. 51:44), Baäl Zebub van Ekron (2 Kon. 1:2, 3) en Apollyon van de afgrond (Open. 9:11). Maar deze teksten vormen een uiterst zwakke basis voor het formuleren van een hele theorie over demonische hiërarchieën. Men geeft vrij algemeen toe dat ‘de voorbeelden van territoriale gees­ten in het Nieuwe Testament beperkt zijn’. [6] Volgens Wagner is de hoer van Openbaring 17* ‘…het meest duide­lijke voorbeeld dat ik gevonden heb van een demonische geest die naties en volkeren beheerst’. [7]
Gezien de interpretatie van de hoer in Openbaring 17*, wordt hiermee in feite toegegeven dat het nieuwtestamen­tische bewijs voor deze nieuwe leer niet aanwezig of tenminste nihil is. Pawson stelt: ‘Er is absoluut geen aanwijzing dat zendingswerk in een nieuwe streek ooit begon met het “binden”** van de plaatselijke demonische heerser en geen enkele verwijzing dat Paulus de geesten van Athene of Korinthe probeerde te identificeren en te “binden”, voordat hij daar begon te prediken. Als dit een noodzakelijke voorwaarde was om een situatie “vrij te maken”, dan zou dit zeker met name genoemd zijn in het zendingsbevel van de Heer voor hij opvoer naar de hemel. Er is geen apostolisch precedent, noch in leer, noch in praktijk. Ook vinden we nergens een opdracht aan de gelo­vigen om de duivel te “binden”.’ [5]

* In de eerste eeuw zagen de christenen in Asia (nu West-Turkije) de hoer van Babylon waarschijnlijk als een parodie op de Romeinse godin Roma. Roma (de verpersoonlijking van de stad Rome) zat op de zeven heuvels bij de Tiber (Ezechiel 17:9 identificeert de zeven koppen van het beest als zeven bergen of heuvels) en werd door het hele Romeinse rijk vereerd. De incarnatie van Babylon in het Romeinse Rijk is niet de enige betekenis van het visioen van Johannes: Babylon staat voor de onderdrukkende, afgoden vererende, opstandige stad die in alle tijden te vinden is. Ze is ‘de grote stad, die heerst over de koningen op aarde’ (Openbaring 17:18) en is niet alleen verantwoordelijk voor het bloed van de leerlingen van Jezus (vooral de martelaren onder de Romeinse keizer Nero), maar ook van ontelbare andere onschuldige slachtoffers (18:24). (Bron: Biblica, atlas van de bijbel, Librero 2014, Kerkdriel, pagina 492)
** ‘Binden’: neutraliseren, aanspreken en wegsturen; zie voor uitleg het volgende onderwerp ‘Bevrijdingspastoraat’.

In de leer van geestelijke oorlogsvoering wordt sterk benadrukt dat niet alleen mensen door demo­nen bezeten kunnen zijn, maar ook ‘sociale structuren, zoals rege­ringen of industrieën’. [8] ‘Sociale structuren zijn niet op zichzelf demonisch, maar ze kun­nen en zijn vaak door uiterst kwaadaardige en dominerende demonische persoonlijkheden bezeten, die ik territoriale geesten noem.’ [9]
Er wordt geen enkel bijbels bewijs aange­voerd voor deze stelling, en het is één van de punten die in wezen tegen de Bijbelse openbaring blijkt in te gaan. De apostel Paulus zegt een paar buitengewoon vriendelijke dingen over overheden en regeringen en de noodzaak om ons aan hen te onderwerpen, omdat ze door God aangesteld zijn; een moeilijk punt misschien, maar dat we toch niet kunnen negeren, vooral omdat hij het schreef onder de heerschappij van de Romeinse keizers (Rom. 13:1‑7). In 1 Petrus 2:13‑17 wordt iets soortgelijks gezegd en Paulus beveelt ons te bidden voor ‘koningen en alle hooggeplaatsten’ (1 Tim. 2:2).

Bronnen: [1.] Warfare Prayer, pg. 88, [2.] C. Peter Wagner, Engaging the Enemy; (Ventura, Ca. Regal Books r99r) pg. 39, [3.] Id., [4.] Id. pg. 19, [5.] J. David Pawson, The Fourth Wave; (London: Hodder and Stoughton, 1993) pg. 69, [6.] Vernon J. Sterk in Engaging the Enemy, pg. 153, [7.] Warfare Prayer, pg. 63, [8.] Id. pg. 102, [9.] Id. pg. 96, [10] Pawson, pg. 69. (Algemene bron: http://www.toetsalles.nl/htmldoc/g.o.wakely.htm)

Bestraffen

Een methode (manier om een bepaald doel te bereiken) in ‘geestelijke oorlogsvoering’ is het bestraffen van de duivel of zijn demonen. In het Nieuwe Testament zien wij echter dat enkel Jezus dit voorrecht heeft, als een uitdrukking van zijn macht en gezag. Het is daarom dat de engel Michaël zei, toen hij met de duivel twistte: ‘Moge de Heer u straffen.’ Michaël wist dat oordeel en bestraffing enkel het voorrecht was van God, zie Judas 1:8-9:
‘En toch doen deze zogenaamde zieners precies hetzelfde: ze (…) verwerpen het gezag van de Heer en lasteren de hemelse machten. Zelfs de aartsengel Michaël waagde het niet de duivel te beschuldigen en te veroordelen toen hij met hem twistte over het lichaam van Mozes. Hij zei alleen: “Moge de Heer u straffen.”‘ 
2 Petrus schrijft hierover: ‘Overmoedig en arrogant als ze zijn, schrikken ze er niet voor terug hemelse machten te lasteren, terwijl zelfs engelen, in kracht en macht toch hun meerderen, het niet aandurven om die machten namens de HEER te beschuldigen en te veroordelen.’ (2 Petrus 2:10b-11)
Deze passage, met de parallel in Judas, suggereert dat de ongepaste verering van engelen in de Judese gnostiek (welke zich had ontwikkeld uit de leer van de Essenen, zie Kolossenzen 2:18), extreme tegenstanders had gekregen die op grove manier engelen – goed of slecht – bespotten. Bovenstaande teksten berispen dit gedrag. De gedachte is dat als goede engelen zich al onthouden van een oordeel ten opzichte van slechte engelen, hoeveel te meer moeten mensen zich onthouden van lichtzinnig gebruik van woorden naar hen toe. (Bron: http://biblehub.com/commentaries/cambridge/2_peter/2.htm)

Efeze 6:10-17

Bij geestelijke oorlogsvoering is het de praktijk dat men actief op zoek gaat naar eventuele demonen. David Pawson* zegt hierover: ‘Een opvallend kenmerk van de confrontatie van Jezus en anderen met demonen in het Nieuwe Testament, is dat ze nooit het ini­tiatief namen. Ze zochten ze nooit op. Alleen wanneer demonen zich­zelf manifesteerden, werden ze uit­gedreven en zelfs dat werd niet altijd onmiddellijk gedaan, alsof hun tussenkomst een soort ongewenste afleiding was. (Handelingen 16:18: ‘Toen Paulus er genoeg van kreeg, sprak hij de geest als volgt toe:”Ik beveel je in de naam van Jezus Christus: verlaat haar!” En op datzelfde moment ging de geest uit haar weg.’ )’

* J. David Pawson, The Fourth Wave; (London: Hodder and Stoughton, 1993) pg. 69. (Algemene bron: http://www.toetsalles.nl/htmldoc/g.o.wakely.htm)

Directe confrontatie met demonen in het Nieuwe Testament is altijd op een persoonlijk niveau, wan­neer ze zich manifesteren in een persoon. De bijbel beveelt ons niet om te gaan zoeken naar demonen, naar demonische activiteit, of naar ‘bolwerken’. Efeze 6:10-17 zegt ons dat we de hele wapenuitrusting van God aan moeten doen vanwege de realiteit van verleidingen. Het zegt ons niet dat we moeten gaan zoeken naar een bron van der­gelijk kwaad of met deze de strijd moeten aanbinden.

Efeze 6:10-17 (BiGT):
10 Ten slotte nog dit: Blijf op de Heer vertrouwen. Hij zal jullie steunen met zijn grote macht. 11 Gebruik Gods wapens, en verdedig je daarmee tegen de slechte bedoelingen van de duivel. 12 Want we vechten niet tegen mensen, maar tegen machten en krachten die over de wereld willen heersen. We vechten tegen de leiders van de duisternis, tegen de hoogste kwade machten. 13 Pak daarom de wapens die God jullie geeft. Dan kunnen jullie je verdedigen tegen de duivel op de dag dat hij aanvalt. En dan zullen jullie zijn aanval laten mislukken. 
In vers 14 tot en met 17 bespreekt Paulus de manier waarop we ons moeten verdedigen:
14 Jullie moeten klaarstaan voor de strijd, net als soldaten. Maar dit is de manier waarop jullie moeten vechten: Spreek altijd de waarheid, en doe altijd het goede. 15 Breng aan iedereen het goede nieuws van de vrede. 16 En houd altijd vast aan het geloof. Want je geloof beschermt je als een schild tegen de brandende pijlen die de duivel op je afschiet. 17 Vertrouw erop dat God je zal redden, want dat vertrouwen beschermt je als een helm. En de boodschap van God is je zwaard. De heilige Geest zal je helpen om die boodschap kracht te geven.

Waar in deze passage schrijft Paulus dat een christen op zoek moet gaan naar een confrontatie met de duivel en zijn demonen? Hij schrijft hier dat een christen zich op de door hem beschreven manier moet verdedigen (vers 11 en 13, NBV: ‘stand te kunnen houden’ en ‘weerstand te kunnen bieden’). Het gaat om een reactie – een reageren – op verleidingen, niet om een actie door op zoek te gaan naar de duivel en zijn demonen om deze te bestrijden.
De ‘geestelijke strijd’ van een gelovige beschreven door Paulus in Efeze 6:10-17 is die van de verkondiging van het evangelie (vers 15, tevens onderbouwing met vers 17), en tegen zonde (vers 14b) en afdwaling van het geloof (vers 16, 17). Nergens roept Paulus hier op tot een letterlijke confrontatie met de duivel en zijn demonen; hét kenmerk van de charismatische leer van geestelijke oorlogsvoering.

N.B. Soms worden de oorlogswetten (HSV) in Deuteronomium 20 aangehaald. Het betreft hier echter de letterlijke strijd om het land wat God aan zijn volk (Israël) heeft gegeven, niet om een veronderstelde ‘geestelijke strijd’. 

‘Gebedsoorlog’

In het Nieuwe Testament wordt gebed gericht tot de Vader, in de Geest en in de naam van Jezus. De neo-charismatische beweging legt echter de nadruk op een geheel nieuwe manier van bidden. Het woord ‘gebed’ is echter misleidend: men bidt helemaal niet tot God, maar beveelt Satan. Een heel indrukwekkende termi­nologie is ontstaan rondom dit idee van ‘gebedsoorlogvoering’, zoals ‘het slechten van bolwerken’, ‘het binden van de sterke’, het ‘aangaan van een machtsconfrontatie met de duivel’, ‘het verdrijven van de heerser van de stad’, ‘autoriteit nemen over een gebied in de naam van Jezus’, ‘het bestormen van de poorten van de hel’, enzovoort. Wat dit allemaal werkelijk bete­kent is soms moeilijk te onder­scheiden, behalve dat het allemaal te maken heeft met het direct aan­dacht geven aan de duivel en demonen, iets wat de bijbel ons niet opdraagt.
Wat betreft ‘het slechten van bolwerken’ haalt men 2 Korintiërs 10:4-6 aan:
‘4 De wapens waarmee wij ten strijde trekken dienen niet ons eigen belang, maar zijn er om met hun kracht bolwerken te slechten voor God. We halen spitsvondigheden neer 5 en iedere verschansing die wordt opgetrokken tegen de kennis van God, we maken iedere gedachte krijgsgevangene om haar aan Christus te onderwerpen 6 en zullen op het moment dat u hem volledig gehoorzaam bent geworden, paraat staan om anderen voor hun ongehoorzaamheid te straffen.’
‘Te slechten’, wat het geheel neerhalen van een obstakel aangeeft, is alleen in het Nieuwe Testament te vinden in deze brief (10:4, 8; 13:10). Het woord voor ‘bolwerken’ (ochyromaton3794is enkel in 10:4 te vinden. Deze ‘bolwerken’ of  ‘vestigingen’ waren het verzet tegen het christelijk geloof door aanhangers van vijandige andere ideeën. De apostel Paulus (auteur van de brief) hoopte hen (dus deze mensen) en wat zij beweerden te bedwingen door sterke uitoefening van zijn apostolisch gezag (zie ook 1 Korintiërs 4:21 en 5:1-5). (Bron: http://biblehub.com/commentaries/pulpit/2_corinthians/10.htm).
Paulus gaat hier in op verkeerde leringen door mensen, dit bedoelt hij met ‘bolwerken’. Het heeft niets te maken met (‘territoriale’) demonen. Dit maakt ook de tekst uit de BiGT duidelijk:
‘3-5 Natuurlijk, ik ben een zwak mens, zoals iedereen. Maar ik doe mijn werk niet met menselijke kracht, ik vertrouw op Gods kracht! God maakt mij sterk. Zo kan ik vechten voor de waarheid! Ik strijd tegen alles wat mensen beweren. Al hun mooie woorden, hun grote verhalen en geweldige ideeën. Ik laat zien dat dat allemaal onzin is. Want de kennis over God is de enige waarheid. En we moeten alleen Jezus Christus gehoorzamen. 6 Jullie moeten in alles gehoorzaam zijn aan Christus. Dan zal ik ervoor zorgen dat iedereen die niet wil luisteren, gestraft wordt.’

Els Nannen schrijft: ‘In tegenstelling tot de geestelijke strijd in Bijbelse zin, is deze geestelijke oorlogsvoering niet in eerste instantie een innerlijke, evenmin een geestelijke worsteling voor iets of iemand (bijvoorbeeld voor geloof, bekering), maar primair een externe oorlog tegen, namelijk tegen boze geesten. Daarbij staat niet Jezus Christus in het middelpunt, maar demonen en bij velen zelfs de satan. Het oog is daarbij niet uitsluitend gericht op de Here Jezus, maar gefixeerd op boze geesten. Een dergelijk charismatisch-theologisch denkkader staat haaks op dat van de Schrift. Zo’n denkpatroon wordt helaas echter door vele Evangelicalen en anderen zonder kritiek overgenomen.’
‘De roeping van de gemeente van Christus is de verkondiging van het evangelie aan alle volken en niet een concentratie op satan en demonen. Christus is primair gekomen om plaatsvervangend Gods straf op de zonde van mensen te dragen, niet om de duivel te lijf te gaan. Men kan dus niet voortzetten, wat Christus nooit begon!’
(Bron: Els Nannen – ‘Waarlijk Vrij?’, hoofdstuk 2.2. en 2.3.1.)

De ‘geestelijke strijd’ van een gelovige is die van de verkondiging van het evangelie, en tegen zonde en afdwaling van het geloof; niet tegen Satan en zijn demonen.

Geraadpleegde bronnen: http://www.toetsalles.nl/htmldoc/g.o.wakely.htm, http://www.rejoicenow.nl/page/geestelijke-oorlogsvoering-bidden, http://www.herschepping.nl/08wl/gstrijd_01wat_is_geestelijke_strijd.php, http://www.vergadering.nu/boeknannen-waarlijk-vrij.htm, http://www.refdag.nl/kerkplein/kerknieuws/els_nannen_wie_satan_bindt_wordt_zelf_gebonden_1_534548https://books.google.nl/books?id=ziszAgAAQBAJ&pg=PT38&lpg=PT38&dq=kritiek+geestelijke+oorlogsvoering&source=bl&ots=86xB5dxPaG&sig=a_Pw3fy36al4Mqjy9JSytCKUs_A&hl=en&sa=X&ved=0ahUKEwjZ7pCTnZDLAhXkJXIKHbgAD6oQ6AEIRTAF#v=onepage&q=kritiek%20geestelijke%20oorlogsvoering&f=false
 
 

Bevrijdingspastoraat (13)

Op het individuele vlak zie je geestelijke oorlogsvoering terug in het neo-charismatische bevrijdingspastoraat. Bevrijdingspastoraat is de geestelijke verzorging waarin mensen bevrijd worden van vermeende demonische ‘gebonden- of bezetenheid‘. ‘Gebondenheid’ zou volgens de charismatici de oorzaak zijn van de vele problemen en ziekten die mensen ondervinden (uitleg volgt). In navolging van de Latter Rain leert men dat ook een christen demonisch gebonden of bezeten kan zijn. Belangrijkste kritiek op deze leer van ‘gebondenheid’ is dat mensen zich zo een occulte belasting laten aanpraten.

In de jaren (19)60 hield in Nederland de ‘Kracht van Omhoog’ stroming zich al bezig met de strijd tegen demonen en de duivel. De aanhangers van deze richting geloofden dat christenen bezeten konden zijn van demonen. De Nederlandse Beréa beweging (1996-2006) was beïnvloed door deze stroming. De Toronto Blessing (1994) zorgde wereldwijd voor een enorme toename van bevrijdingsbedieningen en interesse in bevrijdingspastoraat.
derek-princeEen bekend evangelisch-charismatisch auteur op dit gebied is Peter Derek Vaughan Prince (Bangalore, India, 1915 – Jeruzalem, Israël, 2003) (foto rechts). In het charismatisch onderwijs wordt veel gerefereerd naar Prince. Speerpunten van zijn geestelijke werk waren bevrijding van demonen, gebedsgenezing, discipelschap, de toekomst van Israël, en gebed voor overheden en naties. Prince geloofde in de aanwezigheid van ‘geestelijke krachten’ en dat gezondheids- en psychische problemen een demonische oorzaak zouden kunnen hebben. Hij meende dat ook christenen bezeten kunnen zijn door demonen.

Wat zijn demonen?

Het beeld van demonen in de bijbel is erg ingewikkeld. Tegenwoordig bedoelen we met een demon een kwade geest. Maar de betekenis van de term heeft een lange ontwikkeling doorlopen. Het Oude Testament beschrijft demonen vooral als bovennatuurlijke wezens die in eenzame gebieden rondzwerven.
Vanaf de hellenistische tijd (334-30 v.Chr.) gingen bepaalde stromingen in het jodendom demonen zien als kwade geesten die ondergeschikt waren aan Satan. In Satans opdracht brachten ze onheil over de mensen. Tegenover Satan en zijn demonen stonden God en zijn engelen. Uiteindelijk zouden de demonen, in de laatste strijd tussen God en Satan, voor altijd door God verslagen worden. Deze voorstelling zien we ook terug in het Nieuwe Testament.
In het Nieuwe Testament worden demonen gezien als helpers van Satan, die ziekte en onheil veroorzaken. In Marcus, Lucas en Matteüs worden allerlei aandoeningen zoals waanzin (psychische stoornis, Matteüs 8:28), epilepsie (Lucas 9:39), blindheid (Matteüs 12:22) en doofheid (Marcus 9:25) toegeschreven aan demonen. Toch werden niet alle ziekten op deze manier verklaard, en sommigen aandoeningen zag men de ene keer als ziekte, en de andere keer als bezetenheid.
Jezus’ macht over de demonen is een bewijs van het nieuwe koninkrijk dat met hem begint (zie bijvoorbeeld Matteüs 12:25-29). Door de demonen te onderwerpen laat Jezus zien dat hij machtiger is dan Satan, en dat hij hem uiteindelijk zal overwinnen.
Op andere plaatsen in het Nieuwe Testament ligt de nadruk meer op demonen als morele en geestelijke tegenstanders van de gelovigen. Demonen proberen gelovigen te laten afdwalen van hun geloof en te verleiden tot verkeerd gedrag (1 Timoteüs 4:1). (Bron: https://www.debijbel.nl/onderwerpen/s/demon/2416)

Exorcisme door Jezus

Fik Meijer schrijft in zijn boek ‘Jezus & de vijfde evangelist’ (Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 2015, pagina 226-230):
‘Marcus, Matteüs en Lucas schrijven over uitdrijvingen van demonen. Die kwade geesten uitten zich bij de slachtoffers in radeloos gedrag, vormen van epilepsie, maar ook in zuiver lichamelijke gebreken als blindheid of doofheid, die op het eerste gezicht niets met kwade geesten te maken lijken te hebben. In de evangeliën zijn veel van de zieken die naar Jezus worden gebracht “gedemoniseerd”. (…) De farizeeën verwijten hem dat hij demonen uitdrijft door de kracht van Beëlzebub (Satan), waarop Jezus stelt dat zijn kracht om demonen uit te drijven het bewijs is dat Gods koninkrijk aanstaande is en inbreekt in de wereldorde. Zijn uitdrijvingen zijn dan ook geen losstaande acties, gezamenlijk laten ze zien dat Satan aan de verliezende hand is, dat het einde van hem en de andere demonen nabij is.
(…) Meestal lopen ze goed af: de boze geest verlaat het lichaam van de bezetene. Maar er is ook een verhaal met een vreemd verloop, en een nog opzienbarender einde. Het wordt verteld door Marcus (5:1-20), Matteüs (8:28-34) en Lucas (8:26-39). Jezus is het Meer van Galilea overgevaren en belandt in het gebied van de Gerasenen. Als hij uit de boot is gestapt, komt hem vanuit de grafspelonken een man tegemoet met een onreine geest. (…) Als hij Jezus ziet naderen, rent hij op hem af, valt voor hem neer en roept met luide stem: “Wat heb ik met jou te maken, Jezus, zoon van de allerhoogste God? Ik bezweer je bij God: doe mij geen pijn.” Want Jezus had even daarvoor tegen hem gezegd: “Onreine geest, verdwijn uit deze man.” Nu vraagt hij aan de man: “Wat is je naam?” Hij antwoordt: “Mijn naam is legioen, want we zijn met velen.” Hij smeekt Jezus dringend om hem niet uit deze streek te verjagen.
Tot zover is de uitdrijving nog enigszins te vergelijken met die in de synagoge te Kapernaüm (Marcus 1:21-28) of die van een bezeten jongen, later in het evangelie van Marcus (9:14-29). Het verschil is dat in dit geval een heel legioen boze geesten wordt uitgedreven. Is dat al hoogst merkwaardig, Marcus maakt alles nog onwezenlijker doordat hij vertelt dat Jezus gehoor geeft aan de smeekbede van de boze geesten. Hij staat ze toe om “in te trekken” bij een kudde varkens, die zich daar op de helling van een berg bevindt. De onreine geesten nemen daarop inderdaad hun intrek in de zwijnen, ongeveer tweeduizend in getal. Door waanzin bevangen stormen die vervolgens van de helling af, storten zich massaal in het water en verdrinken. Zeker dit laatste gedeelte is zonder enige twijfel geheel uit de duim gezogen. Maar waarom zouden de evangelisten dit verhaal hebben opgenomen? Ze moeten toch ook geweten hebben dat hun lezers de wenkbrauwen zouden fronsen bij het lezen van deze wel heel wonderlijke gebeurtenis? Om te beginnen doet het aantal van tweeduizend al onrealistisch aan. De veeteelt was in die tijd zeer kleinschalig en dit aantal verwijst bijna naar de intensieve varkensfokkerij van de moderne tijd. En daarbij: wat had Jezus er voor belang bij om de varkensboeren zo tegen zich in te nemen? Ze zouden hem het verlies van al hun varkens tot in de lengte van jaren verwijten. Naar mijn mening heeft Marcus met dit verhaal een duidelijke bedoeling gehad. Het was niet zijn intentie om Jezus als een gewelddadige revolutionair neer te zetten, strijdend tegen het Romeinse gezag. Dat doet hij in deze passage dan ook niet. Maar het gegeven dat er in de bezeten jongen een legioen onreine geesten huist, is wellicht een indicatie voor Jezus’ opvallende handelswijze. Het woord “legioen” is mogelijk een verwijzing naar de Romeinse legioenen in Judea en Galilea, die net als de varkens bezeten waren van onreine geesten. De achterliggende gedachte is duidelijk: de evangelisten hopen dat de Romeinse legioenen hetzelfde lot zal treffen als de varkens, en dat ze een gruwelijk einde tegemoet gaan.
(…)
Het heeft weinig zin om de exorcismen van Jezus anders te benaderen dan die van anderen. In alle gevallen gaat het om therapeutisch-exorcistische daden van een charismatisch persoon. Aanvankelijk verbaasden de mensen zich over onbegrijpelijke wondertekens. Er kwamen geruchten in omloop, waarin die verbazing centraal stond, maar na verloop van tijd maakte die plaats voor bewondering. De wonderdoeners werden tot veel meer in staat geacht.
Zo is het waarschijnlijk ook met Jezus gegaan. De oorspronkelijke verhalen die over hem in omloop kwamen waren waarschijnlijk veel beperkter van aard. In de volgende decennia werden ze omgevormd tot, ik zou bijna zeggen, lofprijzingen waarin zijn mogelijkheden onbegrensd leken. Of de gepresenteerde wonderen nog enigszins te verbinden waren met de werkelijkheid werd steeds minder belangrijk geacht. Het ging de verhalenvertellers en schrijvers van de evangeliën erom dat zijn therapeutische en exorcistische daden niet als doel op zichzelf zouden staan, maar zijn boodschap dat het koninkrijk van God aanstaande was zouden ondersteunen. De toekomst was in zijn wonderlijke daden al zichtbaar gemaakt. De van hun kwalen verloste mensen wisten dat Jezus hen daarmee een plaats had gegeven in zijn naderend koninkrijk. Dáár ligt het verschil met de wijze waarop andere wonderdoeners worden neergezet. Bij hen ging het op zichzelf staande genezingen, bij Jezus passen ze in het geheel van een totaal nieuwe orde, die op termijn de oude verrotte samenleving van gecorrumpeerde Joodse leiders en de Romeinse machthebbers zou vervangen.’

‘Gebondenheid’

Bij ‘bezetenheid‘ hebben demonen de volledige controle over de wil van de bezetene. Maar de diagnose ‘bezetenheid’ wordt maar zeer zelden gesteld. In het moderne charismatische bevrijdingspastoraat beweert men echter dat ‘gebondenheid’ wel veel vaker voorkomt. Men stelt dat bij ‘gebondenheid’ een persoon niet altijd de volledige controle over bepaalde gebieden van zijn wil heeft; demonen beheersen dat terrein en deze ‘demonische onderworpenheid’ kan zich bij gelegenheid onthullen. De bewering is dat zondig gedrag, levensproblemen en trauma’s een uiting zijn van ‘demonische gebondenheid’ of daartoe kunnen leiden. Uitgangspunt van deze doctrine is de Latter Rain leer, welke er vanuit gaat dat demonische bezetenheid de uitleg is van de vele problemen en ziekten die gelovigen ondervinden. Je zou kunnen zeggen dat (volgens de voorstanders van deze leer) ‘gebondenheid’ een lichte vorm is van bezetenheid op een bepaald (wils)gebied. En daarmee hebben we het dus toch over bezetenheid…
Men stelt dat gebondenheid kan ontstaan doordat je ergens zonde je leven hebt binnengelaten, door dingen die je hebt meegemaakt (verwondingen aan ziel en geest) of vanuit je voorgeslacht (generatievloeken). Men onderwijst dat zowel ongelovigen als christenen gebonden kunnen zijn (of in het ergste geval bezeten). Over de symptomen van gebondenheid schrijft de site ‘Herschepping’ (neo-charismatische achtergrond) [1]:

‘Er is sprake van demonische gebondenheid als bepaalde gebieden van iemands leven door de macht van de duisternis worden beheerst. Symptomen die kunnen duiden op demonische gebondenheid zijn:

  • sommige vormen van depressiviteit, beangstigende bovennatuurlijke waarnemingen, horen van stemmen.
  • sterke innerlijke weerstand tegen Jezus, de kerk, christenen en de Bijbel.
  • gespeelde vroomheid, innerlijk vloeken.
  • neiging tot zelfverwonding of zelfdoding.
  • abnormale hartstochten, vooral op seksueel gebied.
  • gedeeltelijke wilsonbekwaamheid.
  • dwangmatig gedrag, onrust, ongewone kracht, extreme gedragingen.
  • haatgedachten, wraakgedachten, op vernietiging gerichte zonden.
  • allerlei vormen van occultisme (alles wat met magie, hekserij, waarzeggerij, aanroepen van geesten, horoscopen, enzovoort te maken heeft).

Hoe erger de demonische gebondenheid, hoe meer de eigen wil wordt uitgeschakeld en hoe meer iemand een willoze prooi van de duisternis wordt. Bij relatief ernstige wilsonbekwaamheid door demonische gebondenheid spreekt men ook van bezetenheid.’ 

Praktijk van het bevrijdingspastoraat

Bevrijdingspastoraat is de geestelijke verzorging waarin mensen bevrijd worden van vermeende demonische ‘gebonden- of bezetenheid’. In Nederland is op dit gebied de bekendste organisatie het Vrij Zijn Bevrijdingspastoraat van Wilkin van de Kamp, maar ook Baruch Bevrijdingspastoraat, Immanuel Livestro en Stichting Promise dragen uit hoe je vrij kunt worden van ‘demonische gebondenheden’.
Het is goed om onderscheid te maken tussen de ‘dienst van bevrijding’ en het ‘bevrijdingspastoraat’. In bevrijdingsconferenties ligt het accent op de dienst van bevrijding (van vermeende demonen). Wanneer blijkt dat bevrijding niet direct plaatsvindt, wordt de hulpvrager doorverwezen naar het bevrijdingspastoraat, waar mensen met name geholpen worden om hun zonden te belijden en te breken met zondepatronen in hun leven. Al doende is er een onderscheid gekomen tussen de ‘dienst van bevrijding’ en het ‘bevrijdingspastoraat’.

bevrijdMet betrekking tot de praktijk van dit bevrijdingspastoraat kunnen diverse vraagtekens geplaatst worden.
Jezus bevrijdde bijvoorbeeld enkel ONgelovigen van demonische bezetenheid. In dit bevrijdingspastoraat leert men echter dat ook een christen demonisch ‘gebonden’ kan zijn.
Daarnaast sprak Jezus tot de demonen, waarna zij de persoon verlieten. Deze methode kent echter een groot verschil met de manier waarop het tegenwoordig in moderne charismatische kringen gaat.
Zo bidt men tot de heilige Geest. Nergens in de Bijbel worden we opgeroepen te bidden tot de heilige Geest; dus ook niet voor het ontdekken van ‘demonische gebondenheid’ bij een persoon.
Men leert dat je in het vasten demonen kunt ‘tegenkomen’ en bestrijden (uitdrijven). Uit de bijbel blijkt echter dat vasten geen methode is voor het uitdrijven van demonen (zie het onderwerp ‘Vasten en bidden’).
Tijdens het uitdrijven van demonen maakt men gebruik van de handoplegging. Jezus en zijn discipelen legden echter bij het uitdrijven van demonen nooít de handen op. Reden hiervan is dat een handoplegging te maken heeft met identificatie en éénwording (zie het onderwerp ‘Handoplegging’).
Het charismatische uitgangspunt in dit alles is dat men meent dat Satan de oorzaak is van zonde*. De bijbel leert echter dat de oorzaak van zonde de ongehoorzaamheid van de mens zelf is. Dát is de basis van het verhaal over de zondeval in het paradijs (Genesis 3): De slang verleidt, maar Eva en Adam begaan uiteindelijk de overtreding. Maar ze hadden de (wils)keuze en eigen verantwoordelijkheid dit niet te doen.

* De bijbel spreekt over ‘zonde’ als mensen ingaan tegen de wil van God. Hieronder valt zowel verkeerd gedrag tegenover God zelf als verkeerd gedrag tegenover mensen.

Redenen genoeg om dit charismatische bevrijdingspastoraat eens te onderzoeken. Hieronder gaan we in op:
– Vragenlijsten.
– ‘Binden en ontbinden’?
– Kan een christen demonisch bezeten of gebonden zijn?
– Vier manieren van ‘gebondenheid’?
– Generatievloeken?
– Eigen verantwoordelijkheid.

Vragenlijsten

Binnen dit bevrijdingspastoraat wordt vaak gebruik gemaakt van vragenlijsten die iemand moet invullen. Deze ‘questionnaire’ zou de ‘confident’ (hulpvrager) helpen inzicht te krijgen in hoeverre hij (of zij) verstrikt is geraakt in zonden en leugens, en in hoeverre hij emotioneel en geestelijk op een verkeerde manier met mensen is verbonden. Daarnaast wordt gesteld dat hierdoor ‘mogelijke invalspoorten onthuld worden waardoor de boze iemands leven kan zijn binnengekomen’.
Je kunt je misschien voorstellen dat ernstige trauma’s, seksueel misbruik, verslavingen of een occulte achtergrond aanleiding zijn om voor bevrijding te bidden. Maar wat te denken van occulte belasting gerelateerd aan rapmuziek, een auto-ongeluk, masturberen, timiditeit, films, hoogtevrees, een belofte doen, een gebrekkig zelfbeeld of een slechte relatie met je ouders?
Je vraagt je af hoe een hulpverlener zo’n vragenlijst beoordeelt. Is daar een systeem voor of gebeurt dat puur op gevoel? Wanneer is het psychisch, wanneer occult? Hoe weeg je de verschillende onderdelen?

‘Binden en ontbinden’?

Het ‘binden en ontbinden’ wordt binnen het charismatische bevrijdingspastoraat uitgelegd als het aanspreken en wegsturen van demonen. Bij het ‘binden’ van meerdere demonen wordt eerst de sterkste demon, de zogenaamde leider, ‘gebonden’. Als deze wordt verdreven ‘verdwijnen de ondergeschikten met hem’. Als onderbouwing van deze leer gebruikt men bijbelteksten waarin wordt gesproken over ‘binden’ en/of ‘ontbinden’. Maar hebben deze teksten betrekking op het uitdrijven van demonen?

Hananja Thomassen, pastoraal therapeute  bij de Nederlandse stichting Koinonia, zegt over deze praktijk van het ‘binden en ontbinden’: ‘Mensen moeten eerst hun zonden belijden, dat is heel belangrijk. Zonder dat kan geen echte bevrijding tot stand komen. Elke boze geest is weer anders en maakt zich op verschillende manieren kenbaar. De één verstopt zich, de ander maakt zich direct bekend. Ik sta in elk geval nooit toe dat ze met herrie en kabaal uit iemand vertrekken. Ik geef ze van tevoren die opdracht. De demon moet luisteren omdat ik spreek in Jezus’ naam. De demonen zijn als krijgsgevangenen die vastgebonden zitten op de stoel. Je kunt ze dan vragen wat ze hebben aangericht in iemands leven, zodat de persoon zelf ook weet dat hij in dat stuk van zijn leven verandering mag verwachten. Ik vraag ze ook of het hun laatste opdracht was, want die krijgen ze van hun leider. Vervolgens zend ik de leider en zijn ondergeschikten naar de afgrond zodat ze nooit meer kwaad kunnen doen.’
Boven de leider staat Satan. ‘Naar hem ga ik nooit op zoek. Een heel enkele keer manifesteert hij zich wel in een heel ernstig getraumatiseerd persoon, bijvoorbeeld een slachtoffer van satanisch ritueel misbruik. Satan valt mij aan op mijn zwakte en stelt vragen als “wie denk je wel dat je bent?”. Dan antwoord ik hem dat ik de dochter ben van de Allerhoogste, want zelf heb ik niets in te brengen.’ Thomassen praat heel nuchter over haar werk. ‘Jezus spreekt daar zelf ook heel nuchter over. Hij zegt: “Gaat heen, verkondig Mijn woord, geneest zieken en drijf boze geesten uit.”‘ * (Bron: http://www.vergadering.nu/bevrijding/index.html)
Thomassen leidde in het verleden samen met haar man een evangelische gemeente in Maarssen. Contacten met getraumatiseerde personen brachten haar er in die periode toe een opleiding voor pastoraal therapeut te gaan volgen. Waar zij die opleiding heeft genoten, is volgens haar ‘irrelevant’. Na enkele jaren bij een bureau voor psychosociale en pastorale hulpverlening te hebben gewerkt, begon ze in 2004 voor zichzelf. (Bron: http://www.refdag.nl/nieuws/binnenland/vrij_komen_van_de_macht_der_duisternis_1_189391

* Onderbouwing door Matteüs 10:7-8 en Marcus 16:17-18, waarin gesproken wordt over uitdrijving van demonen, zijn al behandeld in het onderwerp ‘Hedendaagse krachtevangelisatie…’. Deze teksten betreffen geen opdrachten aan gelovigen in het algemeen, maar aan de twaalf discipelen voor Jezus’ kruisiging (Matteüs 10) en vertegenwoordigers van Jezus na zijn opgaan naar de hemel – de apostelen en bepaalde andere verkondigers van het evangelie (Marcus 16). (Door theologen en bijbelwetenschappers wordt gesteld de tekst uit Marcus 16:9-20 niet te gebruiken als solide basis voor een leer of praktijk, omdat deze passage niet tot de originele tekst behoort.) 

Wat betekent ‘binden en ontbinden’ in het NT?

‘Binden en ontbinden’ was in de tijd van het Nieuwe Testament een gebruikelijke uitdrukking die in Israël onder andere bij rechtszittingen werd gebruikt, en het betekende toestaan of verbieden.
Tijdens de periode van het Nieuwe Testament lag In Israël het geestelijke gezag in handen van het Sanhedrin (ook wel ‘Hoge Raad’ of ‘de Raad’ genoemd). Daarnaast was er om recht te spreken in iedere stad een Joodse raad van 23 rechters. Het Sanhedrin was een 71-hoofdige raad bestaande uit een hogepriester, oud-hogepriesters, farizeeën, sadduceeën en andere geestelijke leiders. De leden waren door handoplegging (‘Smicha’ סמיכה genoemd) gewijd, bedoeld als wettelijke bevestiging. Alleen iemand die een Smicha had ontvangen kon gerechtelijke en godsdienstige uitspraken doen, en daarnaast huwelijken (ver)binden of ontbinden. Door de Smicha kon iemand uitspraken doen die bindend waren (waar je je aan moest houden). Gewone burgers hadden geen Smicha en bezaten daardoor geen sleutels (een beeld van macht en gezag) om rechtspraak te kunnen doen, oftewel om iets te kunnen binden of ontbinden.
In Matteüs 16:19 zien we dat Jezus de autoriteit om dingen te binden aan Petrus geeft:
‘Ik zal je de sleutels van het koninkrijk van de hemel geven, en al wat je op aarde bindend verklaart zal ook in de hemel bindend zijn, en al wat je op aarde ontbindt zal ook in de hemel ontbonden zijn.’ 
Zoals een lid van het Sanhedrin gezag overdroeg aan een leerling, ontving Petrus gezag van Jezus. Dit gezag was zelfs groter dan dat van de farizeeën en overige leiders van Israël, want hij ontving het van de Zoon van God. In Matteüs 18:18 geeft Jezus dit gezag ook aan de overige discipelen:
‘Voorwaar, Ik zeg u: Alles wat u op de aarde bindt, zal in de hemel gebonden zijn; en alles wat u op de aarde ontbindt, zal in de hemel ontbonden zijn.’(HSV)
Dit vers 18 wordt vaak als motivatie voor het aanspreken van demonen gebruikt. Het vers wordt echter uit de context geplaatst, want het gaat over hoe de discipelen om moeten gaan met zonde begaan door een van hun medegelovigen, zie de voorgaande verzen 15-17:
‘Als een van je broeders of zusters tegen je zondigt, moet je die daarover onder vier ogen aanspreken. Als ze luisteren, dan heb je ze voor de gemeente behouden. Luisteren ze niet, neem dan een of twee anderen mee, zodat de zaak zijn beslag krijgt dankzij de verklaring van ten minste twee getuigen. Als ze naar hen niet luisteren, leg het dan voor aan de gemeente. Weigeren ze ook naar de gemeente te luisteren, behandel hen dan zoals je een heiden of een tollenaar behandelt.’ (Matteüs 18:15-17, NBV) ‘Luister goed naar mijn woorden: De besluiten die jullie op aarde nemen, zullen ook geldig zijn in de hemel.’ (Matteüs 18:18, BiGT)
‘Binden’ en ‘ontbinden’ in het Nieuwe Testament betekent dus (gerechtelijk) toestaan of verbieden. Het gaat om een uitspraak c.q. besluit. Het heeft dan ook totaal geen betrekking op ‘aanspreken en wegsturen van demonen of Satan’.

Matteüs 12:29

Een foute interpretatie van Matteüs 12:29 (zie ook Marcus 3:27 en Lucas 11:22) vormt een charismatische onderbouwing van het ‘binden van demonen’:
‘Of hoe kan iemand in het huis van een sterke inkomen, en zijn vaten ontroven, tenzij dat hij eerst de sterke gebonden heeft?’ (HSV)
Jezus geeft hier antwoord op de kritiek van de farizeeën dat hij demonen uitdrijft door de kracht van ‘Beëlzebub, de overste der geesten’. ‘Gebonden’ betekent hier echter ‘vastgebonden’, bijvoorbeeld met een touw.

Matteüs 12:22-29 (NBV): Confrontatie met farizeeën en schriftgeleerden.
22 Toen bracht men een blinde bij hem die bezeten was en niet kon spreken, en hij genas hem, zodat hij weer kon spreken en zien. 23 Alle omstanders stonden versteld en zeiden: ‘Zou híj de Zoon van David zijn?’ Maar de farizeeën die dit hoorden, zeiden tegen elkaar: ‘Hij kan die demonen alleen maar uitdrijven dankzij Beëlzebub, de vorst der demonen.’ 25 Jezus wist wat ze dachten en zei tegen hen: ‘Elk koninkrijk dat innerlijk verdeeld is wordt verwoest, en geen enkele stad of gemeenschap die innerlijk verdeeld is zal standhouden. 26 Als Satan Satan uitdrijft, keert hij zich tegen zichzelf. Hoe kan zijn koninkrijk dan standhouden? En als ik inderdaad door Beëlzebub demonen uitdrijf, door wie drijven uw eigen mensen ze dan uit? Zij zullen dan ook uw rechters zijn! 28 Maar als ik door de Geest van God demonen uitdrijf, dan is het koninkrijk van God bij jullie gekomen. 29 Trouwens, hoe kan iemand het huis van een sterkere binnengaan en zijn inboedel roven, als hij die sterkere niet eerst heeft vastgebonden (Grieks: δήσῃ, dēsē)? Pas dan zal hij zijn huis kunnen leegroven.’

In de eerste plaats stelt Jezus Beëlzebub gelijk aan Satan (vers 26), en in de tweede plaats vertelt hij een gelijkenis over een sterkere (ischyrou: een sterk persoon) en hiermee wordt Satan bedoeld. Met ‘het huis’ in vers 29 wordt de wereld bedoeld waar Satan door middel van hebzucht, lust, trots, woede en andere kwade hartstochten de mensen in zijn bezit houdt. Met ‘zijn inboedel’ worden dan ook de mensen die dit etaleren bedoeld. Wat Jezus zegt is: ‘Heeft mijn uitdrijving van demonen door Gods geest niet bewezen dat Satan onderworpen is aan mij? Dat door Gods geest ik hem heb beroofd van zijn macht, zoals het ook nodig is om een sterk persoon eerst vast te binden voordat je zijn huis leegplundert?’
Aangezien Satan zich niet tegen zichzelf zou keren (want ‘door wie drijven uw eigen mensen ze dan uit?’), zouden de farizeeën en schriftgeleerden moeten toegeven dat Jezus dit deed door de kracht van God. Maar dan zouden ze ook moeten toegeven dat Jezus de messias was. Zie hier het dilemma voor deze joodse theologen. (Geraadpleegde bronnen: http://biblehub.com/commentaries/matthew/12-29.htm)
We zien in deze tekst dat Jezus machtiger is dan de duivel (dēsē is een vervoeging van deó wat ‘vastbinden’ betekent, géén ‘uitdrijven’) en dat hij bezig is ‘Satans huis leeg te roven’ door middel van het verkondigen van het evangelie en de ware leer van het geloof. Deze gelijkenis en bijbehorende termen worden door de beweging echter grof misbruikt en de betekenis ervan wordt totaal verdraaid.

Waarheidstreffen

In het charismatische bevrijdingspastoraat is het de praktijk dat mensen de demonen ondervragen. De boze geesten moeten dan bekend maken wie ze zijn. Hoe betrouwbaar zal dat zijn als de bijbel heel duidelijk stelt dat Satan een leugenaar is?
Vaak worden de woorden uit Johannes 8:32 aangehaald, waar Jezus de woorden sprak: ‘en u zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u vrijmaken.’ (HSV) Met ‘de waarheid’ wordt hier het evangelie bedoeld. Jezus sprak toen met Joden die in Jezus gingen geloven en zeiden dat zij ‘nooit slaaf van iemand geweest’ waren (vers 34). In dit geval spreekt Jezus echter over vrijheid van zonde, niet van demonen (zie ook de uitleg verderop in de tekst: ‘Vier manieren van gebondenheid?’).
De bijbel geeft aan dat waar er wordt gesproken over een bezeten mens, die demon wordt ‘uitgeworpen’ (bijvoorbeeld Matt. 8:16 en Marcus 1:34). Dit geeft duidelijk aan dat dit een machtstreffen was, niet een waarheidstreffen. Jezus hield geen discussie met de demonen over de waarheid. Hij gebruikte zijn macht als God en wierp ze uit.

Mogen we demonen uitdrijven?

De lerende delen van het Nieuwe Testament (Romeinen tot en met Judas) verwijzen naar demonische activiteit, maar bespreken niet hoe men ze uit dient te drijven en ook worden gelovigen er niet toe aangezet dat te doen. Zo heeft geen enkele van de Geestesgaven betrekking op het bevechten en/of uitdrijven van demonen (het ‘onderscheiden van geesten’ betreft onderscheid kunnen maken wat wel en niet van de heilige Geest afkomstig is: onderscheid tussen juiste en niet-juiste leren of ideeën kunnen maken).
We worden verteld dat we de duivel moeten weerstaan (Efeziërs 6:10-17, Jakobus 4:7), dat we op onze hoede voor hem moeten zijn (1 Petrus 5:8), en hem geen ruimte moeten geven in ons leven (Efeziërs 4:27). Er wordt ons echter niet verteld hoe we de duivel en/of zijn demonen bij christenen of wie dan ook moeten uitdrijven, of dat we zelfs maar moeten overwegen dat te doen.
Het bestrijden van daadwerkelijke demonen is ook gevaarlijk, getuige Handelingen 19:13-16: ‘Ook enkele rondtrekkende Joodse geestenbezweerders probeerden boze geesten uit te drijven door het uitspreken van de naam van de Heer Jezus. Ze zeiden: ‘Ik bezweer jullie bij Jezus, die door Paulus wordt verkondigt!’ Het waren de zeven zonen van Skevas, een Joodse hogepriester, die dit deden. Maar de boze geest gaf hen ten antwoord: ‘Jezus ken ik, en Paulus ook, maar wie zijn jullie?’ De man die door de boze geest bezeten was, sprong op hen af en ging hen met zoveel geweld te lijf dat ze naakt en gewond uit het huis wegvluchten.’ 

Precieze instructies over uitdrijving van demonen ontbreken in de bijbel. Terughoudendheid hierin is dan ook zéér geboden. Hoe anders is dat in dit bevrijdingspastoraat?

Bezeten christenen?

In navolging van de Latter Rain leren de neo-charismanen dat ook een christen demonisch gebonden (of bezeten) kan zijn. De basis van deze leer is de interpretatie van Efeziërs 6:10-17 en Matteüs 12:43-45.

In Efeziërs 6:10-17 behandelt de apostel Paulus de wapenrusting. De apostel schrijft hier echter dat een christen zich op de door hem beschreven manier moet verdedigen tegen verleidingen. De ‘geestelijke strijd’ van een gelovige beschreven door Paulus in Efeziërs 6:10-17 is die van de verkondiging van het evangelie, en tegen zonde en afdwaling van het geloof (zie voor uitleg het vorige onderwerp ‘Geestelijke oorlogsvoering’). Deze passage kan niet gebruikt worden als onderbouwing van het charismatische bevrijdingspastoraat.
De vergelijking van de demon en het huis in Matteüs 12:43-45, wordt tevens gebruikt om dit bevrijdingspastoraat te rechtvaardigen. De passage is een vervolg op Matteüs 12:1-37, waarin Jezus door de farizeeën onder andere verweten wordt demonen uit te drijven dankzij Satan (zie ‘Matteüs 12:29’ hiervoor). Kan Matteüs 12:43-45 echter wél gebruikt worden als onderbouwing van dit bevrijdingspastoraat?

In vers 38 vragen enkele schriftgeleerden en farizeeën Jezus om een teken. Zij reageren hiermee op wat Jezus tot hen zegt in vers 12-37. Hierin beschuldigt Jezus de aanwezige schriftgeleerden en farizeeën te behoren tot een ‘verdorven en trouweloze generatie’. En hierop heeft de tekst over de onreine geest en het huis betrekking. (Opmerking: voor alle duidelijkheid zou ik de hele tekst van Matteüs 12:1-50 lezen.)
Matteüs 12:43-45: Wanneer een onreine geest iemand verlaat, trekt hij door dorre oorden op zoek naar een rustplaats. Maar als hij die niet vindt, zegt hij: ‘Ik zal terugkeren naar mijn huis, dat ik verlaten heb.’ En wanneer hij terugkeert, merkt hij dat het leegstaat, schoongemaakt is en op orde gebracht. Dan gaat hij weg en haalt er zeven andere demonen bij, die slechter zijn dan hijzelf, en zij allen nemen daar blijvend hun intrek. En zo is de mens bij wie de demon intrekt er ten slotte veel slechter aan toe dan voorheen. Zo zal het ook gaan met deze verdorven generatie.

De passage is een vergelijking met het Joodse volk toen (Zo zal het ook gaan met deze verdorven generatie’). De beschrijving weerspiegelt de toenmalige idee dat de dorre woestijnen van Syrië, Arabië en Egypte werden ‘bespookt’ door demonen die deze gebieden konden verlaten om de mensen binnen te vallen. De termen ‘leegstaat’, ‘schoongemaakt’ en ‘op orde gebracht’ hebben een tweeledige betekenis:
(1) De toestand van de eens bezeten man.
(2) De toestand van het Joodse volk in die dagen.
De man is na zijn bevrijding overgelaten aan de routine van het normale leven en de gebruikelijke moraal, zonder hogere geestelijke invloed welke hem beschermt en bewaakt. Met de toepassing van de gelijkenis op het religieuze leven van het toenmalige Joodse volk, moeten we ons het volgende afvragen:
(a) Wat volgt er op het eerste bezit door de demon?
(b) Waar staat het tweede bezit door de zeven demonen samen met de eerste voor?
(c) Wat is de tweede toestand (de toekomst) toen Jezus deze uitspraak deed? Want deze zal erger zijn dan de eerste.

De Joden weggevoerd in ballingschap
De Joden weggevoerd in ballingschap

Het antwoord op deze vragen ligt in de geschiedenis van het Joodse volk. De zonde vanaf de uittocht uit Egypte (de Exodus) tot aan de Babylonische ballingschap (586 – 538 v.Chr.) was die van afgoderij en afvalligheid (ontrouw worden aan een geloof). De aanbidding van andere goden fascineerde het Joodse volk, maar het beroofde de Joden van een waar gelovig inzicht en de ware vrijheid van wil. Ze werden figuurlijk tot slaaf gemaakt. En uiteindelijk resulteerde dit in de letterlijke betekenis door de ballingschap.
Na de terugkeer uit de ballingschap leek afgoderij voor altijd verbannen: het huis was ‘leeg, schoongemaakt en op orde gebracht’. Het religieuze leven bestond echter alleen maar uit starre voorschriften, uiterlijke ceremonies en de show van vroomheid. Het bestond uit schijnheiligheid in de ware zin van het woord. Het oude kwaad kwam dan ook terug in een nog ergere vorm: de Mammon-aanbidding; de hebzucht die afgoderij is (Efeziërs 5:5). Dit resulteerde in bitterheid en haat, de goedkeuring van de vele Joodse echtscheidingen, zelfingenomenheid en hoogmoed, en het nastreven van eigenbelang. Dit wordt bedoeld met ‘haalt er zeven andere demonen bij, die slechter zijn dan hijzelf’. Het getal zeven* (een symbolisch getal bij de Joden) staat hier voor een toegenomen kracht met minder hoop op herstel.
Wij moeten leren van de Joodse geschiedenis toen die uitmondde in de verwoesting van Jeruzalem tijdens de Joodse oorlog (66-70). Want zo verging het ‘deze verdorven generatie’.
(Bron: http://biblehub.com/commentaries/ellicott/matthew/12.htm.)

* Het getal zeven staat in de bijbel symbool voor compleetheid. Het geeft aan dat iets af is: iets kan niet beter worden dan het is, of juist niet erger. Als je dit weet over het getal zeven, ga je de bijbelverhalen nog beter begrijpen. (Bron: https://www.debijbel.nl/blog/zeven-een-heilig-getal)

Boon
Boon

Herman Boon (zie hoofdstuk 9.2.) onderwijst op basis van deze passage het volgende (citaat van een bezoekster van Boons ‘bidden en vasten tiendaagsen’, bron):
‘We leerden over boze machten, wat ze aan kunnen richten. We leerden over bevrijding en ’s avonds hadden we de eerste bevrijdingssessie. Veel mensen maken afwijzing mee: pijn, angst (zelfs paniek van hoogtevrees of donker kan machten in je los maken die je in de greep vasthouden/belemmeren), drugs, alcohol, porno, verkrachting, incest, mishandeling, geen liefde in je leven ervaren, foute films, occulte praktijken, verkeerde muziek, etc. En al die machten werden aangesproken en in de naam van Jezus moet alles wijken. Jezus heeft alles overwonnen en als je in Zijn naam spreekt tegen iemand die ook waarlijk in God gelooft, dan kan het geen stand houden. Doe je dit bij mensen die niet in God geloven en niet waarlijk voor Jezus gekozen hebben, dan komt deze macht nog zeven keer zo sterk terug.’
Of dit een juiste uitleg is, laat ik aan u – lezer – ter beoordeling over. Maar blijkbaar is Joodse getallensymboliek ‘bijbelleraar’ Boon vreemd, evenals dat het in deze tekst om een vergelijking gaat (om iets duidelijk te maken).

Van de Kamp
Van de Kamp

Wilkin van de Kamp (zie hoofdstuk 9.2.), oprichter en directeur van de Nederlandse charismatische bevrijdingsorganisatie Vrij Zijn, geeft ook een eigen interpretatie aan de passage:
‘Het is niet alleen binden en wegzenden van demonen, maar ook het levenshuis schoonvegen en op orde brengen, zoals Jezus dat beschrijft in vers 44. Belijden van zonden, verbreken van vloeken en demonische bindingen spelen hier een beduidende rol. Hierna moet Gods geest het levenshuis vullen, zodat als de boze terugkomt deze niet opnieuw het levenshuis kan binnendringen.’ (Bron: http://www.vergadering.nu/bevrijding/index.html)
Het is duidelijk dat Van de Kamp een eigen uitleg aan de tekst geeft. Ten eerste staat er ‘wanneer een onreine geest iemand verlaat’; er staat echter niet hoe en waardoor dit gebeurt. Ten tweede hebben de termen ‘leegstaat’, ‘schoongemaakt’ en ‘op orde gebracht’ betrekking op de toestand van de eens bezeten man. De termen betreffen echter niet het belijden van zonden (integendeel!), verbreken van vloeken en demonische bindingen (de demon had daarentegen juist de man verlaten!)
Maar het meest opvallende is dat Van de Kamp en Boon totaal voorbij gaan aan de context en dus betekenis van de tekst: een gelijkenis over het toenmalige Joodse volk en zijn toekomst.

Conclusie: Efeziërs 6:10-17 en Matteüs 12:43-45 zijn geen onderbouwing voor de stelling dat christenen gebonden kunnen zijn.

Een bijkomstig aspect is dat hoewel Van de Kamp stelt dat ‘de boze’ niet opnieuw het levenshuis kan binnendringen als Gods geest het levenshuis heeft gevuld, hij (en anderen, waaronder Boon) toch onderwijst dat christenen door demonen ‘gebonden’ kunnen zijn. Hoe legt men dat uit binnen dit bevrijdingspastoraat?

Vier manieren van gebondenheid? 

Wilkin van de Kamp onderwijst dat christenen op vier manieren gebonden kunnen zijn [6]. Hierdoor zou ‘de boze’ een ingang hebben verkregen om een zekere macht te kunnen uitoefenen op een bepaald wilsgebied van een gelovige:
1) Gebonden door de macht van de zonde (n.a.v. Johannes 8:34 en 1 Johannes 5:18)
2) Gebonden door de leugen (n.a.v. Johannes 8:32)
3) Gebonden door emotionele banden (n.a.v. Matteüs 18:34-35)
4) Gebonden door demonische banden (n.a.v. Lucas 13:10-17) 
Van de Kamp gebruikt voor zijn uitleg de HSV. Hieronder volgt kritiek op zijn uitleg.

1) Gebonden door de macht van de zonde (Johannes 8:34, 1 Johannes 5:18)

Johannes 8:34

‘Jezus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ieder die de zonde doet, is een slaaf van de zonde.’ (Johannes 8:34, HSV)
Van de Kamp: ‘Veel christenen zijn zich niet bewust van wie ze zijn: een nieuwe schepping van hart en geest (van Jezus). Veel leven echter nog steeds als een arme zondaar. Als we ons niet bekeren van een leven van voortdurend zondigen, blijven we kwetsbaar voor de boze en stellen we ons open voor demonische beïnvloeding.’
Kritiek:
‘Een slaaf van de zonde’ heeft hier niets te maken met ‘demonische gebondenheid’, maar heeft betrekking op een zondig leven (ingaan tegen de wil van God).

Slaven werden als bezit beschouwd en hadden geen rechten. De bijbel spreek over de mens als ‘slaaf van de zonde’ (Johannes 8:33, 34, Romeinen 6:16, 17, 20).
‘Wanneer u zich als slaaf in iemands dienst stelt, weet u toch dat u hem moet gehoorzamen? Wanneer u de zonde dient, leidt dat tot de dood; wanneer u God gehoorzaamt, leidt dat tot vrijspraak. 17 Maar God zij gedankt: u was slaven van de zonde, maar nu gehoorzaamt u van ganser harte de leer waaraan u zich hebt toevertrouwd, 18 en bevrijd van de zonde hebt u zich in dienst gesteld van de gerechtigheid. 19 Ik druk me zo gewoon mogelijk uit, omdat het anders uw begrip te boven gaat. Zoals u zich ooit in dienst stelde van zedeloosheid en onrecht om een wetteloos leven te leiden, zo stelt u zich nu in dienst van de gerechtigheid om heilig te leven.’ (Romeinen 6:16-19, geschreven door Paulus)
Het uitgangspunt van de vrijkoping-metafoor is dat de mens slaaf van een meester is (de zonde, de dood, de duivel). Hoe mooi dat Christus de mens vrijkoopt. Nu kan de mens zich in alle vrijheid ‘van harte onderwerpen’ aan een goede meester, voor de goede zaak: het dienen van gerechtigheid. Dit is ultieme vrijheid door onderwerping. Een meesterlijke paradox (schijnbaar tegenstrijdige situatie); je eigen vrije wil vieren door deze in overeenstemming te brengen met die van God.
‘Want een slaaf die door de Heer geroepen is, is een vrijgelatene van de Heer, zoals degene die als vrij man geroepen is een slaaf van Christus is.’ (1 Korintiërs 7:22, geschreven door Paulus)
Slaaf klinkt misschien een beetje negatief. Paulus noemt zichzelf ook wel ‘dienstknecht van Christus’ (Filippenzen 1:1), dat klinkt ietsje vriendelijker. Maar de bedoeling is helder. Het slaaf/dienstknecht-zijn staat voor dienstbare gehoorzaamheid. Het unieke aan het slaaf-zijn van Christus is dat dit in absolute vrijheid gebeurt. Hoe bijzonder dat de vrije wil het best tot uiting komt als deze zich in alle vrijheid in dienst stelt van een ander! Met dit doel ontstaat er richting en wordt kiezen een leven van ontwikkeling. Zelfbeperking geeft aan vrijheid waarde. Dit is diep paradoxaal en existentialistisch (ieder persoon is een uniek wezen, verantwoordelijk voor eigen daden en eigen lot). [5]

De toestand van een zondaar is die van iemand die de stem van een kwaad hart en de ingevingen van een kwaadaardige natuur dient en gehoorzaamt (Romeinen 6:17: ‘U was slaven van de zonde’ – Romeinen 6:19: ‘Zoals u zich ooit in dienst stelde van zedeloosheid en onrecht om een wetteloos leven te leiden’ – Romeinen 6:20, 7:6, 8, 11, 8:21, Handelingen 8:23: ‘Toen u nog slaven van de zonde was, was u niet gebonden aan de gerechtigheid’, Galaten 4:3, 9). Het effect van het evangelie is het verbreken van deze slavernij aan de zonde en bevrijding van de zondaar. We leren hieruit dat wat Jezus verkondigt niet slavernij of onderdrukking is, maar oprechte vrijheid. Jezus spreekt hier echter over bevrijding – en daardoor vrijheid – van zonde, niet van demonen.

1 Johannes 5:18

Het normale christelijke leven staat volgens Van de Kamp in 1 Johannes 5:18 verwoord: ‘Wij weten dat ieder die uit God geboren is, niet zondigt; maar wie uit God geboren is, bewaart zichzelf en de boze heeft geen vat op hem.’ (HSV) [2]
Van de Kamp legt dit vers zo uit dat als een christen dus tóch zondigt, de duivel wél vat krijgt op de gelovige (‘gebonden door de macht van de zonde’). Het is echter Van de Kamps eigen uitleg door gebruik te maken van de ‘omgekeerde conclusie’. En het is een foute conclusie.

Kritiek:
De NBV vertaalt het vers als volgt: ‘We weten dat iemand die uit God geboren is niet zondigt. De Zoon, die uit God geboren werd, beschermt hem, zodat het kwaad geen vat op hem heeft.’
Johannes verwijst hier naar ‘opdat u moet weten’ in vers 13, en somt drie punten op uit de voormalige delen van de brief, waarin het ware bewustzijn (het beseffen van iets) van een christen wordt beschreven.

  • ‘We weten dat iemand die uit God geboren is niet zondigt.’ Johannes bedoelt dat een ware christen niet opzettelijk zondigt (ingaan tegen Gods wil). Fouten kunnen zich voordoen, maar opzettelijke wetteloosheid (het opzettelijk doen van zonde) kan er niet zijn.
  • ‘De Zoon, die uit God geboren werd, beschermt hem,’. (De leer van) Christus zal de gelovige beschermen en niet verloren laten gaan (vergelijk Johannes 6:39, 10:27-28, 17:12 en 17:15).
  • ‘zodat het kwaad geen vat op hem heeft.’ Zolang een gelovige in Christus blijft en de leer van Christus volgt kan deze verleidingen tot zonde weerstaan (vergelijk 1 Petrus 5:8, Efeziërs 6:11 en Openbaring 3:10).

Johannes schrijft dat een ware christen zich bewust moet zijn dat door (de leer van) Christus te volgen hij/zij beschermd wordt tegen de verleidingen tot zonde, ook al kunnen onopzettelijke fouten zich wellicht nog voordoen. ‘Als een christen de leer van Jezus volgt zal hij/zij niet zondigen.’ Dát is de strekking van wat hij schrijft. Johannes schrijft echter (totaal) níet dat een christen ‘gebonden’ kan raken door zonde weer in zijn/haar leven toe te laten. Dat is pure inlegkunde* door Van de Kamp. [3] [4]

* Inlegkunde (eisegese): het interpreteren van een tekst door het projecteren van eigen vooronderstellingen. Door uit te gaan van de eigen ideeën en niet van de intenties van de auteur is er grote kans op misinterpretatie van de tekst.

2) Gebonden door de leugen (Johannes 8:32)
‘en u zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken’ (HSV).
Van de Kamp: ‘Als de waarheid ons vrijmaakt, dan houdt de leugen ons dus gebonden. Satan weet dat hij zijn controle over ons zal verliezen als wij leren de juiste gedachten te kiezen en de verkeerde te verwerpen.’
Kritiek:
Als gevolg van letterlijke interpretatie maakt Van de Kamp hier (weer) gebruik van de ‘omgekeerde conclusie’: de leugen houdt ons dus gebonden. Verkeerde (negatieve) gedachten werpen volgens Van de Kamp dus op ons (dagelijks) leven een vloek, waardoor we negatief beïnvloed worden door het kwade (‘woorden hebben kracht/macht’). Maar dat staat er helemaal niet en wordt er ook niet mee bedoeld. Het is (weer) inlegkunde wat Van de Kamp doet. Vaak wordt dit vers 32 door charismatici aangehaald (zie ook ‘Waarheidstreffen’ hiervoor). Maar wat wordt hier met ‘de waarheid’ bedoeld? Want deze waarheid zal bevrijden.

Johannes benadrukt Jezus’ nauwe band met de Vader: Jezus is in spreken en handelen één met God. Bovendien laat Johannes de redding of de veroordeling van de mens direct afhangen van zijn reactie op de ontmoeting met Jezus: wie gelooft is gered en heeft eeuwig leven, wie Jezus afwijst is veroordeeld. Bekende begrippen in het evangelie volgens Johannes zijn: Jezus is het Woord, het licht, de enige Zoon, de profeet, de van God gekomen leraar, de Heer, het brood, de deur, de goede herder, de weg, de waarheid en het leven. Geconfronteerd met Jezus moet een zeer uiteenlopende reeks mensen beslissen of ze al of niet in hem zullen geloven. Opvallend is dat Johannes bepaalde woorden op verschillende niveaus gebruikt: in een gewone en een religieuze betekenis. Dat maakt dat de personages Jezus vaak niet begrijpen. (Bron: https://www.debijbel.nl/kennis-achtergronden/bijbelboeken-artikelen/2517)

Jezus spreekt hier tegen de Joden die in hem gingen geloven (vers 31) en spreekt hier over bevrijding van het doen van zonde. Deze Joden begrepen Jezus echter niet, wat blijkt uit hun opmerking dat zij nooit iemands slaaf zijn geweest: ‘Ze zeiden: “Wij zijn nakomelingen van ​Abraham​ en we zijn nooit iemands ​slaaf​ geweest – hoe kunt u dan zeggen dat wij bevrijd zullen worden?”’ (vers 33, NBV). Jezus herinnert hen eraan dat iemand die een zonde beoefend, in feite een slaaf is van deze zonde (zie ook punt 1). En dit was het geval met de meesten van hen. Jezus moedigde hen aan zijn leer te onderhouden, te vertrouwen op zijn beloften en zijn geboden te onderhouden, ondanks alle verleidingen tot het kwaad. Dit doende zouden zij echte leerlingen van Jezus zijn. ‘De waarheid’ betekent hier dus het evangelie: de goede boodschap van het reddende ingrijpen van God (vergelijk Galaten 3:1 en Kolossensen 1:6).
In Johannes 17 (vers 17) bidt Jezus voor zijn discipelen: ‘Heilig hen dan door de waarheid. Uw woord is de waarheid.’  (BiGT: ‘De waarheid is de boodschap die bij u vandaan komt. Zorg dat mijn leerlingen die waarheid leren kennen, zodat ze voorbereid zijn op hun taak.’)
In antwoord op de vraag van de discipel Tomas in Johannes 14, verklaart Jezus: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door mij.’ (Vers 6.)

3) Gebonden door emotionele banden (Matteüs 18:34-35)
Van de Kamp: ‘Gezonde relaties zijn gebaseerd op liefde, ongezonde relaties op angst (haat, lust, schuld, schaamte, enzovoort), waardoor emotionele verbondenheid verandert in emotionele gebondenheid. Daarenboven houdt niet vergeven ons emotioneel gebonden aan hen die ons kwaad hebben gedaan en aan de pijn (boosheid, bitterheid, wrok, enzovoort) .’
Kritiek:
Matteüs 18:34-35 (HSV): ‘En zijn heer, boos als hij was, gaf hem aan de pijnigers over, totdat hij alles wat hij hem schuldig was, betaald zou hebben. Zo zal ook Mijn hemelse Vader met u doen, als niet ieder van u van harte de misdaden van zijn broeder vergeeft.’
Matteüs 18:21-35 betreft de vergelijking van de onbarmhartige knecht: hoewel wij volledig leven op genade, is het voor ons maar moeilijk om fouten en overtredingen van iemand anders te vergeven. De vergelijking leert dat we barmhartig moeten zijn en bereid moeten zijn anderen te vergeven, als wij hopen op vergeving van onze zonden door God.
‘Gaf hem aan de pijnigers over’: ‘pijnigers’ (NBV: ‘gerechtsbeulen’) zijn hier gevangenisbewakers die folteren. We moeten deze zin zien als symbool of vergelijking voor hoe God werkt in rechtvaardige vergelding; door wroeging van het geweten, de hoon en smaad van mensen, en tenslotte welke elementen van het lijden liggen in het leven na de dood. Heeft niets te maken met demonische invloed, dus ook niet de door Van de Kamp veronderstelde ‘(emotionele) gebondenheid door’.
(Geraadpleegde bronnen: http://biblehub.com/commentaries/matthew/18-34.htm)

4) Gebonden door demonische banden (Lucas 13:10-17) 
Van de Kamp: ‘De duivel verleidt ons om occulte, onreine en andere zondige relaties aan te gaan. Hierdoor kunnen we ook in de geestelijke wereld verbonden worden met de demonische krachten waar die persoon aan vastzit. Demonen kunnen zo een “brug” verkrijgen en ons overvallen met onreine, zondige, depressieve en negatieve gedachten en gevoelens.’
Kritiek:
Lucas 13:10-17 (HSV): ‘En Hij gaf onderwijs op de sabbat in één van de synagogen. En zie, er was een vrouw die achttien jaar lang een geest had die haar ziek maakte en zij was kromgebogen en kon zich in het geheel niet oprichten. En toen Jezus haar zag, riep Hij haar bij Zich en zei tegen haar: Vrouw, u bent verlost van uw ziekte. En Hij legde de handen op haar en zij werd onmiddellijk weer opgericht en verheerlijkte God.
En het hoofd van de synagoge, die verontwaardigd was dat Jezus op de sabbat genas, antwoordde en zei tegen de menigte: Er zijn zes dagen waarop men moet werken. Kom dan daarop en laat u genezen, maar niet op de dag van de sabbat.
De Heere dan antwoordde hem en zei: Huichelaar, maakt niet ieder van u op de sabbat zijn os of ezel van de voederbak los en leidt hem weg om hem te laten drinken? En moest dan deze vrouw, die een dochter van Abraham is en die de satan, zie, nu achttien jaar gebonden had, niet losgemaakt worden van deze band op de dag van de sabbat?’
Van de Kamp refereert aan vers 11: ‘En zie, er was een vrouw die achttien jaar lang een geest had die haar ziek maakte’, en vers 16: ‘En moest dan deze vrouw, die een dochter van Abraham is en die de satan, zie, nu achttien jaar gebonden had, niet losgemaakt worden van deze band op de dag van de sabbat?’
De woorden in vers 11 en 16 impliceren de joodse overtuiging dat alle ziekte, of veel vormen daarvan, naast de oorzaak van lichamelijke zwakheid direct of indirect herleidbaar is naar de macht van de vijand. Het gaat hier echter niet om uitdrijving van een demon. In vers 12 zegt Jezus ook: ‘U bent verlost van uw ziekte,’ en in vers 13 staat: ‘en hij legde haar de handen op.’ Handoplegging heeft te maken met identificatie of éénwording (zie ‘Handoplegging’) en Jezus legde bij het uitdrijven van demonen nooít de handen op.
Wat we uit de tekst kunnen opmaken is dat het gaat om een genezing van een ziekte bij een gelovige Joodse vrouw. Hoe Van de Kamp echter naar aanleiding van Lucas 13:10-17 bovenstaande kan concluderen is mij (R.K.) een raadsel: waar staat bijvoorbeeld dat de vrouw een occulte, onreine of andere zondige relatie had met een ander mens, naast de andere zaken die Van de Kamp concludeert?
(Geraadpleegde bronnen: http://biblehub.com/commentaries/luke/13-16.htm)
 

Bovenstaande laat zien dat alle aangehaalde onderbouwingen van de charismatische leer van ‘gebondenheid’ weerlegbaar zijn. De bijbel zegt ook nergens dat christenen ‘gebonden’ kunnen zijn. Zo is in de bijbel nergens een voorbeeld te vinden van iemand die in Christus gelooft en tevens door een demon bezeten wordt. Het Nieuwe Testament kent ook nergens een woord of begrip met betrekking tot een bezeten christen. De meeste theologen zijn dan ook van mening dat een christen niet ‘gebonden’ kan zijn, omdat de heilige Geest in de gelovige huist (1 Kor. 6:19, 2 Kor. 1:22 en 5:5).
1 Korintiërs 6:19: ‘Of weet u niet dat uw lichaam een tempel is van de heilige Geest, die in u woont en die u ontvangen hebt van God, en weet u niet dat u niet van u zelf bent?’
2 Korintiërs 1:21-22: ‘Het is God die u en ons Christus als fundament geeft, die ons allen heeft gezalfd, heeft gewaarmerkt als zijn eigendom en ons als voorschot de Geest gegeven heeft.’
2 Korintiërs 5:5: ‘Hiervoor heeft God zelf ons gereedgemaakt, door ons de Geest als onderpand te geven.’
 

Generatievloeken?

Een laatste oorzaak van gebondenheid zou volgens dit bevrijdingspastoraat het bestaan zijn van ‘generatievloeken’. Het gevolg hiervan zou tegenspoed zijn, en dat kan zich op allerlei terreinen manifesteren. De oorzaak van de ‘generatievloek’ zou begane zonde door onze voorouders zijn (demonische gebondenheid vanuit je voorgeslacht). Dit gaat dan terug tot het derde of vierde geslacht. Dus als er in uw leven bijvoorbeeld ziekte, huwelijksproblemen, driftbuien of alcoholisme voorkomt, zou dit het gevolg kunnen zijn van een ‘generatievloek’. Anders gezegd: als er in uw familielijn bijvoorbeeld verslaving, moord of overspel is voorgekomen, zou dit ook werkzaam in uw leven kunnen zijn. U bent simpelweg slachtoffer van het gedrag van uw voorouders. De oplossing bestaat uit twee stappen: eerst moet u de zonden van uw voorouders belijden en vervolgens moet u zich in de naam van Jezus vrijspreken van deze vloek. Het resultaat zou dan bevrijding van deze vloek zijn. Men baseert deze leer op het tweede gedeelte van vers 5 in Exodus 20 (zie ook Deuteronomium 5:9, vergelijk met Numeri 14:18):
‘Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde,… ‘ (Ex. 20:5b). 
Betreft dit vers echter zogenaamde ‘generatievloeken’?

Exodus 20:1-17 betreft de tien geboden. Zien we vers 5b in de gehele context dan is het direct duidelijk dat het hier afgoderij betreft, en geen zogenaamde ‘generatievloeken’.
Exodus 20:1-6 (zie ook Deuteronomium 5:6-11): (1) Toen sprak God deze woorden:
(2) ‘Ik ben de HEER, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd.
(3) Vereer naast mij geen andere goden.
(4) Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde. (5) Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet, want ik, de HEER, uw God, duld geen andere goden naast mij. Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten; (6) maar als ze mij liefhebben en doen wat ik gebied, bewijs ik hun mijn liefde tot in het duizendste geslacht.

Het derde en vierde geslacht worden hier genoemd, omdat sommige ouders hun achterkleinkinderen nog meemaakten (men trouwde meestal op jonge leeftijd). Deze generaties werden dan ook beïnvloed door de (groot)ouders. De ‘schuld’ waarvoor God de kinderen laat boeten, gaat over het feit dat deze kinderen in de voetsporen treden van de ouders. De zonden die de ouders doen, het dienen van afgoden, doen zij zelf ook en die worden hen persoonlijk aangerekend.
Als laatste staat er echter in vers 5 ‘, wanneer zij mij haten;’ en vers 6 vervolgt met ‘…maar als ze mij liefhebben en doen wat ik gebied, bewijs ik hun mijn liefde tot in het duizendste geslacht.’ (Ex 20:6)
Als de kinderen niet het voorbeeld van de ouders volgen (afgoderij = God haten), maar God liefhebben en zijn geboden onderhouden, dan bewijst God zijn liefde ‘tot in het duizendste geslacht’. Dit betekent voor altijd, zie ook Deuteronomium 7:9-10:
‘Besef dus goed: alleen de HEER, uw God, is God en hij houdt woord; hij komt zijn beloften na en is trouw aan ieder die hem liefheeft en die doet wat hij gebiedt, tot in het duizendste geslacht. Maar ieder die hem haat zal daarvoor boeten met zijn leven; de HEER zal hem niet laten begaan, hij laat hem persoonlijk boeten.’
Exodus 20:5b betreft afgoderij door de kinderen begaan in navolging van de ouders: de kinderen verrichten dezelfde zonde als de ouders. Ze zijn hier echter zelf persoonlijk verantwoordelijk voor. Dit strookt absoluut niet met de charismatische leer over generatievloeken. Het vers wordt dan ook door de charismatici uit de context geplaatst; iets wat we al vaker zijn tegengekomen…

Deuteronomium 28:15-68

In deze leer over generatievloeken wordt soms Deuteronomium 28:15-68 (‘Zegen en vloek’) aangehaald. Men stelt dan dat de beschreven vloeken in deze tekst uit het Oude Testament, ons kunnen treffen naar aanleiding van de zonde(n) van onze voorouders. (Vervloeken is in de bijbel het uitspreken van onheil over iemand, waardoor dat onheil hem of haar ook werkelijk overkomt.)
Deze passage behandelt echter niet zogenaamde veronderstelde ‘generatievloeken’, maar de tekst spreekt over de vloek van de Wet. Het betreft onheil dat het joodse volk zal treffen, wanneer het volk zich niet aan de regels en instructies beschreven in de Thora (de joodse Wet) houdt. Het gaat over straf als gevolg van overtreding.
Deuteronomium 28:15:Maar als u de HEER, uw God, niet gehoorzaamt en zijn geboden en wetten, zoals ik ze u vandaag heb voorgehouden, niet nauwkeurig naleeft, zullen deze vervloekingen u treffen:’
De apostel Paulus stelt onder andere in Galaten 3:10-13 (NT) dat voor christenen de Wet niet van toepassing is: Jezus heeft christenen vrijgekocht van de vloek van de Wet door zijn offer aan het kruis (vers 13). Voor Paulus was de joodse Wet heilig, maar hij was ervan overtuigd dat mensen niet rechtvaardig (gered) konden worden door zich aan de Wet te houden. Het geloof in Jezus Christus is wat een mens behoud.
Galaten 3:10-13: Maar iedereen die op de wet vertrouwt is vervloekt, want er staat geschreven: ‘Vervloekt is eenieder die niet alles doet wat het boek van de wet bepaalt.’ Dat niemand door de wet voor God rechtvaardig wordt, is volkomen duidelijk, want er staat ook geschreven: ‘De rechtvaardige zal leven door geloof.’ De wet daarentegen is niet gegrond op geloof, want er staat: ‘Wie doet wat de wet voorschrijft, zal leven.’ Maar Christus Jezus heeft ons vrijgekocht van deze vloek door voor ons te worden vervloekt, want er staat geschreven: ‘Vervloekt is ieder mens die aan een paal hangt.’
Paulus stelt dat christenen zich moeten houden aan ‘de wet van Christus’ (Gal. 6:2). Die wet kan volgens hem als volgt worden samengevat: heb de mensen om je heen lief (Rom. 13:8-10, 1 Kor. 13, Gal. 5:14).

Weerlegging door Ezechiël

Ds. Rob Visser, predikant van de Gereformeerde Kerk Nederland te Zwolle, schrijft op zijn website naar aanleiding van Van de Kamps boek ‘Het wonder van het kruis’ (2008):
het-wonder-van-het-kruis‘Volgens Van de Kamp, in dit boek,  kan het zijn dat op jou een ‘generatievloek’ rust. Dat betekent dat jouw voorouders bepaalde zonden hebben gedaan die nog op het nageslacht rusten. Er zou dan een bepaalde vloek op ons rusten, waarvan we bevrijd moeten worden. Hij schrijft hierover onder andere dit: “Als wij vrij willen komen van de vloek in ons leven, dan is het goed – nadat we ons bekeerd hebben van de zondige levenswandel van onze voorouders – dat ook wij in navolging van Jezus plaatsvervangend de zonden van onze ‘vaderen’ gaan belijden. Dan zullen we persoonlijk gaan ervaren dat Gods zegen sterker is dan welke vloek ook.” (Pagina 122.)
Hier hebben we te maken met iets dat echt tegen het Woord van de HERE ingaat. Het is niet zo dat als we in geloof zijn gaan leven, de zonden van ons voorgeslacht ons nog worden toegerekend. Je leest dat zo duidelijk en mooi in Ezechiël 18′ (Oude Testament):
1 De HEER richtte zich tot mij: 2 ‘Waarom gebruiken jullie in Israël toch het spreekwoord: Als de ouders onrijpe druiven eten, krijgen de kinderen stroeve tanden? 3 Zo waar ik leef – spreekt God, de HEER –, nooit meer mag iemand bij jullie in Israël dit spreekwoord in de mond nemen! 4 Weet dat alle mensenlevens mij toebehoren: zowel het leven van de ouders als dat van hun kinderen ligt in mijn hand, en alleen wie zondigt zal sterven.* 
(…)
30 Ik zal iedereen beoordelen naar de weg die hij gegaan is – spreekt God, de HEER. Kom tot inkeer, bega geen misdaden meer, anders brengt jullie schuld je ten val. 31 Breek met het zondige leven dat jullie hebben geleid, en vernieuw je hart en je geest. Dan hoeven jullie niet te sterven, Israëlieten! 32 Want de dood van een mens geeft me geen vreugde – spreekt God, de HEER. Kom tot inkeer en leef!
(Lees voor de verklarende voorbeelden de verzen 5-29.)
‘Als het gaat om wat Wilkin van de Kamp leert, moeten we heel erg op onze hoede zijn. Het is hier echt nodig om heel zorgvuldig te toetsen, omdat er te veel is wat niet in overeenstemming met het Woord van de Geest is. De mooie dingen die je bij hem leest, moeten je niet laten meenemen om hem in alles te volgen.’
(Bron: http://www.evangelie-voor-elke-dag.nl/news/het-wonder-van-het-kruis-wilkin-van-de-kamp-een-recensie/)

* BiGT: 1 De Heer sprak opnieuw tegen mij. Hij zei: 2 ‘Jullie zeggen in Israël: ‘Kinderen worden gestraft voor de fouten van hun ouders.’ Waarom zeggen jullie dat toch? 3 Jullie moeten daarmee ophouden. 4 Want ik beslis over het leven van alle mensen: over het leven van de ouders, en ook over het leven van de kinderen. En alleen de mensen die zondigen, zullen sterven. (Ezechiël 18:1-4)

De bijbel noemt geen generatievloeken. Het is onder andere een leer die mensen niet bewust maakt van de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van eigen gedrag.
‘Iedereen komt in de verleiding door zijn eigen begeerte, die hem lokt en meesleept. Is de begeerte bevrucht, dan baart ze zonde; en is de zonde volgroeid, dan brengt ze de dood voort.’ (Jakobus 1:14-15)

Eigen verantwoordelijkheid

Binnen dit bevrijdingspastoraat wordt gesteld dat een christen ‘gebonden’ kan raken door zonde weer in zijn/haar leven toe te laten. Het ‘kwade’ zou daarmee een ingang hebben verkregen tot een gelovige. Maar dat gelovigen nog steeds niet foutloos zijn, is wat anders dan ‘gebonden’ zijn.

De bijbel spreekt over ‘zonde’ als mensen ingaan tegen de wil van God. Hieronder valt zowel verkeerd gedrag tegenover God zelf als verkeerd gedrag tegenover mensen. Oorzaak van de zondeval is volgens de neo-charismatici Satan. De bijbel leert echter dat door de ongehoorzaamheid van de mens de zonde de wereld is binnengekomen.
Jezus noemt als oorsprong van de zonde het menselijk hart (Marcus 7:21-23). De apostel Paulus noemt het domein van het kwaad in de mens ‘het vlees’. Hij doelt daarmee vooral op lichamelijke begeerten die tot zonde kunnen leiden. De oorsprong van de zonde wordt door Paulus ook in verband gebracht met Adam: door de overtreding van Adam is er zonde in de wereld gekomen (Romeinen 5:12-19). Voorbeelden die in het Nieuwe Testament genoemd worden zijn moord, overspel, ontucht en diefstal. In Johannes 15:22 wordt het afwijzen van Jezus Christus de grootste van alle zonden genoemd.
Paulus schrijft in zijn brief aan de Romeinen: ‘Immers, ik besef dat in mij, in mijn eigen natuur (“in mijn vlees”, HSV), het goede niet aanwezig is. Ik wíl het goede wel, maar het goede doen kan ik niet. Wat ik verlang te doen, het goede, laat ik na; wat ik wil vermijden, het kwade, dat doe ik.’ (Rom.7:18-19) Qua criteria zou de apostel tegenwoordig direct in aanmerking komen voor het charismatische bevrijdingspastoraat.

Volgens dit bevrijdingspastoraat is Satan de oorzaak van alle problemen in de wereld. Van verslaving, ziekte en depressie tot (het doen van) verkrachting en moord; het is allemaal de schuld van Satan. Als we vasten en hem wegbidden zijn we van al die problemen af. We zijn blijkbaar zelf nergens verantwoordelijk voor en de dokter hebben we niet meer nodig.

Eindgedachte

Kritiek op deze vorm van bevrijdingspastoraat (en in het algemeen op de derde/vierde golf beweging) is dat men geen ruimte laat voor de menselijke natuur: alles heeft óf een goddelijke óf een demonische oorzaak. Maar daarmee laat men geen ruimte voor de eigen (wils)keuze en eigen verantwoordelijkheid van een mens (wat de basis vormt van het Genesis 3-verhaal over de zondeval).
De kritiek op deze ‘geestelijke oorlogsvoering’ stelt dat Jezus geen ophef maakte over demonen; in het Nieuwe Testament exorcisme (uitdrijving van boze geesten) geen teken van geloof was; er in de bijbel geen geestelijke oorlog is tussen de gelovigen en demonen; en de uitdrijving door deze evangelisten meer lijkt op de praktijk van heidense exorcisten; het lijkt in ieder geval niet op de gevallen van demonenuitdrijving in het Nieuwe Testament, waar de strijd al gewonnen is. (Bron: Covenant Theology, pagina 48-50.)
De dwaling in dit bevrijdingspastoraat ligt in het feit dat zij ervan uitgaat dat ware christenen ‘gebonden’ kunnen zijn, terwijl dat helemaal niet zo is. Mensen laten zich zo een occulte belasting aanpraten. Dat christenen nog steeds problemen en ziekte in hun leven ondervinden – en nog steeds fouten maken – is dan ook echt geheel wat anders dan zogenaamd ‘gebonden’ zijn.
 

‘Aan de officier van justitie’

Op de site Goedgelovig deed een jurist het volgende kritische schrijven naar aanleiding van dit bevrijdingspastoraat (bron: https://goedgelovig.wordpress.com/2014/03/20/aan-de-officier-van-justitie/):

‘Aan de officier van justitie die nog wat tijd over heeft. En dat is een uitstervend ras helaas. Ik bewonder nu alvast uw geduld om dit te lezen.
(…)
Het lijkt mij uiterst nuttig en noodzakelijk dat u een (proef)proces gaat starten om uit te vinden waar de grens ligt tussen christelijke hulp en christelijke waanzin. Ik heb voor u twee casussen (de tweede over sekten is hier niet weergegeven). Ik hoop van harte dat u deze zaken oppakt, gerechtelijk onderzoekt en daders ter verantwoording roept in de rechtbank.

Casus 1: Bevrijdingspastor (m/v)

De laatste jaren was er sprake van een heuse trend in christelijk Nederland: bevrijdingspastoraat. Als u een idee wilt krijgen wat dat is, dan zou u eens de Miniserie ‘Bevrijd’ moeten lezen, op deze website (Goedgelovig.nl).

Bevrijdingspastoraat is een vorm van (al dan niet kerkelijk) pastoraat. Het draait om de hypothese dat het slachtoffer bezeten zou zijn. Dit bezeten zijn wordt dan uitgelegd als: gebonden aan demonische machten, vloeken (al dan niet overgenomen uit de familielijn) en/of geneigd te zijn zaken te doen die niets met een christelijke levensstijl te maken zouden hebben.

De dader, degene die het bevrijdingspastoraat aanbiedt, biedt het slachtoffer de mogelijkheid om bevrijd te worden van deze bezetenheid. Dit kan op afspraak zijn, tijdens daartoe opgezette inloopspreekuren of collectief tijdens grotere bijeenkomsten die al dan niet gratis te bezoeken zijn. Het doel van de bevrijding van bezetenheid is om genezen te worden, of heel te worden als mens. Dit vanuit de gedachte dat een bezetenheid een besmetting vormt in het leven van de christen.

Voorafgaand aan het daadwerkelijke bevrijden van de bezetenheid gaat de dader listig te werk om het vertrouwen te wekken van het slachtoffer. De dader instrueert het slachtoffer zich over te geven aan zijn of haar kundigheid op het gebied van bezetenheid. Deze kundigheid wordt vaak tentoongesteld met het gebruiken van termen uit boeken waar de dader vaak zelf amper wat van heeft begrepen. Daarnaast worden ook vragenlijsten gebruikt die een zeer sterke suggestie wekken dat het slachtoffer te maken heeft met een professionele zorgverlener. Op beide wil ik ingaan.

Het is zeer waarschijnlijk dat de dader het slachtoffer ‘confident’ noemt. De dader zal deze term niet richting het slachtoffer gebruiken maar wel in onderling verband met andere daders of in ondersteunende protocollen die dader heeft opgesteld om zijn of haar handelen te objectiveren. De term confident is ontleed aan het boek ‘Bevrijdingspastoraat’ van Joost Verduijn. Deze term is een expliciete verwijzing naar de relatie tussen dader (in het boek ook wel: de hulpgever) en het slachtoffer (in het boek: de hulpvrager). In het boek wordt uitgegaan van een professionele zorgrelatie, die sterk vergelijkbaar is met de relatie tussen arts en patiënt. Het is nog maar zeer de vraag of de dader ook daadwerkelijk een professionele zorgverlener is die vergelijkbaar is met een arts, een BIG-geregistreerde psycholoog of psychiater. In veel gevallen zal de daartoe benodigde opleiding van de dader geheel ontbreken, niet gedocumenteerd zijn of slechts gedeeltelijk geëxamineerd door een daartoe bevoegde instelling.

Ook is het zeer waarschijnlijk dat de dader gebruik maakt van vragenlijsten of vraaggesprekken waarbij het slachtoffer tal van gegevens prijs dient te geven die onder het medisch beroepsgeheim gevallen. Zo wordt er onder andere gevraagd of en zo ja welke ziektes het slachtoffer onder de leden heeft. Hiermee worden dan de medisch ziektebeelden bedoeld zoals een arts deze zou vaststellen. Er wordt gevraagd of het slachtoffer last heeft van mogelijke psychische stoornissen, depressies en/of zelfmoordneigingen. Er wordt gevraagd naar de seksuele ontwikkeling. Daarnaast wordt vaak ook gevraagd wat de emotionele verhouding was/is tussen slachtoffer en diens kinderen, ouders en grootouders. Deze vragenlijsten hebben dus duidelijk het doel de dader te voorzien van informatie als ware hij/zij een professioneel zorgverlener, aangezien het niet ongebruikelijk is dat vergelijkbare vragen gesteld worden door een daadwerkelijk professioneel zorgverlener zoals een arts, een BIG-geregistreerde psycholoog of psychiater. In veel gevallen zal de daartoe benodigde opleiding van de dader geheel ontbreken, niet gedocumenteerd zijn of slecht gedeeltelijk geëxamineerd door een daartoe bevoegde instelling.

Nadat de vertrouwensrelatie tussen dader en slachtoffer is opgebouwd volgt een bevrijdingsritueel. De verwachtingen van het bevrijdingsritueel bij het slachtoffer over de uitkomst zijn niet anders dan hooggespannen te noemen. Immers het slachtoffer gaat door de dader bevrijd worden van iets wat niet zou passen in zijn of haar christelijke levensstijl. Deze hooggespannen verwachting is vaak ook een bron van daadwerkelijk aanwezige en medisch aantoonbare spanning bij het slachtoffer. Het is niet ongewoon dat het slachtoffer daardoor gedurende het bevrijdingsritueel buiten zinnen raakt. Dit uit zich dan in het maken van spastische bewegingen, hysterisch huilen, onverstaanbaar praten, schreeuwen en andere ongecontroleerde lichaamsbewegingen. Dit wordt door de dader ‘manifesteren’ genoemd, waarmee de dader probeert aan te duiden dat dit om een strijd zou gaan tussen geestelijke machten en niet zo zeer gerelateerd aan de eerder genoemde opgebouwde spanningen.

Enige tijd na het bevrijdingsritueel zal het slachtoffer bemerken dat gevoelens die hij of zij had voorafgaand aan hele bevrijd worden van bezetenheid weer terugkeren. Afhankelijk van de autonomie van het slachtoffer, diens omgeving en vergelijkbare invloeden zal het slachtoffer zich opnieuw wenden tot de dader voor opnieuw een bevrijding. Soms daartoe aangemoedigd door de dader. Ook is het niet ongebruikelijk dat het slachtoffer zich wendt tot een andere dader die zich bezig houdt met vergelijkbare zaken als de oorspronkelijke dader.

Wanneer het slachtoffer zich weet te onttrekken aan door de dader gevestigde autoriteit breekt er een nieuwe fase aan. In deze fase komt het slachtoffer tot de realisatie dat hij/zij niet geholpen is door de dader. Daarna is vaak langdurige daadwerkelijke professionele psychische hulpverlening nodig om het slachtoffer weer op de been te helpen, niet in de laatste plaats om weer vertrouwen in de mensheid te herwinnen. De dader heeft het slachtoffer in alle gevallen psychische schade toegebracht. Daarnaast is er vaak ook sprake van economische schade. Deze economische schade bestaat dan uit de vrijwillige collectes, verkoop van boeken, cd’s, dvd’s, vragenlijsten, cursusgelden en soortgelijke zaken. De dader gebruikt deze economische middelen om zijn of haar misdadige praktijk voort te zetten.

De dader is in mijn ogen schuldig aan het overtreden van artikel 255 uit het Wetboek van Strafrecht. Dit artikel stelt het volgende:

“Hij die opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens wet of overeenkomst verplicht is, in een hulpeloze toestand brengt of laat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.”

De bestandsdelen van dit delict zijn (1) een behandelovereenkomst en (2) het in hulpeloze toestand breng of laten.

Er ontstaat een ongeschreven behandelingsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 446 boek 7 Burgerlijk Wetboek. Door de beschreven houding en kunstgrepen moet de dader gezien worden als iemand die pretendeert een hulpverlener te zijn zoals bedoeld in artikel 446 boek 7 Burgerlijk Wetboek. Er is sprake van beroepsmatig handelen doordat de dader zijn of haar modus operandi met enige regelmaat herhaalt. Het doet niet ter zake of dit fulltime of parttime is. Het herhalen van de modus operandi is voldoende om te spreken van beroepsmatig handelen. Er is sprake van geneeskundig handelen omdat de dader door de beschreven houding en kunstgrepen gezien moet worden als iemand die vergelijkbaar is met een BIG-geregistreerde psycholoog. Het geneeskundig handelen van een psycholoog bestaat onder andere uit het analyseren van gedrag aan de hand van vragen die gesteld worden aan de patiënt. Het behandelen van de patiënt bestaat uit het leren omgaan met gevoelens en het denken over bepaalde zaken. Uit de modus operandi van de dader blijkt dat deze overeenkomstig handelt. Doordat het slachtoffer uitgaat van de gepretendeerde kwaliteit van de dader ontstaat er een behandelovereenkomst.

De dader weet dat het slachtoffer om hulp verlegen zit met de vraag om bevrijding van bezetenheid. Er is dus sprake van een hulpbehoevende situatie. Omdat de dader geen professioneel hulpverlener is zal er ook nooit een daadwerkelijk geneeskundig handelen volgen zoals bedoeld in afdeling 5, titel 7 boek 7 Burgerlijk Wetboek. Doordat er geen sprake is van geneeskundig handelen volgt er ook geen verandering in de hulpbehoevende situatie van het slachtoffer. Er is tenminste sprake van het in hulpeloze toestand laten van het slachtoffer. Als het slachtoffer nadat die zich onttrokken heeft van de dader daadwerkelijke professionele hulpverlening nodig heeft dan is er zelfs sprake van het in hulpeloze toestand brengen van het slachtoffer door de dader.

Daarnaast verzamelt de dader bijzondere persoonsgegevens zoals bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens, namelijk gegevens over de gezondheid van het slachtoffer. Indien deze gegevens verwerkt zijn door de dader dan is hier ook een probleem. Ook hier heeft te gelden dat doordat de dader zich gedraagt als een professioneel hulpverlener ook dezelfde wet- en regelgeving van toepassing zijn op de dader als bij de daadwerkelijk professioneel hulpverlener. De bijzondere persoonsgegevens die de dader verzamelt van het slachtoffer vallen onder het medisch beroepsgeheim. De dader zal ook voorzieningen moeten treffen om adequaat zorg te dragen dat deze gegevens ook als zodanig behandeld worden. Omdat deze voorzieningen bij de dader niet aanwezig zijn schendt de dader het medisch beroepsgeheim en daarmee artikel 272 Wetboek van Strafrecht.

Als strafeis zou ik komen tot: 9 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 voorwaardelijk, een onvoorwaardelijke geldboete van € 8.500,- en een schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer waarmee tenminste de kosten voor de psychische hulpverlening van het slachtoffer betaald kunnen worden. De geldboete dient met name de afschrikkende functie om andere daders te laten weten dat het echt niet door de beugel kan.’
 

Geraadpleegde bronnen: http://www.gotquestions.org/Nederlands/door-demonen-bezeten-zijn.html, https://www.debijbel.nl/onderwerpen/s/demon/2416, http://www.gotquestions.org/Nederlands/demonen-Bijbel.html, http://www.gotquestions.org/Nederlands/christen-uitdrijven.html, http://www.bevrijdingeninnerlijkegenezing.nl/index.php/wat-is-bevrijdingspastoraat, http://www.toetsalles.nl/htmldoc/g.o.wakely.htm, [1] http://www.herschepping.nl/08wl/bevr_08demonische_gebondenheid.php, [2] https://goedgelovig.wordpress.com/2012/04/18/waarom-hebben-christenen-bevrijding-nodig/#more-30070http://www.petersteffens.nl/artikelen/onderwijs/binden-en-ontbinden.html, http://www.rejoicenow.nl/page/bevrijdingspastoraat, http://www.rejoicenow.nl/page/generatievloekenhttp://biblehub.com/commentaries/exodus/20-5.htm, http://biblehub.com/commentaries/exodus/20-6.htm, https://staatgeschreven.nl/2015/07/03/bevrijdingspastoraat-in-de-psychiatrie/, [3] http://biblehub.com/commentaries/ellicott/1_john/5.htm, [4] http://biblehub.com/1_john/5-18.htm, [5] http://lazarusmagazine.nl/2017/04/zonderschuld-2/?utm_content=buffer9002a&utm_medium=social&utm_source=facebook.com&utm_campaign=buffer, http://biblehub.com/commentaries/john/8-32.htm, [6] https://goedgelovig.wordpress.com/2012/04/18/waarom-hebben-christenen-bevrijding-nodig/, https://www.debijbel.nl/onderwerpen/s/zegen-en-vloek/1058,  https://www.debijbel.nl/onderwerpen/s/zonde/1063http://www.vergadering.nu/boeknannen-waarlijk-vrij.htm, http://www.refdag.nl/kerkplein/kerknieuws/els_nannen_wie_satan_bindt_wordt_zelf_gebonden_1_534548, https://books.google.nl/books?id=ziszAgAAQBAJ&pg=PT38&lpg=PT38&dq=kritiek+geestelijke+oorlogsvoering&source=bl&ots=86xB5dxPaG&sig=a_Pw3fy36al4Mqjy9JSytCKUs_A&hl=en&sa=X&ved=0ahUKEwjZ7pCTnZDLAhXkJXIKHbgAD6oQ6AEIRTAF#v=onepage&q=kritiek%20geestelijke%20oorlogsvoering&f=falsehttps://goedgelovig.wordpress.com/2014/03/20/aan-de-officier-van-justitie/https://goedgelovig.wordpress.com/category/miniserie-bevrijd/
 
 

Aanbidding en lofprijzing: de ‘Sacrifice of Praise’ (14)

Aanbidding is het bewijzen van eer aan God. De basis van aanbidding in de bijbel is erkenning van en onderwerping aan God, uitgedrukt in houding en gedrag (woorden en daden). Hierbij hoorden in bijbelse tijden vaak rituele handelingen, zoals buigen, knielen, zich voorover ter aarde werpen, het hoofd ontbloten of juist bedekken. Lofprijzing is een lovende opmerking maken: prijzen, loven, roemen, eren.
Binnen de moderne charismatische beweging wil men (in navolging van de Latter Rain) de Davidische lofprijzing weer tot leven brengen. Uitgangspunt hierbij is de tempeldienst ingesteld door koning David.

de-wolk-boven-de-tabernakelIn de Latter Rain is het concept van de restauratie van de tabernakel (oorspronkelijk de tent waarin de Israëlieten tijdens hun tocht door de woestijn de Ark des Verbonds bewaarden, illustratie links) door koning David een belangrijk thema in de (diensten van) aanbidding en lofprijzing.
De meest belangrijke gebeurtenis in het leven van David was dat hij de Ark, die al voor de regering van de Joodse koning Saul door de Filistijnen was buitgemaakt (1 Samuel 4), naar Jeruzalem haalt en daar een nieuwe plaats geeft (2 Samuel 6). De Ark (Hebreeuws: aron: kist) was een draagbare kist waarin de twee stenen tafelen met daarop de tien geboden bewaard werden. Het was het allerheiligste voorwerp bij de joden. De Ark speelt een grote rol in de boeken Exodus tot en met 2 Kronieken, maar daarna wordt hij niet meer genoemd. Hoe en wanneer de Ark verdwenen is, is onzeker.

Reconstructie van de Ark van het Verbond, Washington Masonic National Memorial
Reconstructie van de Ark van het Verbond, Washington Masonic National Memorial

David stelde 288 zangers aan die samen met vierduizend musici in 24 groepen van twaalf volgens een rooster dag en nacht dienst deden. Poortwachters moesten toezien dat mensen die kwamen aanbidden, hiervoor geheiligd en gereed waren. De zangers en musici zongen en speelden met hun gezicht naar de Ark en met hun rug naar de mensen.
Aanbidding (Engels: worship) binnen de moderne beweging richt zich op deze oudtestamentische eredienst, de tempeldienst van Israël (hoewel Davids zoon koning Salomo pas de eerste tempel bouwde, omstreeks duizend voor Christus). Daar haalt men onder andere het gegeven van aanbiddingleiders, voorzangers en muziekgroepen vandaan.

‘Sacrifice of Praise’

De ‘Sacrifice of Praise’ (naar aanleiding van Hebr. 13:15: ‘Through him then let us continually offer up a sacrifice of praise to God, that is, the fruit of lips that acknowledge his name.’ ‘Laten we met Jezus’ tussenkomst een dankoffer brengen aan God: het huldebetoon van lippen die zijn naam prijzen, ononderbroken.’) houdt in dat men God wil aanbidden door middel van muziek, dans, het opheffen van de handen en spontane lofprijzing. Dit alles om God te eren. Voorheen lag in evangelische kring de nadruk echter op dankzegging. Dit is veranderd door de worship-golf.

Hillsong
 
Praisemuziek

Praisemuziek wordt ook wel aanbiddings- of lofprijzingsmuziek genoemd, maar is vaak beter bekend onder de Engelse termen ‘worship’ en ‘praise & worship’. Praisemuziek wordt met name gespeeld in evangelische kerken en op christelijke festivals en evenementen. De praiseband heeft als doel om een groep mensen voor te gaan in het aanbidden van God. Zo helpt de band anderen om zich naar God toe te uiten door middel van muziek en om door middel van muziek open te staan voor wat God tot hun hart wil spreken. Praisemuziek wordt ook wel omschreven als ‘liefdesliedjes voor God’. Het aanbidden van God is dan ook het primaire doel van de muziek. De lead-zanger(es) van de band wordt vaak de aanbiddingsleider genoemd.
Vaak wordt er onderscheid gemaakt tussen lofprijs- en aanbiddingsliederen, wat vooral te maken heeft met het karakter van de muziek. Kenmerken van lofprijsliederen zijn: vaak uptempo en feestelijk, of tekstueel een vrij algemene oproep tot aanbidding bevattend (bijvoorbeeld: ‘Laten wij aanbidden!’). Kenmerken van aanbiddingsliederen zijn: vaak wat langzamere muziek, tekstueel meer op God gericht en persoonlijker van aard (bijvoorbeeld: ‘Ik aanbid U.’). Veel praiseliederen bevatten kenmerken van beide; vaak is dan het refrein lofprijzing en het couplet aanbidding of andersom. In veel gevallen begint een zangdienst in de lofprijssfeer en gaat deze halverwege over in een sfeer van aanbidding.
Internationaal gezien maken voornamelijk veel Amerikaanse artiesten praisemuziek. Daarnaast houden sommige kerkgenootschappen en christelijke bewegingen zich bezig met het maken van nieuwe praisemuziek. Voorbeelden hiervan zijn Jesus Culture, Vineyard, Soul Survivor, Hillsong en Hillsong United. Stichting Opwekking geeft ieder jaar een nieuwe bundel liederen met bijbehorende cd uit. Deze opwekkingsliederen zijn meestal vertalingen van Engelstalige praisemuziek.
Een punt van kritiek is dat sommige van de liederen zo zijn ontworpen dat je door het (mee)zingen hiervan in een bepaalde trance (een veranderde staat van bewustzijn) komt door de nadruk op emotionele woorden als ‘kracht’ en ‘liefde’, en het steeds herhalen van bepaalde zinnen aan het einde van het lied. Men leert dat als wij zo aanbidden je ‘Gods liefde diep in je voelt stromen’. Je raakt zo ‘in de aanwezigheid van God’ (een gedachte gefundeerd op de Latter Rain leer), onder meer door je passief mee te laten voeren op de muziek. Het geeft je een heel vredig gevoel. Dit is echter een vorm van contemplatie (zie 10.2.) en heeft niets met het bijbelse begrip aanbidding (door houding en gedrag) te maken.
Voorbeeld van een worship-lied (Hillsong): I surrender. Heel duidelijk is de contemplatieve herhaling toewerkend naar het einde. 

aanbiddingOpheffen van de handen

Het opheffen van de handen komt meestal voort uit het verlangen om gevuld te worden met Gods liefde en kracht; men strekt zich naar dit gevoel uit. Men staat met de  armen opgeheven, ogen dicht, hoofd naar boven gericht. Deze manier van aanbidden is afgeleid van de oosterse manier van bidden. Zo schrijft de apostel Paulus in 1 Timoteüs 2:8 aan de gemeente: ‘Ik wil dat bij iedere samenkomst de mannen met geheven handen bidden, vol toewijding, zonder wrok of onenigheid.’

Volgens cabaretier Tim Hawkins zijn er veel verschillende manieren om je handen in de kerk op te heffen. Zie https://www.youtube.com/watch?v=GuRN2LL3fBs.

Vlaggen

Door het gebruik van vlaggen en banieren wil men, zoals men dat noemt, de Davidische lofprijzing in de kerken tot leven brengen (evenals door muziek, dans en drama). Maar naast het gebruik tijdens lofprijs en aanbidding, is het ‘strijdend vlaggen’ ook een middel tijdens ‘geestelijke oorlogsvoering’. Als er over God gezongen wordt, wordt er liefelijk met de vlag gezwaaid, als er over Satan gezongen wordt is dit boos en heftig. Zoals men zegt: ‘Het gebruik van vlaggen en banieren is een profetische expressie, die de weg baant voor bevrijding, genezing en herstel.’ Gedeelten uit de bijbel die naar het vlaggen zouden verwijzen haalt men uit het Oude Testament.

vlaggen_en_dansenZo zou Jesaja 5:26a naar het vlaggen verwijzen: ‘Daarom heft Hij een banier op voor het volk in de verte (en Hij fluit het tot Zich van het einde der aarde; zie, haastig, ijlings komt het.)’ (NBG 1951)
Hier dient de banier echter niet voor lofprijs of aanbidding, maar in de oorlogsstrijd tot verzamelplaats van verstrooide troepen of soldaten (om zo de aanval te hernieuwen of zich te verdedigen). Het gaat in dit vers om beeldspraak: om de woede van God ten opzichte van het volk van Juda.
Ook worden Exodus 17:15b, Psalm 20:6, Psalm 60:6 en Hooglied 2:4b aangehaald (in Nederland op basis van de vertaling uit de NBG 1951). Opvallend is echter dat we in het Nieuwe Testament helemaal niets tegenkomen wat met ‘vlaggen’ te maken heeft. En pas in het Nieuwe Testament zijn teksten gericht op christenen…

Hooglied 2:4b (NBG 1951): ‘en zijn banier over mij was de liefde.’ Het op deze tekst gebaseerde opwekkingslied is nummer 41: ‘Love is the flag’. Maar is liefde een banier? Natuurlijk niet.
‘Banier’ moet hier uitgelegd of vertaald worden als/met ‘herkenningsteken’. Eigenlijk is nog beter ‘veldteken’, want de banieren die in de bijbel genoemd worden, waren namelijk de veldtekens van de Israëlieten. De veldtekens van Israël, die doorgaans onterecht met ‘vaandels’ of ‘vendels’ zijn vertaald, waren in bijbelse tijden nog geen vlaggen, maar voorwerpen die boven aan een stok bevestigd zaten. Zo hadden de twaalf stammen van Israël veldtekens met hun eigen symbolen, zoals bijvoorbeeld een leeuw voor de stam van Juda. Het veldteken was dus het kenmerk van een stam of legerafdeling, en zo is de liefde het veldteken. Het betreft hier dus beeldspraak en is niet letterlijk te nemen. De Israëlieten dansten beslist niet met hun veldtekens in of rondom de tabernakel, en zeker niet met vlaggetjes.

Maar als de bijbelse banieren geen vlaggen waren, maar veldtekens met afbeeldingen van hout of metaal, waar komt het sacrale gebruik van vlaggen ter ondersteuning van de aanbidding en lofprijs dan vandaan?
Reeds vier- tot vijfduizend jaar geleden begonnen de Chinezen fel gekleurde zijdedoeken aan lange stokken bij processies mee te dragen, en bij bepaalde religieuze gelegenheden zelfs daarmee te dansen. Vanuit China breide zich het sacrale religieuze gebruik van vlaggen en wimpels uit naar zuidelijk en westelijk gelegen landen. Vooral in Tibet en Nepal, maar ook in Laos, Cambodja, Vietnam en Thailand, Korea en zelfs op Sri Lanka wapperen altijd en overal kleurrijke boeddhistische gebedsvlaggetjes aan lange lijnen, op tempels, in speciale gebedsruimtes en op bijzondere plekken in de natuur, zoals in bomen en op bergtoppen.
Maar het gebruik van fel gekleurde vlaggen, wimpels, slingers, doekjes en linten komt men niet alleen in het boeddhisme en het hindoeïsme tegen, want het heeft zich vanuit China uitgebreid naar zuidelijk en westelijk gelegen landen zoals India, Babylon en het Perzische Rijk. Zelfs in Europa werd de sacrale vlaggendans geïntroduceerd door de Griekse en Romeinse veroveraars, die het van de overwonnen oosterse volken hadden overgenomen.
Het gebruik om grote stukken stof aan een vlaggenstok te bevestigen verspreidde zich van China naar het Nabije Oosten uit, want met de zijde kwamen de vlaggen via de karavaanroute naar Arabië. De Arabieren kenden hun dynastieën en individuele leiders kleuren toe, die hun oorsprong vonden in de godsdienst. Daardoor werden vlaggen in verband gebracht met de profeet Mohammed en werd de strijder herinnerd aan het doel waarvoor gevochten werd. Dit religieuze vlaggebruik werd via de kruisridders, die het in het Heilige Land leerden kennen, overgenomen en in aangepaste vorm in Europa geïntroduceerd. Door de kruistochten hadden de meegevoerde vlaggen erkenning gekregen als symbolen van gezag, ideologie en godsdienst. Het sacrale vlaggenzwaaien bloeide op in de middeleeuwen, waarin het tijdens religieuze plechtigheden werd toegepast.
Het is dus eigenlijk niets nieuws onder de zon wat er nu in de charismatische gemeenten gedaan wordt. De oorsprong ervan is echter meer dan dubieus en zeker niet door de bijbel te onderbouwen.

Nog afgezien van het feit dat de bijbelse banieren geen vlaggen van textiel waren, maar diverse voorwerpen van hout of metaal op stokken, en er bovendien geen bijbelse opdracht bestaat om daarmee in de samenkomst te dansen en te zwaaien, hanteren charismatische christenen niet eens de symbolen van de twaalf stammen van Israël, wat op zich toch wel het meest voor de hand zou liggen, omdat zij zich immers beroepen op de teksten waarin deze genoemd worden. In plaats daarvan maken zij voor de lofprijs en aanbidding – evenals de boeddhisten – gebruik van gebedsvlaggen op basis van een kleurensymboliek. Om dat bijbels te onderbouwen beroepen zij zich op de vier kleuren van de Mish’kan (tabernakel): wit was de kleur van de omheining, en de deur van de tabernakel was rood, blauw en paars. Daarom zijn dit ook de vier basiskleuren voor de vlaggen, maar daarnaast zijn er nog heel wat vlaggen in andere kleuren, die allemaal weer een speciale betekenis hebben. De diepere betekenis van deze kleuren noemt men kleurensymboliek. Ook in de New Age beweging hecht men grote waarde aan de kleurensymboliek en het is verbazingwekkend dat zij hierin met de charismatici niet zo veel verschillen.
De gegeven betekenis aan de kleuren: Rood: vergeving, genezing (bevrijding), vrede met God, overwinning. Groen: leven, genezing, hoop, herstel, bevrijding. Wit: reiniging, heiliging, vrede (door overgave), lichaam van Christus. Geel: vreugde, blijdschap, roeping, Gods Woord. Paars: offer van Jezus, macht en autoriteit, overwinning (koningschap). Blauw: geestelijke kracht, de heilige Geest. Goud: Gods aanwezigheid, loutering, zuivering, lofprijzing. Zilver: Gods voorziening, loutering, zuivering, verlossing, onze gaven aan hem. Koper/brons: bekering, verootmoediging, vergeving, reiniging. Regenboog: verbondstrouw.

Samengevat: Voor het gebruik van vlaggen, banieren en wimpels met betrekking tot lofprijs en aanbidding (en geestelijke oorlogsvoering) is geen bijbels fundament aanwezig. De oorsprong van dit ‘vlaggen’ ligt in oosterse religie en niet in de bijbel.

IHOP Kansas City
IHOP Kansas City

IHOP

Veel ‘ministries’ hebben de naam ‘House Of Worship’ (huis van aanbidding) of ‘House of Prayer’ (huis van gebed: bedehuis) aangenomen. Één van de bekendste is IHOP (International House Of Prayer) in Kansas City (Missouri, VS), gestart in mei 1999. Het wordt ook wel IHOPKC genoemd en is bekend om zijn 24/7 aanbiddings- en gebedsbediening.

Gebruikte bronnen: http://nl.wikipedia.org/wiki/Praisemuziekhttp://nl.wikipedia.org/wiki/Aanbiddinghttp://www.toetsalles.nl/htmldoc/opwekkingsliederen.bezwaren.htmhttp://www.toetsalles.nl/htmldoc/aanbidding.htmhttps://nl.wikipedia.org/wiki/Vlaggen_(liturgisch), https://www.debijbel.nl/onderwerpen/s/ark-van-het-verbond/2540,  http://www.succatyeshua.nl/upload/files/023_%20Vlaggen%20en%20banieren%20-%20Degalim%20v’Nisim.pdf
 
 

Vasten en bidden

Vasten is het zich vrijwillig onthouden van voedsel en is een godsdienstig ritueel in de Bijbel. Hoewel de bijbel niet zegt dat christenen moeten vasten, en vasten niet iets is dat God van christenen vereist of verlangt, presenteert de bijbel vasten toch als iets dat goed is en ons voordeel zal opleveren. Vasten en bidden zijn vaak aan elkaar verbonden (Lucas 2:37, 5:33) en het doel is je ogen af te wenden van de zaken van deze wereld en je zo op God te concentreren. Vasten is een manier om aan God en aan jezelf te laten zien dat je je relatie met hem serieus neemt. Vasten kan je helpen om een nieuw perspectief en een hernieuwd vertrouwen op God te bereiken.

Oosters orthodoxe christenen en rooms-katholieke christenen kennen veel vastendagen. Rooms-katholieken hebben hun vastentijd in de veertig dagen voor Pasen. Evenzo de Grieks-katholieken die bovendien nog een veertigdaagse vasten vóór kerst kennen. De Koptische kerk kent een uitgebreide vastentraditie gedurende meer dan 250 dagen per jaar. In het protestantisme is de waarde van vasten sterk afgenomen uit reactie op praktijken in de Rooms-Katholieke Kerk waar men het niet mee eens was. Wel is er een herwaardering gekomen voor het vasten in protestantse kerken en evangelische gemeenten.

In het Oude Testament was vasten iets dat zowel individueel als gemeenschappelijk kon worden uitgevoerd. Een periode van vasten kon dienen als teken of ter bekrachtiging van verschillende dingen:

  • Een teken van rouw. Een voorbeeld is David die vastte na de dood van Saul en Jonatan (2 Samuel 1:12) en na de dood van Abner (2 Samuel 3:35).
  • Boetedoening. Daniël vastte om boete te doen voor de overtredingen van zijn volk (Daniël 9:3).
  • Bekrachtiging van een persoonlijk gebed. In Psalmen 35:13 hoopt de dichter dat, als hij vast, zijn gebed door God verhoord zal worden.
  • Een teken van toewijding aan God. In het vroege jodendom werd vasten steeds meer een uiting van vroomheid, net als gebed en het geven van aalmoezen.

In het Nieuwe Testament wordt vasten gezien als een teken van iemands toewijding aan God; het was een teken van vroomheid.
In het jodendom van de eerste eeuw werd vasten steeds gebruikelijker en werd het gezien als een handeling waarmee men zich toewijdde aan God. De farizeeën waren gewend om maar liefst twee keer per week te vasten (Lucas 18:12). Regelmatig wordt vasten genoemd in combinatie met gebed en het geven van aalmoezen.
Het vasten dat we in de evangeliën tegenkomen, sluit aan bij de toenmalige joodse leefwereld: het werd gezien als een daad van vroomheid. Over de profetes Hanna staat er dat zij ‘God dag en nacht diende met vasten en bidden’ (Lucas 2:37). En Jezus zelf vastte volgens Matteüs 4:2 (en Lucas 4:2) veertig dagen lang in de woestijn.
Een uitzondering is Marcus 2:18-22. Dat is de enige tekst waarin bezwaar gemaakt wordt tegen de praktijk van het vasten. Mensen vragen hier aan Jezus waarom de leerlingen van Johannes en van de farizeeën wél vasten, maar zijn eigen leerlingen niet. Jezus geeft als antwoord een vergelijking: bruiloftsgasten vasten ook niet zolang de bruidegom bij hen is. Pas als de bruidegom bij hen wordt weggehaald, is het hun tijd om te vasten. Jezus bedoelt hiermee dat zijn leerlingen, zolang hij op aarde is, een goede reden hebben om niet te vasten.

Ook de manier waarop men in het vroege christendom tegen vasten aankeek, weerspiegelt grotendeels de joodse praktijk. Zo legt het boek Handelingen vast hoe gelovigen vasten voordat ze belangrijke beslissingen nemen (Handelingen 13:2-3, 14:23). Maar er bestonden in de kerk tijdens de beginperiode nog geen voorschriften rondom vasten. Het werd aan iedere gelovige persoonlijk overgelaten of en wanneer hij wilde vasten. Het kerkelijke gebruik om te vasten op Goede Vrijdag ontstond pas in de tweede eeuw na Christus.

Vasten dient om een diepere gemeenschap met God te ontwikkelen. Er zijn ook andere manieren om te vasten, hoewel in de bijbel vasten bijna altijd betrekking heeft op het onthouden van voedsel . Alles wat je tijdelijk op kunt geven om je beter op God te kunnen scherpstellen, kan als een vorm van vasten worden beschouwd (1 Korintiërs 7:1-5). Men kan dus compleet vasten (zich alles ontzeggen voor een periode), maar ook door bijvoorbeeld geen vlees te eten of zich allerlei luxe artikelen te ontzeggen. Er is geen duidelijk bijbels voorschrift, maar vasten is van waarde en christenen kiezen een vorm die bij hen past.
Vasten zou beperkt moeten worden tot een vastgestelde tijdsperiode, vooral wanneer het gaat om het vasten van voedsel. Lange periodes zonder eten kunnen het lichaam namelijk schade berokkenen. Sommige mensen bevinden zich weliswaar niet in een positie waarin ze van voedsel kunnen vasten (diabetici bijvoorbeeld), maar iedereen is in staat om tijdelijk iets in hun leven op te geven om zich beter op God te kunnen concentreren.

Vasten is geen manier om spiritueler te lijken dan anderen. Vasten hoort met een nederige geest en een vreugdevolle houding te worden gedaan. Matteüs 6:16-18 verkondigt: ‘Wanneer jullie vasten, zet dan niet zo’n somber gezicht als de huichelaars, want zij doen dat om iedereen te laten zien dat ze aan het vasten zijn. Ik verzeker jullie: zij hebben hun loon al ontvangen. Maar als jullie vasten, was dan je gezicht en wrijf je hoofd in met olie, zodat niemand ziet dat je aan het vasten bent, alleen je Vader, die in het verborgene is. En jullie Vader, die in het verborgene ziet, zal je ervoor belonen.’
In de brief aan de Kolossenzen verzet de auteur zich tegen een overdreven vorm van vasten die hij in de gemeente van Kolosse heeft aangetroffen. Hij noemt dit ‘zelfvernedering en verachting van het lichaam’ en is van mening dat het geen enkele waarde heeft (Kolossenzen 2:18-23).

Nergens in de bijbel wordt de indruk gewekt dat God eerder gebeden beantwoordt wanneer ze gepaard gaan met vasten. Het lijkt er eerder op dat het vasten bij het bidden een duiding is van de oprechtheid van de mensen die aan het bidden zijn en de kritieke aard van de situaties waarin ze zich bevinden.

In Nederland organiseert Herman Boon vijf keer per jaar ‘bidden en vasten tiendaagsen‘. Hij leert dat je in het vasten de duivel ‘tegenkomt’ en onderwijst dat het doel van vasten is ‘wandelen in het bovennatuurlijke’: demonen verjagen, tongentaal spreken en zieken genezen (krachtevangelisatie). Boon meent dat een christen eigenlijk verplicht is te vasten en zegt dat God een gelovige de autoriteit (macht, gezag) heeft gegeven om in dit vasten ‘de duivel te verslaan’, met andere woorden: demonen te verjagen. Bovenstaande uitleg maakt duidelijk dat dit totale onzin is. Voor kritiek op Boons stellingen zie hoofdstuk 9.2. ‘Herman Boon’.

Bronnen: https://www.debijbel.nl/onderwerpen/s/vasten/1707, http://www.kutsalkitap.nl/zuilen/11.html, http://www.gotquestions.org/Nederlands/Christelijk-vasten.html, http://www.gotquestions.org/Nederlands/vastentijd.html, http://www.gotquestions.org/Nederlands/vasten-en-bidden.html
 

10.2. Contemplatieve technieken

lectio_divinaDoor de charismatische beweging zijn diverse contemplatieve technieken doorgedrongen in bepaalde christelijke kringen. Contemplatie is een andere term voor beschouwing en is verwant aan meditatie. Letterlijk betekent contemplatie ‘het scheiden van iets uit zijn omgeving’.

Hoewel contemplatie en meditatie aan elkaar verwant zijn, is er een verschil. Bij meditatie wordt vaak een onderwerp of iets of iemand, in het midden van de aandacht geplaatst (objectgerichte meditatie). Bij contemplatie probeert men zich meer ontvankelijk (vatbaar) op te stellen tot het onderwerp. Als onderwerp kan men bijvoorbeeld God, Jezus of een bijbeltekst kiezen.
Contemplatie kan objectgericht zijn – zoals meditatie dat is -, maar het veronderstelt een zekere mate van passiviteit en afhankelijkheid van het onderwerp: één en al aandacht (focus) op. Vaak gaat deze vorm van meditatie in de Rooms-Katholieke Kerk met een vorm van devotie gepaard.
De term ‘beschouwing’ zou een afstandelijke, misschien eerder rationele, benadering kunnen suggereren, maar contemplatie veronderstelt juist dat de afstand tussen datgene/diegene die men beschouwt, overbrugd wordt. Het gaat eerder over een betrokken-zijn, van binnenuit, niet enkel met het verstand of met berekening, maar met alle zones van het mens-zijn, vooral van die waar men noodzakelijk het beheersbare (zeker het beheersende denken) moet leren loslaten. Contemplatie gaat uit van een passieve houding en behoort daarmee tot het domein van de overgave.

Het grootste kenmerk van de contemplatieve beweging is dat men ‘God wil ervaren’ door het toepassen van technieken die niet in de bijbel genoemd worden. De bekendste zijn het contemplatief gebed (bepaalde woorden blijven herhalen), lectio divina (een bepaald woord van een bijbeltekst tot je laten spreken) en soakingprayer (je ontspannen en de heilige Geest ‘uitnodigen’). Het komt ook tot uiting in lofprijs en aanbidding (bijvoorbeeld herhalend zingen).
Het doel is het bereiken van een toestand waarin je God gaat ervaren en genieten van zijn aanwezigheid. Het is een vorm van meditatie die kan leiden tot mystieke ervaringen. De technieken werken verslavend, omdat men er vaak zo’n goed gevoel (vredig, vrolijk) aan overhoudt.

Jezus waarschuwt er tegen om comtemplatief te bidden: ‘Bij het bidden moeten jullie niet eindeloos voortprevelen zoals de heidenen, die denken dat ze door hun overvloed aan woorden verhoord zullen worden. Doe hen niet na! Jullie Vader weet immers wat jullie nodig hebben, nog vóór jullie het hem vragen.’ (Matt. 6:7-8) En uit Jezus’ antwoord in Johannes 14:9 blijkt dat hij niets moet hebben van het door mensen opzoeken en stimuleren van mystieke ervaringen (zie 10.3. ‘Passieve houding’).

Geraadpleegde bronnen: https://nl.wikipedia.org/wiki/Contemplatie, https://nl.wikipedia.org/wiki/Meditatie#Contemplatie, http://www.rejoicenow.nl/page/kritiek-contemplatieve-beweging, http://www.stucom.nl/document/0266.pdf, pagina 5
 

10.3. Passieve houding

Charismatische gelovigen worden aangemoedigd zich naar binnen te keren en zich open te stellen voor allerlei ingevingen. Om dat te bevorderen wordt hen vaak een passieve houding geleerd. Dit komt verdacht dichtbij de ‘ontlediging’ (ontlasten: bevrijd worden van het egocentrisch perspectief waarin je gevangen zit en ‘opstijgen van de ziel naar God’) die in de mystiek wordt beoefend.
In de mystiek is het hoogste doel om door middel van meditatie, trance, extase, dromen en visioenen zichzelf met God te verenigen en te aanschouwen. Uit zijn antwoord in Johannes 14:9 blijkt dat Jezus daar niets van moet hebben! In vers 8 stelt Filippus een vraag aan Jezus die typerend is voor een leerling-mysticus.
Johannes 14:8-11: 8 Daarop zei Fillipus: ‘Laat ons de Vader zien, Heer, meer verlangen we niet.’ 9 Jezus zei: ‘Ik ben nu al zo lang bij jullie, en nog ken je mij niet, Filippus? Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien. Waarom vraag je dan om de Vader te mogen zien? 10 Geloof je niet dat ik in de Vader ben en dat de Vader in mij is? Ik spreek niet namens mezelf als ik tegen jullie spreek, maar de Vader die in mij blijft, doet zijn werk door mij. 11 Geloof me: Ik ben in de Vader en de Vader is in mij. Als je mij niet gelooft, geloof het dan om wat hij doet.’ 
Het gaat er volgens Jezus niet om dat we God op mystieke wijze moeten zien te aanschouwen (vers 8). Het gaat er om dat we God zichtbaar maken in de wereld door Jezus na te volgen (vers 10 en 11). (Bron: http://www.petervantriet.nl/article.php?articleID=228.)

Hieronder volgen twee voorbeelden van het aanleren van een passieve houding in het charismatische onderricht, uit de tekst die de Belgische dr. Patrick Lens* (1963) in 2008 gebruikte voor zijn colleges aan de Vrije Universiteit te Amsterdam over christelijke mystiek en charismatische theologie. Hij gaat eerst in op tongentaal, dan op ‘woord van kennis’:

* Lens is docent fundamentele theologie en systematische theologie. Priester sinds 1988, Dominicaan sinds 2004.

‘…Tongentaal gaat ook niet altijd gepaard met emotie. Het kan wel iets heel diep raken in het psychische niveau of emoties losmaken. Toch zit er een spirituele dimensie onder, niet zozeer in de ervaring zelf, maar wel in de innerlijke houding die dit veronderstelt. Tongentaal is eigenlijk het loskomen van het intellect (evenwel zonder dat dit vermogen uitgeschakeld wordt; dit gebeurt enkel in de “extatische” – een verlies van controle over zichzelf – fase) en het bewerkt een soort zuivering van de geest. Waarom? Tongentaal is bidden met woorden die je niet begrijpt. Het is bidden vanuit de intenties van de heilige Geest, ook al begrijp je die niet. Het is het loslaten van wat je zelf wilt; je bidt immers niet meer voor je eigen intenties. Door de tongentaal te beoefenen breng je als het ware tijdens je gebed de offerande van je wil. Door het onsamenhangende van de lettergrepen uit te drukken, moet je soms wel heel wat menselijk opzicht overwinnen; in die zin maakt tongentaal je ook een behoorlijk stuk nederiger. Tongentaal raakt misschien ook aan andere spirituele tradities, bijvoorbeeld het chanten (ritmisch spreken van woorden of geluiden) in de boeddhistische tradities. Maar waarom ook niet? Maar in de christelijke charismatische vernieuwing staat de lof van God centraal.’

En over ‘woord van kennis’:
’…Hoe ontstaan zulke boodschappen? Hoort de ontvanger iets? Blijkbaar gebeurt het meer via intuïtieve weg. Bedoeling is blijkbaar wel loskomen van het verstand (wat niet hetzelfde is als anti intellectualisme!). We kunnen ook denken aan andere, niet-christelijke tradities, bijvoorbeeld de boeddhistische praktijk van de zen-koan: die heeft tot doel het discursieve (redenerend) intellect te relativeren en te overstijgen, zelfs te breken, en zo dieper tot bewustzijn (of tot leegte van bewustzijn) te komen. Maar in de christelijke spiritualiteit of mystiek is leegte van bewustzijn eerder een middel dan een doel: in de christelijke geloofsvisie gaat het niet om de leegte op zichzelf, maar om een houding die helemaal open staat voor God en werkelijk naar hem heeft leren luisteren.’

‘Wat betreft het verband met de mystiek zouden we hetzelfde kunnen zeggen als wat we hierboven gezegd hebben in verband met de tongentaal: wellicht is er een verschuiving mogelijk, nu eens in de richting van het menselijke, genadevol gedragen door God, dan weer eerder in de richting van God, waardoor zijn spreken ook klaarder wordt of waardoor men in ieder geval intuïtief sterker gewaar wordt dat het spreken werkelijk van God komt. Maar nogmaals: waarom zouden ook hier niet de genade en de natuur perfect op elkaar kunnen inspelen, al naargelang de persoonlijke spirituele groei van degene die het charisma van de profetie beoefent?’
(Bron: http://www.stucom.nl/document/0263.pdf, pagina 4-6)

Het is duidelijk dat in beide voorbeelden uitgelegd wordt dat je moet ‘loskomen van het verstand’: een passieve houding wordt aangemoedigd.

Soaken

Tegenwoordig wordt het ‘soaking-prayer’ veel gestimuleerd in charismatische kring. Het Engelse ‘soaking’ betekent ‘doordrenkt worden’: we mogen ons als een spons laten vollopen met de helende energie van de heilige Geest. Zoals het contemplatieve gebed en het lectio divina gericht zijn op de stilte, zo is dit ook met soaken: ‘in de stilte God ervaren’. Het soaken wordt gepromoot door John en Carol Arnot (Catch The Fire Toronto/Toronto Blessing), maar komt oorspronkelijk uit oosterse religie. Het wordt onder andere door de monniken in het Boeddhisme en het Hindoeïsme beoefend. Ook in New Age kringen is het soaken geaccepteerd.
Volgens het (Catch the Fire) Soaking Prayer Center Den Haag is soaken ‘…een tijd van rusten onder zachte aanbiddingsmuziek. De nadruk ligt op rusten. Het is dus geen tijd van strijd en gebed. Zachte en intieme aanbiddingsmuziek zal je helpen je ziel tot rust te brengen en je dichter bij God te brengen. (…) Het duurt vaak een minuut of vijftien, voordat je je gedachten een beetje tot rust hebt laten komen. Hoe vaker je soakt, hoe sneller je Gods tegenwoordigheid kunt ervaren.’ (Bron: http://www.soakingprayercenter.nl/soaking)

De belangrijkste elementen van soaken zijn: tot rust komen, op God gericht zijn, luisteren, zegenen en ontvangen. Hoewel men toegeeft dat je het woord ‘soaken’ niet terug kunt vinden in de bijbel, meent men dat de aktiviteit van het soaken en de uitwerking daarvan wel hierin is terug te vinden. Voor het soaken worden dan ook diverse bijbelteksten aangedragen om het een Bijbelse legitimatie te geven, zoals Psalm 23:2-3a, 27:14, 37:7, 46:11, 62:6 en 131:2; Jesaja 30:15 en 40:29; Hosea 2:13, Sefanja 3:13b, Matt. 11:28-30, Lucas 11:13b en Efeze 5:18. (Bron: http://www.soakingprayercenter.nl/bijbel.) De aangehaalde teksten betreffen echter niet het onderwerp.

JohannaMDe in Torrance (Californië, VS) wonende Johanna Michaelsen (foto rechts) is een autoriteit op het occulte of esoterische gebied. Ze beweert tot haar bekering in november 1972 occulte gaven te hebben gehad, waarna zij zich tegen ditzelfde occulte gekeerd heeft. Ze is onder andere bekend door haar boek ‘The beautiful sight of Evil’ (1982). Michaelsen waarschuwt voor het soaken op haar Facebookpagina (oktober 2013): ‘De bijbel zegt dat we ons niet moeten inlaten met tovenarij, mystiek, waarzeggerij en dergelijk. “Soaking prayer”, “listening prayer” en andere mystieke oefeningen zijn onderdeel van het “contemplatief gebed” en contemplatieve spiritualiteit, die nergens te vinden zijn in de Schrift. Wat zegt de bijbel over het bijbels gebed? Het is gewoon praten met God met zijn wil in gedachten (1 Johannes 5:14). Een bijbels biddende gelovige begrijpt al dat Gods aanwezigheid altijd bij hem is (Psalm 139:7, Matteüs 28:20, 1 Korintiërs 6:19, 1 Thessalonicenzen 4:8, 2 Timoteüs 1:14).’
 

10.4. Kritiek op de manifestaties ‘in de geest’

Wat is ‘vallen of rusten in de geest’? Iemand legt een ander de handen op (of soms wijst of blaast men, of in het geval van Benny Hinn wappert hij met een jasje), waarna de ander achterover valt. Sommigen blijven daarna een tijd in zwijm op de grond liggen. Bekend zijn ook de ‘lachen’ en ‘dronken in de geest’ ervaringen, en het ‘brullen, blaffen en krijsen in de geest’. Minder komt voor het ‘dansen in de geest’ (een soort van tap- of balletdansen). In al deze gevallen ondergaat de gelovige een ‘veranderd bewustzijn’ en zou God een ‘diep werk’ in de desbetreffende persoon verrichten. Hebben deze manifestaties echter een bijbelse basis en zijn ze daadwerkelijk het gevolg van de werking van de heilige Geest?
 

in de geest
 
De Belgische rooms-katholieke kardinaal èn voorstander van de charismatische vernieuwing Leo Jozef Suenens (1904-1996) was aangesteld om de charismatische vernieuwing binnen de Rooms-Katholieke Kerk internationaal te overzien. Suenens schrijft in zijn boek ‘Rusten in de Geest’ uit 1986 (nog voor de Toronto Blessing, 1994):

Leo Jozef Suenens
Leo Jozef Suenens

‘Het fenomeen waarover het hier gaat is helemaal niet onbekend in het verleden. De Kerk wordt bij herhaling geconfronteerd met lichamelijke uitingen die min of meer vergelijkbaar zijn.’ Suenens haalt voorbeelden aan die teruggaan tot zo’n 1700, daarmee niet zeggende dat daarvoor dit ‘rusten in de geest’ niet is voorgekomen.

Suenens haalt pater Georges A. Maloney s.j. aan, stichter van het Instituut Johannes XXIII voor de studie van de Oosterse spiritualiteit, dat verbonden is met de Universiteit van Fordham in de Verenigde Staten. Maloney schrijft in een studie gewijd aan ‘slain in the Spirit’: ‘Voor veel katholieke charismatici is dit fenomeen, dat bekend is bij de klassieke ‘Pentecostals’ (Pinkstergemeente) onder de naam ‘slaying in the spirit’, nieuw voor onze generatie. In feite gaat het over een fenomeen dat al langer bestaat en dat gemeenschappelijk is in de geschiedenis van groepen die men ‘enthousiast’ noemt, meer bepaald in de vernieuwingsbewegingen van Nieuw-England en van de Oostkust (van de VS) in de zeventiende en negentiende eeuw.’ Suenens vervolgt met een citaat uit het dagboek John Wesleyvan de Brit John Wesley (1703-1791) (illustratie rechts), stichter van de Methodisten. Deze geeft een relaas van een ervaring naar aanleiding van een liturgische viering op 1 januari 1739: ‘Rond drie uur ’s morgens, terwijl wij verder gingen met bidden, is de macht van God op ons neergedaald met zo’n kracht dat velen kreten begonnen uit te stoten, overmand door vreugde, en dat velen op de grond vielen.’ Later deelt Wesley mee in zijn dagboek (4 juni 1772) dat deze manifestaties, die in het begin talrijk voorkwamen, later uitzonderlijk werden, aldus Suenens.

‘Dergelijke fenomenen vindt men ook terug tijdens de eerste vergaderingen van het Leger des Heils (gesticht in 1878); men noemde dat: ‘Having a holy fit’ (‘een heilige bezwijming ondergaan’).’
‘Tijdens de grote religieuze vernieuwingsbeweging op het einde van de negentiende eeuw, waren verschillende sekten – waarvan er één de naam ‘shakers’ (bevers) kreeg – getuige van hetzelfde fenomeen, op ruime schaal en op dramatische wijze, met bewustzijnverlies, stuiptrekkingen, enzovoort.’
‘Dichter bij ons vermeldt de evangelist George Jeffreys, de stichter van de alliantie ‘Elim Foursquare Gospel’ (1915), die ook een belangrijke impuls heeft gegeven aan de Pinkstergemeente tussen 1925 en 1953, het fenomeen en bestudeert hij het. Hij erkent het overdreven karakter van de lichamelijke verschijnselen die samengaan met de grote vernieuwingsbewegingen van 1895 en 1904, maar hij schrijft dit toe aan de weerstand aan de Heilige Geest van sommigen die volgens hem slachtoffer zijn van hun weigering.’
‘Meestal komt het ‘falling phenomenon’ vandaag voor zonder die overdreven ‘trances’ en ‘extases’, maar toch blijft de vraag hangen of het fenomeen behoort tot dezelfde familie.’

De kardinaal vervolgt: ‘Buiten de wereld van het christendom komen lichamelijke uitingen voor die tot op zekere hoogte vergelijkbaar zijn. Zij gaan samen met zekere religieuze ervaringen die inleiden tot een nieuwe zielstoestand, en die gezien worden als een mysterieus contact met het goddelijke; meestal zijn ze aanleiding tot een gevoel van vrede en van ‘overgebracht worden’ naar een andere wereld; ze gaan al of niet samen met een vallen op de grond en met een zekere vorm van onbewustheid.’ Suenens noemt hierna de ervaringen van ‘trance’ en ‘extase’ in het leven van Boedha of van Mohamet (Mohammed, oprichter van de Islam), maar gaat hier niet verder op in.
‘Het is belangrijk ook te weten dat het fenomeen terug te vinden is in oosterse sekten. Mircea Eliade wijdt er een gedegen studie aan in zijn boek over het Shamanisme.’
kuhlmanDe Belgische kardinaal noemt als laatste voorbeeld de Amerikaanse gebedsgenezeres en evangeliste Kathryn Johanna Kuhlman (1907-1976, foto rechts). Haar diensten in Carnegie Hall (Pittsburgh, VS) groeiden uit tot een begrip. Ze had een belangrijke invloed op de Word of Faith evangelist Benny Hinn. In haar genezingsdiensten nam het verschijnsel ‘vallen en rusten in de geest’ een belangrijke plaats in.
‘Het fenomeen bleef niet beperkt tot de middens waarin het ontstond, en waarin het trouwens achteruit gaat. Het fenomeen kende deze laatste jaren een vlugge verspreiding over heel de wereld, deels ten gevolge van de internationalisatie.’

Suenens haalt de waarschuwing aan die David du Plessis, de vertegenwoordiger van de Pinksterkerken tijdens het Tweede Vaticaans Concilie (11 oktober 1962 tot 8 december 1965), deed. ‘Hij vroeg met aandrang dat de katholieken niet zouden trappen in de vergissing van de Pinksterkerken uit het verleden, door het ‘falling phenomenon’ in te voeren dat hen heel wat ontgoochelingen had bezorgd.’

Kardinaal Suenens gaat in op de werking van de Heilige Geest en zet dit af tegen het verschijnsel ‘vallen in de geest’:
‘De werking van de Heilige Geest laat zich kennen door delicate geestelijke aanraking, eerder dan door al of niet spectaculaire fysische manifestaties. Zijn tegenwoordigheid laat zich feilloos kennen waar er toename is van het geloof, van de theologische deugden van het geloof, hoop en liefde tot God en tot de naaste. De noodzakelijke oppervlakkige, want lichamelijke, uitingen mogen nooit belangrijker geacht worden dan dit fundamentele criterium.
Wij weten ook dat de Heilige Geest zich nooit laat vangen door een menselijke voorspelling; hij verschijnt niet op bevel.’
‘De Heilige Geest werkt niet in verwarring, en ook niet aan de lopende band. Hij houdt geen rekening met onze rijen van wachtenden en evenmin met onze vooraf geplande sessies. Hij is bij uitstek degene die niet kan worden voorzien of gemanipuleerd.
Men kan zichzelf geen mystieke genade verschaffen en ze ook niet afdwingen. Een mystieke genade is niet noodzakelijk voor herhaling vatbaar en kan nooit uitgelokt worden.’

Suenens besluit: ‘Alles wat we gezegd hebben over de onvoorspelbare en soevereine werking van de Heilige Geest, sluit de idee uit van een optreden dat dit fenomeen zou voorzien. A priori kan men zeggen: ‘De vinger Gods is niet daar’. Die is immers niet verzoenbaar met alles wat te maken heeft met psychologisch induceren (opwekken), suggestie, enzovoort. Men moet God vrijlaten en dus alles achterwege laten wat, bewust of niet, dit fenomeen loslaat in een groep a fortiori in een massabijeenkomst. Hoe talrijker de deelnemers zijn, hoe groter het risico van collectieve manipulatie, massapsychologie, enzovoort.
lourdesHet lijkt me heel belangrijk alles wat naar dergelijke fenomenen zweemt, niet toe te laten in onze liturgische vieringen. In Lourdes (Zuid-west Frankrijk, foto rechts) is het voorgekomen dat priesters in liturgisch gewaad de één na de ander vielen op het einde van een viering in een kapel. Één van die priesters heeft me zelf ingelicht over de omstandigheden en het verloop. Dat alles zou zorgvuldig vermeden moeten worden.’
 
 (Bron: http://www.stucom.nl/document/0229.pdf, pagina
22-55)
 
 
 

Trance en religieuze ervaringen in de opwekkingen van de achttiende eeuw

(Bronnen: http://www.apologetique.org/nl/artikelen/mens/antropologie/RS_trance_opwekkingen_achttiende.htmhttp://en.wikipedia.org/wiki/Great_Awakening)

Binnen de Pinksterbeweging heeft trance en religieuze ervaring altijd een centrale rol gespeeld. Tegenwoordig is er echter sprake van een ware opleving van lichamelijke religieuze ervaring door bewegingen als de Toronto Blessing en mensen als Benny Hinn. Nu is bekend dat in allerlei historische opwekkingen binnen het christendom zich al dergelijke verschijnselen voordeden. Dit begint al in het boek Handelingen, met de uitstorting van de heilige Geest op de discipelen. En door de gehele kerkgeschiedenis heen kwamen allerlei charismatische bewegingen voor die ook opvielen door allerlei in het oog springende fysieke verschijnselen. Genoemd moet worden de beweging in Phrygië rond de profeet Montanus, in het midden van de tweede eeuw. Nog in de zevende eeuw werden er sporen van dit zogenaamde montanisme waargenomen. Ook tijdens de Reformatie kwamen allerlei bewegingen voor waarin zich fysieke verschijnselen en toestanden van trance voordeden. Vooral in de zogenaamde ‘radicale reformatie’ waar de wederdopers of anabaptisten allerlei visioenen en tranceverschijnselen ondergingen.

Onderstaande tekst richt zich op de opwekkingen in de achttiende eeuw (1700-1800), allereerst omdat daar veel naar verwezen wordt vanuit huidige vernieuwingsbewegingen zoals de Toronto Blessing, maar in de tweede plaats ook omdat die eeuw zich kenmerkte door een sterke groei van allerlei revivalistische bewegingen. Vooral Jonathan Edwards en de methodistische campmeetings worden daarbij genoemd. Ter vergelijking bespreken we ook een Nederlandse revival uit die tijd, de Nijkerker beroerselen, die zich voordeden in de periode 1749-1750.

De ‘Franse Profeten’

In 1681 was de vervolging van de protestanten (Hugenoten) in Frankrijk hevig. Lodewijk XIV gaf opdracht tot de zogenaamde ‘dragonnades’ die van 1683-1686 werden gehouden. De Hugenoten werden vervolgd en gearresteerd, en werden daarbij gedwongen over te gaan tot het katholieke geloof. Maar juist in die vervolgingen ervoer men een sterk geloof: visioenen en profetieën gaven hoop en uitzicht. In de streek ‘de Cévennes’, waar de vervolging het grootst was, kwam tegelijkertijd veel extase en profetie voor onder de protestanten. Kinderen hadden visioenen waar volwassenen aandachtig naar luisterden, als van de Geest. Bij veel profetieën, trancepreken en visioenen waren profetische boeken als Daniël, Joël en Openbaring vaak favoriet. Het was met name de protestante jeugd die trok naar de bijeenkomsten waar visioenen en het zogenaamde ‘tranceprediken’ (in een toestand van trance een boodschap doorgeven) een rol speelden. Ook veel vrouwen werden aangetrokken tot de wonderlijke bijeenkomsten. In de hopeloosheid van de situatie voor de protestante gelovigen namen de bijzondere verschijnselen flink toe. Toen eens een vergadering bedreigd werd door de Franse troepen had de voorgaande profeet een visioen van de engelen die hun zouden beschermen. Daardoor maakte de gemeente geen aanstalten om te vluchten. Vervolgens werden driehonderd mensen van die vergadering doodgeschoten door de Franse troepen.

Uiteindelijk vluchtten de protestanten die zich niet overgaven, en verspreidden zich over geheel Europa. Een deel kwam in Zwitserland terecht, waar bleek dat de ‘gift of inspiration’ de profeten verlaten had; de dramatiek was verdwenen. Maar in Londen vestigde zich een kleine groep ‘Franse Profeten’ die wel het vuur en de inspiratie bewaard hadden. In de samenkomsten in Engeland gebeurden opvallende dingen. Mensen huilden, sprongen en vielen als reactie op de prediking. Er zijn getuigenissen van mensen die in vreemde talen spraken (Latijn en Hebreeuws worden hierbij genoemd). De manifestaties werden steeds extremer. Eén van de profeten, John Lacy, kreeg in 1711 een opdracht van de heilige Geest om van zijn vrouw te scheiden en samen met een andere vrouw, een profetes genaamd Elizabeth Gray, samen te gaan leven. Na wat weerstand vanuit de groep van gelovigen accepteerde men dit uiteindelijk als ‘a special instance of the inscrutability of God’. Zo verwijderde de beweging zich meer en meer van het mainstream protestantisme.

Een ander gedeelte van de vervolgde Hugenoten vluchtte naar Halle, het centrum van het piëtisme (vroomheidsbeweging in de Lutherse Kerk uit de zeventiende en achttiende eeuw) in Duitsland. Anderen vluchtten naar Zweden, Holland en Polen. De beweging van de Franse profeten in deze verstrooiing is nooit geworden tot een grote opwekkingsbeweging. Wel is er een invloed geweest op het piëtistisch denken, op het methodistisch denken van Wesley, en zijn er uiteindelijk lijnen te trekken naar de religieuze groep de Shakers, waar zich ook allerlei manifestaties voordeden.

Britse opwekkingen

John Wesley
John Wesley

In Engeland kwamen de Franse profeten in aanraking met de Anglicaanse theoloog John Wesley (1703-1791), stichter van de Methodisten. Bij Wesley ontstond de visie dat dergelijke fysieke manifestaties een gedeelte van het proces van de wedergeboorte waren.
John Cennick (1718-1755), een twintigjarige volgeling van Wesley, preekte gedurende 1739-1740 in Kingswood (bij Bristol, Zuid-west Engeland) voor een gehoor van hoofdzakelijk mijnwerkers. Mensen schreeuwden het uit en vielen op de grond. Cennick schreef veel van de manifestaties toe aan de duivel.
Tijdens de Schotse Opwekking van 1742-1743 veranderde de visie op dat de manifestaties gerelateerd moesten worden aan de wedergeboorte. Eén van de leiders in Schotland schreef de ervaringen toe aan een ontspanning van de geest, door het werk van de Geest, MCullochwaarop wel een reactie van het lichaam moest volgen.
Onder leiding van de Schotse predikant te Cambuslang, William M’Culloch (1691-1771), brak op 18 februari 1742, na drie dagen van gebed en vasten, een opwekking uit. M’Culloch volgde Whitefield (zie verder), maar waar bij Whitefield de uitingen van de mensen zich veelal beperkten tot huilen en hevige emotie, begonnen tijdens de bijeenkomsten van M’Culloch allerlei lichamelijke manifestaties plaats te vinden. Mensen ervoeren allerlei pijnen in hun lichaam en vielen op de grond. In 1743 was de Schotse opwekking al weer over haar hoogtepunt heen. M’Culloch bleef nog tientallen jaren predikant te Cambuslang, maar na 1743 hebben zich daar nooit meer manifestaties voorgedaan.

Theologisch bleef John Wesley worstelen met zijn benadering van de buitengewone verschijnselen. Aan de ene kant zag hij het gevaar dat de manifestaties te veel benadrukt werden; aan de andere kant was er ook het gevaar om de manifestaties geheel geen plaats te geven. In 1758 was er in Everton (Engeland) door de prediking van Wesley een opwekking die in totaal drie jaar duurde. Het bijzondere van deze opwekking was dat de buitengewone verschijnselen zich voordeden tijdens de gewone liturgische kerkdiensten (dit zien we overigens ook in Nijkerk, zie verder). Toen de opwekking in Everton voorbij was ontstond er bij de gelovigen ter plaatse grote twijfel: was het echt wel het werk van God geweest?

Nijkerker Beroerselen

In 1749 werd de 26-jarige Gerardus Kuypers (1722-1798) als predikant van de Gereformeerde Kerk beroepen te Nijkerk, op de Nederlanse Veluwe. Tijdens een preek in een gewone zondagmorgendienst, 16 November 1749, werd de gehele gemeente aangeraakt. ‘Tranenbeken’ werden gestort en mensen snikten het uit. ‘Ja, omtrent of onder het geeven van den zeegen sommige, zeer bevreest zijnde en bevende, vielen neerder voor de voeten, kunnende niet staan van weegen de beroering, die de levende indrukken hunner zielsnooden in hunne lichaam werkte’ (uit een brief van Kuypers). Er begon daarna een tijd van vele beroeringen, welke zijn hoogtepunt bereikte in mei 1750. Sommigen moesten grote angsten doorstaan:  men verstijfde en was niet meer in staat zich te bewegen, of men viel flauw. Vanuit Nijkerk verspreidde de beweging zich naar andere plaatsen als Hoogeveen of Aalten. Vanuit de Nijkerker beroerselen zijn er lijnen te trekken naar de Schotse Opwekking: Kuypers weigerde namelijk al deze aandoeningen als directe werkingen van de Geest te zien. Ze waren volgens hem meer een gevolg van de werkingen van de Geest, een reactie van het lichaam op dit werk.

Jojada Verrips
Jojada Verrips

In 1980 legde de Nederlandse cultureel antropoloog Jojada Verrips (1942) een link tussen de verschijnselen en moederkorenvergiftiging. Moederkoren was een zwam dat voorkwam in allerlei granen, maar vooral in rogge. De bijverschijnselen van dit gif zijn hallucinaties en visioenen; het heeft dezelfde werking als L.S.D.. In die tijd hadden de armen geen geld om tarwebrood te eten en aten zij hoofdzakelijk roggebrood. Dit verklaart dan, volgens Verrips, dat de mensen die de verschijnselen ondergingen, vooral uit arme en sociaal mindere milieus kwamen. De cultuur van de achttiende eeuw was dermate doortrokken van religie dat het zeer voorstelbaar is dat men massale hallucinaties toeschreef aan goddelijke krachten. Toch is het een te specifieke verklaring. Immers, hoe verklaar je dan soortgelijke verschijnselen in andere culturen waar geen roggebrood werd gegeten? En hoe verklaar je dat men nu tegenwoordig, bij een evenwichtige voeding, dergelijke verschijnselen ondergaat?

The First en Second Great Awakening

De term Great Awakening (Groot Ontwaken) verwijst naar een aantal periodes van religieuze opleving in de Amerikaanse geschiedenis tussen het begin van de achttiende eeuw en de late negentiende eeuw. The First Great Awakening begon na 1730 in New England en in Boston, en duurde tot ongeveer 1743. Predikanten uit verschillende evangelische protestantse kerkgenootschappen ondersteunden de opwekking.  De grote whitefieldleiders waren de Engelse Anglicaanse voorganger George Whitefield (1714-1770) (illustratie links) en vooral de Amerikaanse puriteinse (streng en vroom) voorganger en theoloog Jonathan Edwards (1703-1758) (illustratie rechts). In het midden van de koloniën beïnvloedde hij niet alleen de Britse kerken, maar ook de Nederlandse en Duitse. Overigens was er een aantal decennia eerder al een opwekking begonnen onder de Hollandse immigranten, in de Dutch Reformed Church.
jonathan-edwardsEdwards ging genuanceerd om met buitengewone verschijnselen en hij wees op de gevaren van het onkritisch accepteren ervan. Over het algemeen wordt hij beschouwd als degene die de grootste invloed in de First Great Awakening heeft gehad. De leiders van deze opwekking zochten een sterke emotionele reactie van hun publiek, welke het ervaringsgerichte bewijs zou zijn van de werking van de (heilige) Geest.

The Second Great Awakening begon in de late achttiende eeuw en duurde tot ongeveer 1850. Gedurende  de periode 1800-1850 groeide de bevolking van de Verenigde Staten van vijf miljoen naar dertig miljoen en bewoog de grens van bewoning steeds meer verder westwaarts. Revivals (opwekkingen) werden de belangrijkste manier van kerstening (bekeren) van de groeiende bevolking. Hoewel het zich in alle delen van de Verenigde Staten voordeed, was The Second Great Awakening vooral sterk in het noordoosten en midwesten, vooral in de regio in het westen van New York. De opleving was uniek, omdat het een stap verder ging dan de opgeleide elite van New England. Men concentreerde zich meer op degenen die minder rijk en opgeleid waren. Centraal in de prediking waren de hel en verdoemenis.

Campmeetings

De opwekking die rondom 1800 plaatsvond in het zuiden en westen van Amerika wordt de ‘Great Revival’ genoemd. Deze kenmerkte zich door een massale uitbreking van buitengewone verschijnselen.

mcgready
James McGready

Centrale figuur in de ‘Great Revival’  was James McGready (1760), een presbyteriaanse voorganger. Hij had een visie voor opwekking in deze streek, daarom drong hij bij mensen erop aan een verdrag te ondertekenen waarbij men zich verplichtte op speciale tijden, wekelijks, gedurende een jaar te bidden voor de uitstorting van de heilige Geest. Een aantal andere presbyteriaanse voorgangers die later een rol van betekenis gingen spelen, werden aangetrokken door de benadering van McGready, zoals de gebroeders John (die later methodist werden), William McGee, Barton W. Stone en William Hodge. In hun prediking schetsten zij een levendige voorstelling van de hel. De opwekking begon in 1797, werd meer algemeen in 1798, en had haar doorbraak in 1799.

In juni 1800 was er in Red River (New Mexico, VS), de plaats waar McGready voorganger was, een bijeenkomst waar diverse presbyteriaanse voorgangers bij elkaar waren. Toen bijna alle voorgangers daar weg waren gebeurde er onder de prediking van McGee iets opmerkelijks: ‘Suddenly a woman who had long been seeking self-assurance of her salvation began shouting and singing.’ Na afloop van deze bijeenkomst was er een grote stilte, waarbij McGee huilend op de grond zat. Toen stond hij op en moedigde het publiek aan om God in hun hart toe te laten. Vanaf dat moment begonnen de mensen te schreeuwen en te huilen. Overal vielen mensen op de grond. Toen later de overige leiders terugkwamen en zagen wat er aan de hand was, concludeerden zij unaniem dat dit het werk van God was. Vanaf dit moment werden overal campmeetings georganiseerd om het werk van de geest van God vrije doorgang te laten vinden.

Barton Stone
Barton Stone

Een maand later, juli 1800, was er in Gasper River, Tennessee, een bijeenkomst waar velen vielen en niet in staat waren op te staan, totdat zij verzekerd waren van hun wedergeboorte. Ooggetuige en leider Barton W. Stone (1772-1844) beschrijft het gebeuren levendig: ‘The scene to me was new and passing strange. It baffled description. Many, very many, fell down, as men slain in battle, and continued for hours together in apparently breathless and motionless state -sometimes for a few moments reviving, and exhibiting symptons of life by a deep groan, or piercing shriek, or by a prayer for mercy most fervently uttered. After lying thus for hours, they obtained deliverance.’ De opwekkingsbewegingen verspreidden zich afzonderlijk onder de verschillende denominaties: baptisten, presbyterianen en methodisten. De campmeetings zelf echter waren vaak inter-denominationele happenings.

In de herfst van 1801 was Stone de centrale leider van een in Cane Ridge (Kentucky) gehouden opwekking. Deze campmeeting wordt algemeen beschouwd als het hoogtepunt van de toenmalige Revival. Geschat wordt dat hier zo’n 25.000 mensen aanwezig waren. Tijdens de bijeenkomsten werden velen aangeraakt. In een bijeenkomst geldt dat ‘in less than twenty minutes scores had fallen to the ground. Paleness, trembling, and anxiety appeared in all; some attempted to fly from the scene panic-stricken, but they either fell or returned immediately to the crowd, as unable to get away.’ Tijdens deze campmeetings verdween de scheiding tussen zwart en blank. Ook kinderen kregen allerlei manifestaties en uitten zich door middel van ‘trance preaching’Op één moment vielen zelfs meer dan vijfhonderd mensen op de grond. De mensen die werden ‘aangeraakt’ bevonden zich door alle lagen van de bevolking heen: sterk en zwak, mannen en vrouwen, kinderen en volwassenen, onwetenden en geschoolden, leiders en leden; allen werden aangedaan door wat er gebeurde. Opmerkelijk was de grote rol die jonge mensen en kinderen speelden.
‘The most frequent forms (van verschijnselen) were falling to the ground, jerking, barking, and dancing.’ ’Imagine a group of persons gathered together for worship and someone in the midst of the spirited singing or earnest exhortation suddenly uttering a piercing shriek and falling to the floor. Immediately others in all parts of the room would follow the example set, and many would lie prostrate.’
De gebeurtenissen op de Cane Ridge campmeeting waren besmettelijk. Het was bijna onmogelijk om niet aangedaan te worden. Intelligente mensen die vol scepsis naar het veld gingen, eindigden gevallen op de grond. Voordat de mensen vielen uitten ze vaak een scherpe gil, sommigen bewogen hun handen en voeten zeer snel op en neer. Daarna lag men op de grond, gewoonlijk met een langzamere polsslag. Na een schreeuw stond men op en gaf ‘de glorie aan God’. Sommigen spraken terwijl ze lagen, anderen zagen visioenen tijdens deze tijd. De periode dat men op de grond lag kon variëren tussen de vijftien minuten en 24 uur. Al die tijd waren deze mensen zich bewust van hun omgeving, maar waren ze vaak niet in staat zich te bewegen.
Andere manifestaties waren een schudden van het hoofd, razendsnel op en neer springen, en heen en weer rennen. Ook maakten mensen brul- en blafgeluiden. Anderen gingen dansen en over de grond rollen. Degenen die aangedaan werden door deze ervaringen, ervoeren vaak trance en visioenen. Stone vat het aantal ‘exercises’ tot zes samen: het vallen, het rollen, de zogenaamde ‘jerks’ (zenuwtrekkingen en oncontroleerbare bewegingen), blaffen, dansen en lachen.

In feite kwamen manifestaties in het westen van Amerika al de gehele eeuw voor, met name bij de methodisten, maar het bijzondere aan de gehele opwekking van 1797-1805 was de frequentie van die manifestaties.
De bijzondere verschijnselen werden beschouwd als het werk van God. Feitelijk begon men pas met het zoeken naar legitimatie toen de manifestaties al eenmaal waren begonnen. Veelvuldig werden teksten uit de bijbel geciteerd om te rechtvaardigen dat neervallen, beven en dansen bijbelse activiteiten waren. Maar er was ook een sterke oppositie tegen de manifestaties. Vooral de conservatieve presbyteriaanse leiding wees de manifestaties af en noemde het hypocrisie, van de duivel of hekserij.

De Amerikaanse Catharine Caroline Cleveland wees in haar dissertatie (wetenschappelijke verhandeling ter verkrijging van de graad van doctor) op de verklaring van hypnotische suggestie. Zij schreef haar dissertatie in 1916, toen de psychologie nog in de kinderschoenen stond; desalniettemin zijn haar opmerkingen waardevol: ‘Those who attended the Great Revival meetings expected to experience certain feelings and to see certain results. This led to expectant attention with the usual result which follows the possession of the mind by a dominant idea.’  Dit verwachtingspatroon is belangrijk. Mensen kwamen niet geheel onvoorbereid op de bijeenkomsten af: ‘Those who came knew what to expect (many had been to campmeetings before) and if they responded with unusual enthusiasm this could be explained by their lack of regular access to worship services and by the duration of the event.’

boles
John B. Boles

De Amerikaanse hoogleraar in geschiedenis John B. Boles (1943) wees in 1972 ook nog op een algemeen religieus godsbesef wat aanwezig was bij de mensen in de regio, zelfs de niet-religieuzen. Mensen hadden een idee van een God die overal de hand in had, die controle had over alles wat gebeurde (terwijl anderszins velen niet actief met het christelijk geloof bezig waren). De opwekkingspredikers haakten hier op in door de gruwelijkheden van de hel tot in details te beschrijven. Die preken liepen altijd uit op een roep tot bekering. De mensen waren dan al zo meegesleept in het betoog, dat zij zich hierbij volledig overgaven aan God, waardoor die bekering gepaard ging met allerlei uitwendige verschijnselen. Toch wijst Cleveland erop dat de manifestaties vaak onvrijwillig werden ondergaan: ‘There is no doubt that the exercises were in many cases involuntarily’, alhoewel er ook anderen waren die de manifestaties vrijwillig ondergingen: ‘still others entered upon them voluntarily, impelled by the desire to attract attention and by various other motives.’ Dat mensen de manifestaties niet altijd vrijwillig ondergingen wordt ondersteund door de vele verhalen van tegenstanders van de opwekking en de sceptici, die toch neervielen.
Nog een organisatorisch punt wat Boles noemt, en wat zeker een factor is voor de totale sfeer, was de tijdsduur van de bijeenkomsten. Deze gingen gedurende de campmeetings vaak dag en nacht door. Daardoor kregen velen hun nachtrust niet en raakte men hierdoor emotioneel meer ontvankelijk.

De campmeetings waren geen spontane gebeurtenissen. In later tijd verscheen een ‘Campmeeting Manual’, geschreven door een methodistische dominee die allerlei praktische tips en leidraden voor een meeting gaf. Voordat een meeting begon werd er eerst een publiciteitscampagne gehouden. Daarna werden de meetings goed en gestructureerd opgezet. Zo was Whitefield een uitmuntend organisator. Hij had een groep assistenten rondom zich en een weldoordachte strategie hoe de opwekking te brengen. Er werd veel geld en moeite in de campagnes gestopt, zodat de bijeenkomsten uiteindelijk massa’s mensen trokken.

Conclusies

Als we naar de boven beschreven verschijnselen kijken, doemt de vraag op naar de aard van deze ervaringen. Kunnen we spreken van trance (een veranderde staat van bewustzijn) en dissociatie (toestand dat je geen aandacht voor je omgeving hebt) of moeten we de manifestaties wellicht benaderen met psychologische termen als massahysterie? Het vermogen tot trance en ‘spirit possession’(de veranderde bewustzijnstoestand die de gelovige ondergaat, als gevolg van invloeden van de bovennatuurlijke wereld, het goddelijke of het demonische, en welke zich fysiek uit) is een deel van het menselijk genetisch materiaal. Tijdens de opwekkingen wordt dit deel gestimuleerd, en kan een plaats krijgen door de religieuze bijeenkomsten. Dit heeft implicaties voor de theologische benadering. Als trance een menselijk vermogen is, dan hoeft zij niet per definitie van de Geest of van de duivel te komen. Een gezichtspunt van trance als menselijk vermogen kan wellicht oplossing bieden aan de fervente voor- en tegenstanders, en de daartussen gehouden scherpe veroordelende discussie. Als we trance accepteren hoeven de theologische antwoorden niet zozeer gezocht te worden in het bovennatuurlijke, als wel in een emotioneel vermogen van de godsdienstige mens.

Tenslotte moet nog het belangrijke punt van het verwachtingspatroon worden genoemd. Mensen ondergingen de manifestaties omdat zij er naar uitzagen, er naar verlangden. Veelal waren ze voorbereid door verhalen van opwekkingen elders en dat maakt dat men, wanneer de verschijnselen zich voordoen, zich er eerder aan overgeeft. Door het verwachtingspatroon wisten mensen hoe ze moesten reageren op de verschijnselen. Het was het teken dat God aanwezig was en dat men mocht reageren op die aanwezigheid van God.

Naar Toronto

Als we tot slot een korte vergelijking trekken tussen hedendaagse vernieuwingsbewegingen als de Toronto Blessing en personen als Benny Hinn enerzijds, en de opwekkingsbewegingen in de achttiende eeuw anderzijds, dan vallen een aantal overeenkomsten en verschillen op.

Allereerst speelt tegenwoordig persoonlijke bekering een ondergeschikte rol. De manifestaties worden beschouwd als het werk van de Geest in de gelovigen, of als emotionele en lichamelijke reacties op dit werk. In de achttiende eeuw was men veeleer geneigd om de manifestaties te zien als werk van de wedergeboorte. (Een uitzondering hierop zijn de Franse Profeten, waar men ook een plaats gaf aan charismata: de Geestesgaven die de mens verkregen heeft en die zich uit door ‘spirit possession’.)
Toch lijkt het erop dat tijdens de campmeetings de manifestaties veelvuldig voorkomen, zodat mensen ze meermalen ondergingen. Alhoewel de verklaringen van deze manifestaties gekoppeld werden aan de wedergeboorte, kan toch gesteld worden dat zij verder voerden. In ieder geval kan een mens maar één keer wedergeboren worden. Maar ook kwamen daar allerlei tranceverschijnselen voor die gepaard gingen met visioenen en het doorgeven van boodschappen.
De Toronto beweging vertoont derhalve sterke overeenkomsten met de campmeetings, niet in het minst vanwege haar democratische gehalte. Tijdens de campmeetings was er niet één centrale bemiddelaar, zoals later Edwards of Wesley, maar konden gewone gelovigen de heil en de kracht van de Geest doorgeven. In groepjes kwam men bij elkaar om die Geest te ervaren en de manifestaties te ondergaan, alhoewel er ook massale bijeenkomsten waren. Maar ook op die massale bijeenkomsten waren er allerlei lokale groepjes. Men kon immers niet één spreker voor tienduizenden mensen laten spreken, zonder versterking.

Een ander punt van verschil is de impact van de beweging op de cultuur (gewoonten en gebruiken). De opwekkingen in de achttiende eeuw hadden een enorme invloed hierop: kerkgang nam toe, mensen wijzigden hun levensstijl. In huidige vernieuwingsbewegingen zien we nauwelijks een verandering in de cultuur, alhoewel vele miljoenen mensen zich betrokken voelen bij de beweging. Dit heeft te maken met de ondergeschikte positie die religie inneemt in de huidige cultuur, maar ook de neiging om religie te beperken tot de persoonlijke levenssferen.

De bewegingen van de achttiende eeuw komen met de Toronto Blessing overeen als we kijken naar de centrale plaats die de verschijnselen innemen. Ook hier lijken de campmeetings weer sterk op de huidige vernieuwingsbeweging. Bezoekers waren bij de campmeetings niet in staat weerstand te bieden aan de manifestaties en vielen op de grond, of kregen hevige huilbuien. Ook nu ondergaan bezoekers van vernieuwingsbijeenkomsten gemakkelijk de manifestaties. Beide bewegingen sluiten aan op een algemene menselijke hang naar ervaring. Hierbij komt nog dat in onze huidige cultuur religieuze ervaring weggerationaliseerd is. Bewegingen zoals de Toronto Blessing en de campmeetings die ervaring weer willen terugbrengen, kunnen dan ook beschouwd worden als protestbewegingen tegen de rationele geloofsbeleving van veel christenen of tegen het starre dogmatisme.
 

Bijbelse onderbouwing van de manifestaties ‘in de geest’?

Boekrecensie Ouweneel

boek geestIn zijn boek ‘Vallen in de Geest’ bespreekt de Nederlandse charismatische theoloog WiIlem J. Ouweneel (zie hoofdstuk 9.2.) het verschijnsel. Uit de boekrecensie in ‘Oogst’, april 2009, door Pieter Siebesma:

‘Volgens Ouweneel zijn degenen die hier moeite mee hebben gelovigen die moeite hebben met charismatische uitingen in het algemeen. Of in zijn eigen woorden: ‘Deze broeders en zusters zijn mensen die alles geloven wat in de Bijbel staat, maar terugschrikken als puur Bijbelse fenomenen ook in hun eigen omgeving opduiken. Het zou gemakkelijker zijn, als ze wel eens in extase voor God waren geweest (…) als ze wel eens in tongen gesproken of geprofeteerd hadden, als ze wel eens zieken de handen opgelegd hadden (…) of als ze wel eens een demon hadden uitgeworpen’ (blz. 89).’

Niet hetzelfde
‘Nu zit hier mijn voornaamste punt van kritiek op dit boek. Hoe men ook over het spreken in tongen, profeteren, bidden voor genezing of bevrijding mag denken, niemand zal ontkennen dat het in de Bijbel staat. Gelovigen die dit doen, mogen zich hiervoor terecht op de Bijbel baseren. En zij die hiertegen bezwaar maken, dienen aan te tonen dat wat op dit vlak vandaag gebeurt niet hetzelfde is als ten tijde van de Bijbel. Maar hoe duidelijk spreekt de Bijbel over het vallen in de Geest? W.J. Ouweneel noemt zeven teksten uit het Oude Testament als bewijs hiervoor (Gen. 17:1-3; Lev. 9:24; Joz. 5:13-14; Richt. 13:17-20; 1 Sam. 28:20; 2 Kron. 5:13-14; 1 Kon. 18:38-39), en nog eens zeven andere tekstverwijzingen die speciaal gaan over profeten van God: Bileam (!) in Numeri 22:31 en 24:4, Ezechiël in Ezechiël 1:28, 3:22-23 en 43:2-3, en Daniël in Daniël 8:15-18 en 10:4-11.’

Inlegkunde
‘In nagenoeg alle eerste zeven teksten gaat het niet over het vallen in de Geest, maar over de oud-oosterse manier van eer bewijzen, namelijk door je naar voren op de grond te laten vallen. Bijvoorbeeld in Jozua 5:13-14 staat een man tegenover Jozua met een uitgetrokken zwaard in zijn hand. Wanneer Jozua vraagt wie hij is, en hij zich bekend maakt als de Vorst van het leger des HEREN, valt Jozua op zijn gezicht ter aarde en buigt zich neer. Zoals men aan een koning hulde bewijst, zo bewijst Jozua eer aan deze engel. Dat dit slaat op het vallen in de Geest, is mijns inziens een vorm van inlegkunde*. De enige uitzondering daarop is 2 Kronieken 5:13-14, waarin wordt beschreven dat de priesters niet konden staan vanwege de heerlijkheid des HEREN. Maar zelfs deze tekst kan anders geïnterpreteerd worden. Bij de voorbeelden genoemd in Daniël en Ezra valt op dat deze profeten op hun gezicht vallen, wanneer ze God zien.’

* Inlegkunde of eisege: het interpreteren van een tekst door het projecteren van eigen vooronderstellingen. Dit in tegenstelling tot exegese (uitlegkunde) die met objectieve criteria wil verklaren wat een tekst wil zeggen. Door uit te gaan van eigen ideeën en niet van de intenties van de auteur is er een grote kans op misinterpretatie van de tekst.

Kritische vragen
‘Ook in het Nieuwe Testament vindt Ouweneel zeven voorbeelden van het vallen in de Geest (Matt. 17:1-6; Matt. 18:3-6; Matt. 28:2-4; Joh. 9:3-4; Hand. 16:25-29 en Openb. 4:10; 5:8 en 5:14). Het ontbreekt aan ruimte om deze teksten uitvoerig te bespreken. Ook een aantal van deze teksten spreken over het zich naar voren werpen of laten vallen om eer te bewijzen. De lezer oordele zelf. Ouweneel geeft zelf ook toe dat veel van deze teksten anders vertaald kunnen worden en ook worden vertaald.’

‘Opmerkelijk is dat nagenoeg altijd wordt gesproken van het naar voren (laten) vallen, terwijl bij het vallen in de Geest mensen meestal naar achteren vallen. In het Nieuwe Testament vinden we een aantal voorbeelden dat de Heilige Geest op mensen valt (zie bijv. Hand. 1:8; 8:16; 10:16; 11:15), maar niet dat de mensen als gevolg daarvan ook letterlijk vallen.’

‘Kortom, het Bijbelse bewijs vind ik nogal mager. De vraag is natuurlijk wel of het vallen in de Geest daarom altijd verkeerd is. Immers, als de Bijbel er niet over spreekt, hoeft het daarom per definitie niet fout te zijn, zoals ook Ouweneel zelf aangeeft. Maar dat geeft ons wel het recht kritische vragen te stellen bij dit verschijnsel.’

Bron: http://www.vergadering.nu/boekouweneel-vallen-in-de-geest.htm
 

‘Lachen in de geest’

Het ‘lachen in de geest’ (‘heilig lachen’ of ‘holy laughter’) komt er op neer dat u zo vol bent van de ‘Heilige Geest’ dat u een enorme lachkick krijgt. Het gaat soms zo ver dat men er ‘dronken van wordt in de geest’. Men zou dan zo vol van Gods glorie zijn, dat men niet meer op de benen kan blijven staan en als een dronken persoon rondloopt. Nergens in de bijbel zien we echter dat er ook maar iemand is die zo onbedaarlijk uitbarst in lachen dat hij of zij niet meer normaal kan functioneren.

download (13)

lachen in de geest
 
 
 
 
 
 
 
 
 
‘Dronken in de geest’

In de bijbel wordt in diverse teksten gewaarschuwd voor dronkenschap.
‘Toen zei de HEER tegen Aaron: “Jij en je zonen mogen geen wijn of andere drank drinken voor je naar de ontmoetingstent komt, anders sterven jullie. Deze bepaling blijft voor jullie en je nakomelingen voor altijd van kracht. Jullie moeten onderscheid kunnen maken tussen wat heilig is en wat niet, tussen wat rein is en onrein, en de Israëlieten uitleg geven over alle bepalingen die de HEER bij monde van Mozes aan hen bekendgemaakt heeft.”‘ (Leviticus 10:9-10)
Dit was bedoeld voor de priesters, maar we mogen hieruit opmaken dat je onder invloed van drank geen scheiding kunt maken tussen heilig en onheilig, tussen onrein en rein.
‘Van wijn word je een spotter, van drank een braller, wie zich bedrinkt, verliest zijn verstand.’ (Spreuken 20:1)
‘Laat je niet verleiden door de glans van wijn, wanneer hij fonkelt in de beker. Hij glijdt zo makkelijk over de tong, maar later bijt hij als een slang, spuit hij gif als een adder. Dan zie je vreemde dingen en begin je wartaal uit te slaan.’ (Spreuken 23:31-33)
‘Bedrink u niet, want dat leidt tot uitspattingen, maar laat de Geest u vervullen…’ (Efeziërs 5:18)
Als in de bijbel gewaarschuwd wordt voor dronkenschap, zal God dan als uiting van de heilige Geest zijn kinderen dronken gedrag laten vertonen?

Als tegenwerping haalt de Toronto beweging twee bijbelteksten aan, namelijk Efeziërs 5:18 (hierboven al weergegeven) en Handelingen 2:13-15: ‘Maar sommigen zeiden spottend: “Ze zullen wel dronken zijn.” Daarop trad Petrus naar voren, (…) en sprak de menigte toe: “(…) Deze mensen zijn niet dronken, zoals u denkt; (…).” De beweging stelt hiermee dat de heilige Geest wel degelijk de oorzaak kan zijn van de ‘dronken in de geest’ manifestaties.
Efeziërs 5:18 is (evenals de verzen 16-17) een uitbreiding van vers 15: ‘Let dus goed op welke weg u bewandelt, gedraag u niet als dwazen maar als verstandige mensen.’ Drank maakt meer kapot dan je lief is. Je kunt je beter door de Geest laten vervullen en samenkomen om te zingen tot Gods eer (vers 19). Heeft niets met een zogenaamde ‘dronken manifestatie’ te maken. (Geraadpleegde bron: http://bijbel.eo.nl/bijbel/efeziers/5)
In Handelingen 2 heeft de spottende opmerking betrekking op het in vreemde talen spreken van de discipelen op Pinksteren. De discipelen liepen echter niet waggelend rond, zoals wel het geval is tijdens het ‘dronken in de geest’ zijn.

‘Vallen – en rusten – in de geest’

Veel aanhangers van het ‘vallen (en rusten) in de geest’ zeggen dat de geest van God de mensen neerslaat. Dit staat echter nergens in de bijbel. Wanneer mensen zich op hun aangezicht hebben geworpen, moeten ze meteen weer opstaan en krijgen daarvoor ook de kracht, en indien nodig zelfs bij herhaling.
In de bijbel vallen mensen nooit door de tussenkomst van een ander mens. Er is niet iemand die met deze mensen bidt, de handen oplegt of zelfs maar naar ze wijst. Ze ‘vallen’ (buigen in aanbidding voorover neer; dit was een manier van eer betuigen) als ze een ontmoeting met God (of een engel) hebben en nooit komt er iemand anders aan te pas. Geen mensen die in rijen aanschuiven om te willen vallen. Er waren geen herhalende refreinen die de mensen voorbereidden op mystieke ervaringen. Er was geen schreeuwen van ‘Vuur!’ en ‘Meer, Heer!’ of dit soort dingen.
Tijdens het ‘vallen in de geest’ vallen de mensen (bijna) altijd achterover. In de bijbel staat wel dat men achterover viel, maar dat was dan door een oordeel van God, vanwege ongeloof of zonde. Zoals de Romeinse soldaten en dienaren van de hogepriesters en de farizeeën in de hof van Getsemane, toen zij Jezus wilden gevangennemen: ‘Toen hij zei: “Ik ben het”, deinsden ze achteruit en vielen op de grond.’ (Johannes 18:6) Of zoals de richter Eli die achterover viel van zijn bank en zijn nek brak, als oordeel over het wangedrag van zijn zonen (zie 1 Samuel 3:14), toen hij hoorde dat de Filistijnen de Ark op het Joodse volk hadden veroverd (1 Samuel 4:18).

Als je bepaalde filmpjes op you tube bekijkt met betrekking tot ‘in de geest’ manifestaties dan valt je op dat de diensten bestaan uit mensen die over elkaar heen vallen, krijsen en brullen, schudden, onbedaarlijk lachen, en dierlijk en oncontroleerbaar gedrag ten toon spreiden. Dit zijn misschien excessen, maar feit is wel dat deze ervaringen tot stand worden gebracht door dezelfde ‘geest’. In dit kader beschouw eens de volgende Bijbeltekst:
‘…, want God is niet een God van wanorde maar van vrede. Zo is het in alle in alle gemeenten van de heiligen.’ (1 Kor. 14:33)
In dit licht gezien kan het onmogelijk de heilige Geest zijn die deze ervaringen veroorzaakt. Hij heiligt ons niet door als een demon bezit te nemen van ons en ons te dwingen om rare, submenselijke dingen doen!

Door de Toronto Blessing zijn de ‘in de geest’ manifestaties in de charismatische beweging wereldwijd verspreid. Een bijbelse grondlegging is er echter niet. Integendeel, God roept ons juist op om ‘nuchter en waakzaam’ (HSV) (Grieks: néphó: op de hoede, helder van geest, oplettend, kalm en bedachtzaam) te zijn en dat kan niet als men niet meer volledig bij bewustzijn is! Leeuw‘Wees waakzaam, wees op uw hoede, want uw vijand, de duivel, zwerft rond als een brullende leeuw, op zoek naar een prooi.’ (1 Petr. 5:8)
‘Brullen als een leeuw’… Is dit niet één van de ‘in de geest’ manifestaties? Zal de heilige Geest zich op deze manier manifesteren, terwijl in de bijbel dit juist als een illustratie van de duivel wordt gegeven? En zal de heilige Geest dronken gedrag manifesteren, terwijl in de bijbel juist gewaarschuwd wordt voor de gevolgen van dronkenschap? En zal de heilige Geest iemands geloof bevestigen door deze achterover te laten vallen, terwijl in de bijbel hier enkel naar gerefereerd wordt in de trant van een oordeel van God, vanwege ongeloof of zonde? De vraag stellen is hem beantwoorden…

In charismatische samenkomsten wordt bij het ontvangen van de ‘in de geest’ ervaringen de bewuste controle van het denken prijsgegeven. Het zogenaamde bewijs (teken) van een rela­tie met God zijn extatische (een verlies van controle over zichzelf) ervaringen. In Galaten 5:23 staat het Griekse woord ‘enkrateia’ (zelfbeheersing of zelfcontrole) als een vrucht van de Heilige Geest. Er bestaat een harmonie tussen de heilige Geest en de individuele gelovige, maar God schakelt de persoonlijkheid en het denken, het verstand, van een christen nooit uit! Maar is dit niet wat tijdens alle gevallen van de ‘in de geest’ ervaringen gebeurt?
 
 
Lachen
 

Maar als de manifestaties niet te wijten zijn aan de werking van de heilige Geest, wat is dán de oorzaak van deze ervaringen?
 

Kundalini?

Sommige personen menen dat de charismatische manifestaties ‘in de geest’ het rechtstreekse gevolg zijn van demonen. Men wijst hierbij op het zogenaamde ‘kundalini-ontwaken’, een ervaring bekend in het Hindoeïsme en aangeduid met de term shakti pat. Het is een uitdrukking die gebruikt wordt voor de aanra­king van een goeroe (spirituele leraar), gewoonlijk met zijn hand op het voorhoofd van de vereerder, wat bovennatuurlijke effecten teweegbrengt bij de vereerder.
De bekeerde, voormalige hindoe Rabi Maharaj beschrijft in zijn boek ‘De Goeroe is dood’ (1981) shakti pat als volgt: ‘Shakti betekent letterlijk “macht” en in het toebrengen van shakti pat wordt de goeroe een kanaal van oerkracht, de kosmische kracht, die aan het universum ten grondslag ligt en die beli­chaamd is in de godin Shakti. Het bovennatuurlijke effect van Shakti door de aanraking van de goeroe kan de vereerder tegen de grond doen slaan, of hij kan een helder licht zien, en een ervaring krijgen van innerlijke ver­lichting of nog een andere mystieke psychische ervaring hebben.’
kundaliniIn het Hindoeïsme wordt gewezen op deze ‘spirituele kracht’. In het Sanskriet betekent kundalini letterlijk ‘de opgerolde’.
Kundalini wordt in Indiase yoga en Tantrische geschriften beschreven als een krachtveld dat zich, wanneer ‘ontwaakt’, vanuit het onderlichaam (de stuit) langs de ruggengraat naar boven begeeft. Deze kracht opent deuren naar allerlei mystieke ervaringen. Het kan echter ook enorme impact hebben op het lichaam, zowel geestelijk, psychisch als spiritueel. Enkele kenmerken zijn schokken, lichamelijke onrust en bewegingsdrang, interne geluiden, stemmen horen en spontane veranderingen van lichaamshouding. Deze symptomen worden toegeschreven aan deze ‘kundalini kracht’ die vrijkomt in het lichaam van de vereerder.

Andrew strom
Andrew Strom

Sommige critici schrijven de ‘in de geest’ manifestaties binnen de charismatische beweging toe aan deze ‘kundalini kracht’. Maar hoewel de symptomen van het ‘kundalini ontwaken’ binnen oosterse religie meer omschreven worden als het vrijkomen van een bepaalde energie, menen zij dat het demonen zijn die de mensen in hun greep houden.
Aanhanger van deze theorie is is de Nieuw-Zeelander Andrew Strom, schrijver van het boek ‘Kundalini warning – False spirits invade the church’ (2010). Hij is een ex-charismaan die meer dan 25 jaar bij de charismatische beweging betrokken is geweest, waarvan elf jaar bij dezelfde profetische beweging als Todd Bentley (zie hoofdstuk 8). Strom gelooft nog wel in tegenwoordige Geestesgaven, maar veroordeelt alle ‘in de geest’ manifestaties. Hij waarschuwt voor de kundalini kracht en meent dat dit één van de ergste ‘invasies van valse geesten’ is die de kerk ooit gezien heeft. Strom baseert zijn conclusie op eigen ervaring en gedane waarnemingen. Zijn uitleg wordt weerlegd  in 10.5. en 10.6..

Het begin van de ‘invasie van valse geesten’ legt Strom bij Word of Faith aanhanger Rodney Howard-Browne (Zuid-Afrika, 1962), die gedurende de jaren 1993 en 1994 grote bijeenkomsten hield in de VS. Howard-Browne groeide op in een Zuid-Afrikaanse pinkstergemeente en emigreerde samen met zijn vrouw in 1987 naar de VS. Hij wordt wel de ‘heilige Geest barkeeper’ genoemd, omdat er veel manifestaties van ‘dronken in de geest’ voorvielen tijdens zijn diensten, naast ‘huilen’ en ‘vallen (en rusten) in de geest’.

Rodney Howard-Browne

Strom stelt: ‘Veel Word of Faith leiders ondergingen de “aanrakingen” door Howard-Browne en werden hierdoor geïnspireerd. Één van hen, Randy Clark, introduceerde het in de Vineyard beweging van Toronto, wat later bekend werd als de Toronto Blessing: mensen vielen neer, toonden dronken gedrag, lachten hysterisch, schudden, trilden en beefden onbeheersbaar met hun hoofd alswel met hun lichaam, mensen maakten dierengeluiden (bijvoorbeeld het brullen van een leeuw). Deze manifestaties waren nog nooit op zo’n grote schaal in de kerk gezien en werden in een paar jaar tijd in de hele charismatische wereld bekend.’
De centrale vraag die Strom stelt is: waarom zijn deze manifestaties zo vergelijkbaar met die van oosterse religies, het Hindoeïsme en kundalini-sekten, terwijl je deze ervaringen niet terug kunt vinden in de bijbel en het klassieke christendom op zich? Strom stelt dat Howard-Browne, de inspirator van dit alles, beïnvloed werd door een kundalini geest (demon), omdat alle verschijnselen absoluut precies hetzelfde zijn. Strom zegt dat kundalini is als een valse heilige Geest. ‘Het produceert zelfs wonderen en genezingen, naast gevoelens van liefde, kracht, energie en andere emoties. Het is de hindoeversie van de heilige Geest,… maar het is niet heilig.’
Strom besluit met op te merken dat er in de bijbel gewaarschuwd wordt dat er valse leringen, valse leraren, valse wonderen en valse tekenen zullen komen. In de Schrift staat dat je daarom nuchter en waakzaam moet zijn. ‘Vandaag de dag hebben we echter een beweging die vreemde en bizarre tekenen en wonderen promoot; zelfs de meest rare spirituele ervaringen. Er wordt in de Schrift gewaarschuwd voor zulke misleidende geesten, geesten die ook leiders kunnen beïnvloeden. Waarom promoot de charismatische beweging dan deze uitingen, terwijl juist in de bijbel hiervoor zo gewaarschuwd wordt?’ Strom meent dat de charismatische beweging dit nooit had mogen toelaten en dit direct had moeten veroordelen.

De documentaire ‘False spirits invade the church – Kundalini warning’ is ook van Stroms hand. Hierin zijn de kundalini ervaringen, zowel in het Hindoeïsme als in de moderne charismatische beweging, visueel te aanschouwen. De documentaire is via deze link te zien: http://www.youtube.com/watch?v=2X1HC-3s3uI 

Strom is duidelijk een kind van de ‘derde/vierde golf generatie’: iets is óf goddelijk óf demonisch. Dit is een typisch kenmerk van de derde/vierde golf beweging; een middenweg kent men niet, namelijk het natuurlijke.

Kundalini in andere religies

Kundalini wordt vooral geassocieerd met het Hindoeïsme, maar de verschijnselen als zijnde een spirituele ervaring hebben veel overeenkomsten met mystieke en gnostische tradities (overleveringen) van andere religies ter wereld. Veel kenmerken wijzen op de algemeenheid van het verschijnsel.

Sjamaanse tovenaar
Sjamaanse tovenaar

Er zijn overeenkomsten bij hedendaagse charismatische manifestaties die aan de heilige Geest toegeschreven worden. Religieuze studies zien ook parallellen bij de Quakers en Shakers (twee sekten in de VS), het joodse Shuckling (het schudden en schommelen tijdens gebed), de ‘wuivende’ zikr-meditatie en de ‘wervelend dansende’ derwisj (geestelijke binnen de ‘soefi’s’; mystieke broederschap) van de islam, de trillingen van de oosters-orthodoxe Hesychast (lid van een school voor mystiek, ontwikkeld door de monniken van de Griekse berg Athos in de veertiende eeuw), de vloeiende bewegingen van tai chi (Chinese vechtkunst), de extatische bushman_central kalahari1Sjamanistische dans (Siberische tovenaar), de ntum trance dans van de Bosjesmannen (oorspronkelijke bewoners van zuidelijk Afrika, foto rechts), de Tibetaanse boeddhistische Tumo warmte door meditatie*, en de Andalusische flamencodans (Zuid Spanje). Kundalinipraktijk is middelpunt in de (terroristische) Japanse Aum Shinrikyo sekte, en kundalini-yoga is één van de etappes die een meditatiebeoefenaar kan bereiken. (Bron: ‘Awake Kundalini’ – Pt. Rajnikant Upadhyaya & Pt. Gopal Sharma, 2006.)

* De Nederlander Wim Hof (1959), bekend als ‘The Iceman’, is een beoefenaar van Tumo.
 

Waardoor zijn nu uiteindelijk deze ervaringen te verklaren? De verschijnselen blijken het gevolg te zijn van beïnvloedingspraktijken door de voorgangers zelf, en de sfeer en verwachtingen tijdens de diensten. Op de oorzaken gaan 10.5. en 10.6. in.
 

10.5. Kritiek op de  Toronto Blessing 

Onderstaand artikel ‘The Toronto Blessing’ heb ik (R.K.) vertaald uit het Engels. De originele tekst van veertien pagina’s heb ik ingekort naar twaalf. De gehele originele Engelse tekst is te lezen via deze link: http://orthodoxinfo.com/inquirers/toronto.aspx.
De tekst verscheen oorspronkelijk in ‘The Shepherd’ in drie delen uit december 1995 (Vol. XVI, nr. 3) tot en met februari 1996 (Vol XVI, nr. 5). Dr. Nick Needham is een baptistenvoorganger uit Londen (Engeland) en docent in de kerkgeschiedenis aan het Highland Theological College in Dingwall (Schotland). Zijn artikel gaat vooral in op de (niet-)theologische aspecten van de ‘Toronto Blessing zalving’ (10.6. benadert het onderwerp meer wetenschappelijk).

De Toronto Blessing

door Dr. Nick Needham

Nick Needham
Nick Needham

Dr. Nick Needham beschrijft zichzelf als een conservatieve evangelische (het baptisme valt onder de evangelische stroming), waarbij hij uitlegt dat dit is een ‘traditionele reformatie-stijl van het protestantisme, waarvan de overtuigingen zijn geworteld in de Schrift en de oecumenische geloofsbelijdenissen’.

DEEL EEN

1. Wat is de Toronto Blessing?

Wat is dan deze grote zegen die God naar verluidt over zijn kerk uitstort in deze tijd? Volgens de voorstanders is het een nieuwe uitstorting van de heilige Geest die kan worden vergeleken met de dag van Pinksteren. Deze uitstorting gebeurt wanneer een leider, die de zegen al zelf heeft ontvangen, het aan anderen doorgeeft. De zegen zelf wordt ook vaak de ‘zalving’ of een ‘nieuwe zalving’ genoemd.

Soms zal de ‘gezalfde’ leider eenvoudigweg de zegen over de gehele bijeenkomst uitroepen, maar over het algemeen zullen de mensen worden gevraagd naar voren te komen, waar de leider en zijn team hen de handen op zal leggen, om zo de zegen aan hen fysiek door te geven. Een paar van de leiders hebben vreemdere en meer dramatische methoden van doorgeven van de zegen, bijvoorbeeld door op mensen te blazen, het ‘slingeren’ van de zegen op mensen door dramatische handgebaren, of zelfs het doorgeven van de zegen in een doek om daarna deze naar iemand toe te gooien.

Met betrekking tot de innerlijke geestelijke of emotionele ervaring, is er geen reden te betwijfelen dat veel mensen een overweldigend gevoel van geliefd te zijn voelen, met enorme gevoelens van vreugde en euforie. De enige vraag is hoe deze emotionele ervaringen moeten worden geïnterpreteerd, een vraag waar we later op terug zullen komen.

2. Wat is de oorsprong van de Toronto Blessing?

De TB (Toronto Blessing) kent zijn oorsprong in de Word of Faith beweging. Maar deze Faith leraren leren niet de waarheid over Christus, en ze verheerlijken niet de Christus van de Schrift, maar een Christus van hun verbeelding: een Christus die niet de almachtige God in het vlees was, een Christus die miljonair was, een Christus die gedemoniseerd werd aan het kruis en voor de zonde ‘geestelijk’ stierf in de hel in plaats van door zijn bloed, een Christus die alleen de incarnatie van God was in de zin dat (volgens hen) elke gelovige een incarnatie van God is. Het is geen wonder dat bijbelgetrouwe geleerden en theologen als Hank Hanegraaf, Dan McConnell en anderen hebben geconcludeerd dat het evangelie van de Faith beweging een ‘ander evangelie’ (2 Korintiërs 11: 3-4) is.

Dus waar we mee worden geconfronteerd in de Faith beweging is een ander evangelie, een andere Jezus en een andere geest. De ware heilige Geest van God zou nooit ‘ministries’ van mensen die giftige fouten leren eren, bekrachtigen of geloofwaardigheid schenken. Welke geestelijke kracht ook aan het werk is door mannen als Benny Hinn, Kenneth Copeland en Rodney Howard-Browne, men moet concluderen dat het niet de Geest van de waarheid is.

3. Hoe arriveerde de Toronto Blessing in Toronto?

Het belangrijkste om op dit punt te onthouden is de oorsprong van de TB. Het begon in de Faith beweging. Het begon in een context van destructieve en giftige dwaling. Maar nu zijn er mensen als Randy Clark en John Arnott, die geen enkele van de ketterijen van de Faith beweging veroordelen, maar vrolijk en enthousiast de geestelijke kracht omarmen die aan het werk is in de Faith beweging. De valse geest die actief is in de Faith beweging is nu welkom, geaccepteerd en door veel van de Vineyard kerken van John Wimber onderschreven, en van hen is het overgegaan in de charismatische en pinksterkerken op een wereldwijde basis. Ze zeggen dat het God is die zijn kerk aan het verfrissen en vernieuwen is. Een eerlijker oordeel zou zijn dat het één van de ergste wanen ooit is die de belijdende kerk van Jezus Christus teisteren.

DEEL TWEE

We hebben gekeken naar de oorsprong van de TB, de gedane conclusies ten aanzien hiervan, en de ervaringen die mensen hebben wanneer ze het ontvangen (de zogenaamde manifestaties ‘…in de geest’; deze zijn al beschreven in hoofdstuk 6: De vierde golf…, en in 10.4. Kritiek op de manifestaties ‘in de geest’, R.K.). We hebben een goede reden te geloven dat het niet de heilige Geest is die aan het werk is in deze beweging, omdat de heilige Geest de Geest van waarheid is, terwijl de TB werd geboren in een Christus ontkennende ketterij, de zogeheten (Word of) Faith beweging. Nu gaan we proberen te zien wat er werkelijk gebeurt met mensen als ze de TB ervaren.

1. TB ervaringen in andere religies

Het eerste waar we aan moeten denken is het feit dat de ervaringen die mensen hebben wanneer ze de zegen of de zalving van mannen als Rodney Howard-Browne ontvangen, niet typisch christelijk van aard zijn. Daarmee bedoel ik dat het heel goed mogelijk is om precies dezelfde emotionele en fysieke ervaringen te hebben buiten het christendom, in andere religies of andere geloofsrichtingen. Laten we de emotionele ervaring van het overweldigende gevoel van liefde nemen. Rodney Howard-Browne legt je zijn handen op en ‘zapt’ (geeft energie) je met dit enorme gevoel van liefde. Is dit een typisch christelijke ervaring? Wel, voordat we iets besluiten, laten we eerst luisteren naar een getuigenis van iemand die deze prachtige ervaring heeft gehad:

Hij strekte zijn armen, en ik zag opeens Benjamin Creme’s gezicht verdwijnen, en in het kader van wat zijn gezicht was geweest, was een heel ander gezicht, die in het geheel niet op hem leek. Het was een gezicht met een soort van goud-bronzen kleur, met zeer grote donkere ogen die zeer lichtgevend waren, en zeer hoge jukbeenderen, en een vrij lang gezicht. Dit buitengewone wezen dat naar mij keek, had ook nog een baard. Ik zag hem voor de volle twintig minuten dat deze zegen heeft geduurd, dus ik had heel goede gelegenheid om het gezicht goed te bekijken. En als zijn ogen rechtstreeks in mijn gezichtsveld kwamen, voelde ik enorme golven van energie vanuit dit wezen uitstralen, en het raakte me in het hart. En ik was echt bewogen, naar het diepste van mijn wezen, want wat ik feitelijk meemaakte was een enorm krachtige en zeer zuivere liefde. Het was iets heel bijzonders, een liefde zoals die te ervaren. [3]

Dit getuigenis van Patricia Pinchon kan vrij eenvoudig komen van een TB bijeenkomst. Ze heeft een visioen van een Jezus-achtig gezicht: niet ongewoon voor degenen die de TB ontvangen. Ze wordt overweldigd door een gevoel van ‘een enorm krachtige en zeer zuivere liefde’ die haar brengt naar het diepst van haar wezen. Nogmaals, heel gebruikelijk in de TB. Het verandert haar leven, maakt haar tot een toegewijde volgeling van Benjamin Creme, de ‘gezalfde man’ die deze zegen aan haar heeft overgedragen. En de zegen wordt door Benjamin Creme overgedragen in een fysieke manier: hij strekt zijn armen en roept een zegen over haar af. Dus alles heeft een griezelige gelijkenis met de TB. Maar natuurlijk, zoals u al vermoedde, het betrof helemaal niet een TB bijeenkomst. Het was een New Age bijeenkomst.
Benjamin Creme is een leidende figuur in de New Age beweging in Groot-Brittannië. Hij beweert dat hij in een constante telepathische communicatie is met een geest-gids die hij ‘de Meester’ noemt en hij (Benjamin Creme) zegt dat het zijn missie is om mensen voor te bereiden op de komst van de New Age Christus. Hij heeft een bovennatuurlijke genezing ministry en geeft leiding aan een New Age tijdschrift met de naam ‘Share International’. Dus Benjamin Creme, de New Age goeroe, is heel goed in staat deze ervaring aan mensen over te brengen, waarbij deze mooie gevoelens van liefde gekanaliseerd worden in hun ziel, eventueel in combinatie met visioenen van een Jezus-achtig gezicht. Dus ga ik terug ik naar mijn oorspronkelijke verklaring: er is niets typisch christelijk betreffende de TB. Het is perfect mogelijk om exact dezelfde ervaringen te hebben buiten het christendom, in andere religies of andere geloofsrichtingen.

Enkel om de nauwe band tussen de TB en deze andere niet-christelijke religieuze ervaringen te benadrukken, werd Benjamin Creme onlangs gevraagd wat hij vond van de TB. Zijn antwoord was dat hij dacht dat de TB een goede zaak was. Het is, volgens hem, de methode die wordt gebruikt door zijn spirituele meesters de mening van christelijke fundamentalisten te verzachten om zo de New Age Christus te aanvaarden als hij verschijnt.

Laten we ook nadenken over de fysieke ervaringen die zich voordoen in de TB. Neem de ervaring van het ‘vallen in de geest’. We moeten nog een keer zeggen dat er niets typisch christelijk is betreffende deze ervaring. Het gebeurt in andere religies en andere vormen van spiritualiteit. Luister naar de volgende getuigenis over een Indiase man met de naam Kumar Swami, een christen die werkt bij Operation Mobilisation in India:

Zijn vader was een soort medicijnman in een dorp. Op een dag, een paar jaar geleden, vertelde Kumars oudere broer dat hij ‘de macht’ had ontvangen. Om zijn punt te bewijzen strekte hij zijn hand uit en raakte eerst zijn moeder en vervolgens Kumar aan; beiden vielen wezenloos op de grond. Terstond ontving zijn broer de verering van alle dorpelingen en ging hij op weg om zijn macht op andere plaatsen te tonen. [4]

Dus een Indiase medicijnman kan mensen ‘in de geest laten vallen’ door ze aan te raken. De vraag is: welke geest? De andere fysische verschijnselen, zoals hysterisch gelach en dierlijke manifestaties, kun je ook vinden in andere religies. De grote hindoe-goeroe Swami Baba Muktananda (gestorven in 1982) bracht deze ervaringen over aan zijn volgelingen door ze aan te raken op het voorhoofd:

Manifestaties die behelzen oncontroleerbaar lachen, brullen, blaffen, sissen, schreeuwen, schudden, enzovoort. Sommige toegewijden konden niet meer spreken of werden bewusteloos. Velen voelden zich doordrenkt worden met een gevoel van grote vreugde, vrede en liefde. [5]

Muktananda kanaliseerde in zijn discipelen eenvoudigweg ervaringen die hij zelf had ondergaan. ‘Brullen als een leeuw’ was een van zijn favorieten:

Mijn identificatie met een leeuw was nog sterker geworden. Ik brulde zo veel dat de koeien in de buurt hun touwen braken en kriskras rondliepen, honden blaften als gekken, en mensen spoeden zich naar mijn hut. Soms zigzagde ik op de grond als een slang, soms sprong ik als een kikker, soms brulde ik als een tijger. Mijn geest was als betoverd, terwijl ik de buitengewone innerlijke stemmingen van de godin Chiti gadesloeg. [6]

Dezelfde soort ervaringen zijn goed gedocumenteerd in de activiteit van andere invloedrijke twintigste eeuwse oosterse goeroes als Bhagwan Shree Rajneesh en Yan Xin, en van de verschillende heidense en mystieke sekten zoals ‘Subud’.

Het is naïef en dwaas te denken dat enkel omdat een persoon beweert een christen te zijn en deze vreemde ervaringen kan kanaliseren tot/op mensen, dat daarom de heilige Geest aan het werk moet zijn. Zoals we hebben gezien zijn er tal van voorbeelden van deze kracht aan het werk in niet-christelijke godsdiensten. Maar nergens in de bijbel gingen de oudtestamentische profeten of de nieuwtestamentische apostelen rond mensen op het voorhoofd aan te raken, waardoor ze omvielen, hysterisch begonnen te lachen of zich gedroegen als beesten. Mensen in de bijbel hadden soms spirituele ervaringen waardoor ze omvielen, maar nooit als het resultaat van iemand die hen aanraakte op het voorhoofd. Het was geen macht of kracht overgedragen van de ene persoon naar de andere; het was een reactie van nederige aanbidding naar God toe als hij zijn heerlijkheid openbaarde. Dit is totaal anders dan wat er gaande is in de TB, waar de kracht die iemand laat omvallen fysiek wordt overgedragen van de ene persoon naar de andere, vaak zonder enig begeleidend religieus gevoel. En in de bijbel; als mensen vielen, vielen ze altijd voorover op hun gezicht in aanbidding, niet achteruit in hersenloze schok of extase als in de TB en deze andere heidense gelijken van de TB.

2. De onderscheidende kenmerken van ware christelijke ervaring

Nu op dit punt gekomen, laten we ons afvragen wat het verschil is tussen de aard van de ervaringen die we hebben behandeld en een echte christelijke ervaring. Laten we vooral denken over de grote en overweldigende ervaringen van Gods liefde. Christenen kunnen dergelijke ervaringen hebben en hebben dergelijke ervaringen. Kijk naar Romeinen 5: 5: ‘… omdat Gods liefde in onze harten is uitgegoten door de heilige Geest, die ons gegeven is’. Wat is het verschil tussen dit en de TB? We kunnen wijzen op twee belangrijke verschillen:

(1) Een ware christelijke ervaring van Gods liefde wordt niet fysiek overgebracht door aanraking, of door een man die de heilige Geest op mensen ‘afroept’. De mens echter, hoe  godvruchtig hij ook is, heeft geen macht om de heilige Geest los te laten in de zielen van andere gelovigen. De Geest is niet een soort van kracht waar de mens over kan beschikken, die op mensen kan worden geworpen of op mensen kan worden geblazen. Er staat niets in de Schrift om een dergelijk idee te ondersteunen.

oude-bijbelIn tegenstelling tot dit alles, leert de Schrift geen enkel idee, noch geeft enig voorbeeld, dat mensen de heilige Geest (als het ware) kunnen ‘overplanten’ in de ziel van een christen door materiële elementen. Het dichtstbijzijnde dat ook maar iets enigszins lijkt op dit idee is wat twee keer in Handelingen wordt beschreven; de apostelen legden de handen op mensen, opdat zij de heilige Geest mochten ontvangen. Deze twee gelegenheden zijn te vinden in Handelingen 8, waar Petrus en Johannes de handen leggen op de Samaritaanse gelovigen, en Handelingen 19, waar Paulus de handen legt op de Efeze-discipelen van Johannes de Doper. Maar in beide gevallen hadden deze mensen nog totaal niet de heilige Geest ontvangen. Noch de Samaritanen, noch de Efeze volgelingen van Johannes, waren in geen enkel opzicht deelgenoten van de gave van de heilige Geest, tot de apostelen op hen de handen legden. Dit was het allereerste geven van de Geest om zo deze mensen als gelovigen in Christus te laten huizen.  Het is dus een totaal andere situatie dan de TB, want in de TB zijn de mensen al praktiserend christen: ze zijn immers charismatische en pinksterchristenen die beweren de heilige Geest al te hebben ontvangen, zij het op een speciale manier.

Dus zelfs in de twee gelegenheden waar de Schrift ons toont dat de heilige Geest wordt verleend door handoplegging (wat niet hetzelfde is als iemand te tikken op het voorhoofd), is het heel anders dan de TB, want in de Schrift verwijst het naar de eerste ontvangst van de heilige Geest in het leven van gelovigen, in plaats van een aantal latere zogenaamde zegeningen. En bovendien, in de Schrift waren het de apostelen alleen door wie God op deze manier werkte. Zie Handelingen 8:18-19. De apostelen waren uniek, niemand kan vandaag de dag de status en macht die ze uitoefenden claimen. (In Handelingen 8, als Rodney Howard-Browne in plaats van Filippus de Samaritanen had geëvangeliseerd, zou hij niet op de apostelen van Jeruzalem gewacht hebben om de handen op te leggen op de nieuwe bekeerlingen. Hij zou zelf de Samaritanen ‘gezapt’ hebben.)

Samengevat: er is geen bewijs uit de Schrift dat iemand de heilige Geest kan geven of verlenen door fysische methoden in de ziel van een gelovige die al bewoond is door de Geest. Benny Hinn, Rodney Howard-Browne en hun navolgers hebben een niet Schriftuurlijke praktijk omarmd die de heilige Geest degradeert van de soevereine en almachtige God in een louter elektrische kracht of macht die ze automatisch kunnen kanaliseren in mensen.

(2) Het tweede verschil is dat een ware christen zijn ervaring van Gods liefde komt door middel van de waarheid. De heilige Geest werkt in, door en door middel van de waarheid. Laten we teruggaan naar Romeinen 5: 5, en lees ook de volgende drie verzen. Merk op hoe, nadat Paulus zegt dat Gods liefde in ons hart is uitgestort door de heilige Geest, hij meteen verder gaat op te merken dat Gods liefde is gedemonstreerd of is bekend gemaakt door de dood van Christus. God bevestigt zijn liefde tot ons hierin dat, terwijl wij zondaars waren, Christus voor ons is gestorven.

Dus als de heilige Geest ons hart vervult met dit heerlijk gevoel van Gods liefde, is het niet één of andere directe ‘zap’ ervaring die onze geest omzeilt. Wat de heilige Geest doet is deze grote waarheid duidelijk maken in onze geest; dat Christus voor ons gestorven is. Hij  neemt die waarheid en overtuigt ons hiervan, en geeft ons hiervan een helder en levendig geestelijk begrijpen. Dit betekent dat hij ons vult met een heerlijk gevoel en besef van hoeveel God van ons houdt.

Laten we een aantal verzen beschouwen die het centrale en het belang van onze ziel, de waarheid en het Woord van God geschonken in het leven; en de zegen en de heiliging van de gelovige laten zien:

De wet van de HEER is volmaakt: levenskracht voor de mens. De richtlijn van de HEER is betrouwbaar: wijsheid voor de eenvoudige. De bevelen van de HEER zijn eenduidig: vreugde voor het hart. Het gebod van de HEER is helder: licht voor de ogen. (Psalmen 19:8-9)

De Geest maakt levend, het lichaam dient tot niets. Wat ik gezegd heb is geest en leven. (Johannes 6:63)

U zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u bevrijden. (Johannes 8:32)

Heilig hen dan door de waarheid. Uw woord is de waarheid. (Johannes 17:17).

Nu u gehoorzaam bent aan de waarheid, is uw hart gelouterd en kunt u oprecht van uw broeders en zusters houden; heb elkaar dan ook onvoorwaardelijk lief, met een zuiver hart, als mensen die opnieuw zijn geboren, niet uit vergankelijk maar uit onvergankelijk zaad, door Gods levende en altijd blijvende woord. (1 Petrus 1:22-23)

U echter bent gezalfd door de heilige, u allen weet dat. Ik schrijf u niet omdat u de waarheid niet zou kennen, maar juist omdat u die kent en omdat uit de waarheid nooit een leugen voortkomt. (1 Johannes 2:20-21) …Wat uzelf betreft: de zalving die u van hem ontvangen hebt is blijvend, u hebt geen leraar nodig. Zijn zalving leert u alles naar waarheid, zonder bedrog. Blijf daarom in hem, zoals zijn zalving u geleerd heeft. (1 Johannes 2:27)

Deze verzen laten zien dat de heilige Geest niet voorbij gaat aan de waarheid of ons verstand kortsluit als hij in ons werkt, ons heiligt, heilige emoties opwekt, of ons in gemeenschap met God brengt. De Geest werkt door de waarheid, door het Woord, leert ons, verlicht ons verstand met waar begrijpen, en op deze manier ontsteekt en wekt hij oprechte geestelijke gevoelens en ervaringen op.

Jonathan Edwards (een gerenommeerde Amerikaanse protestantse theoloog, 1703-1758) maakt dit punt met grote kracht in zijn ‘Treatise’ met betrekking tot religieuze bewegingen:

Heilige gevoelens zijn niet warmte zonder licht, maar komen zondermeer voort uit bepaalde informatie van het begrip, bepaald geestelijk onderricht dat de (menselijke) geest ontvangt, en licht in het kader van daadwerkelijke, feitelijke kennis. Het kind van God is genadig beïnvloed, omdat hij iets meer ziet en begrijpt van de Goddelijke dingen dan hij eerder deed; meer van God of Christus en van de glorieuze dingen tentoongesteld in het evangelie. Hij heeft een duidelijker en beter inzicht dan hij eerder had, toen hij niet werd beïnvloed. Hetzij hij ontvangt een nieuw begrip van de Goddelijke dingen, of hij heeft vroegere kennis vernieuwd nadat zijn visie was vervallen. (Edwards citeert dan 1 Johannes 4:7 , Filippenzen 1:9, Romeinen 10:2 , Kolossenzen 3:10 , Psalm 43:3-4 en Johannes 6:45 om zijn stelling te bewijzen.) Kennis is de sleutel die als eerste het harde hart opent, daarna vergroot het de gevoelens en opent de weg voor mensen in het koninkrijk der hemelen: Lucas 11:52* : ‘… jullie hebben de sleutel tot de kennis weggenomen’. Nu zijn er vele emoties die niet voortvloeien uit enig licht van begrijpen, en dat is een zeker bewijs dat deze emoties niet spiritueel zijn, al zijn ze nog zo krachtig. [7] 

Lucas 11:52: ‘Wee jullie wetgeleerden, want jullie hebben de sleutel tot de kennis weggenomen; zelf zijn jullie niet binnengegaan, en anderen die wel binnen wilden gaan hebben jullie tegengehouden.’ 

Waar Edwards voor waarschuwt hier, is wat we zien gebeuren in de TB. Daar wordt verondersteld dat de heilige Geest werkt zonder waarheid als zijn instrument. Hij ‘zapt’ direct mensen in een staat van vreugde, vrede of gevoel geliefd te zijn. Maar er is geen waarheid bij betrokken: er is geen verlichting van de geest om de waarheid te begrijpen. Waarheid wordt overgeslagen ten gunste van de moment ‘zap’ ervaring. Dus de emoties en ervaringen die ontstaan, zijn niet een reactie op de waarheid, maar een hersenloze explosie van gevoel dat geen basis heeft in de waarheid, of in een (menselijke, R.K.) geest die wordt verlicht om de waarheid te begrijpen. Dit is niet de manier waarop de heilige Geest werkt, deze gedachteloze spiritualiteit is niet bijbels.
Het kenmerk van ware bijbelse spiritualiteit is dat het stroomt uit de waarheid en is gebaseerd op een goed begrip van de waarheid. Onze christelijke gevoelens en ervaringen komen tot ons als reactie op de waarheid, want deze waarheid is te vinden in Gods Woord, en de heilige Geest geeft het ons met heiligende kracht. Daarom is prediking en onderricht zo belangrijk in het leven van de kerk. En dat is de reden waarom prediking en onderricht zo weinig plaats hebben in de TB. Waarheid is voor hen niet belangrijk. Het allerbelangrijkste is de onmiddellijke ‘zap’ ervaring. Daarom interesseert het de meeste van hen niet dat de TB is ontstaan in de afschuwelijke ketterijen van de Faith beweging. Dit maakt niet uit, want de waarheid is niet belangrijk voor hen; wat telt zijn de gevoelens, de vreugde, de gedachteloze ervaring. Dit staat direct tegenover echte christelijke spiritualiteit.

Deze feiten ondermijnen de geloofwaardigheid van alle stellingen die wij horen van christenen die geestelijk vernieuwd zijn tot een diepere heiligheid door de TB. De aard van de ervaringen die we hebben onderzocht, kan niet iedereen vernieuwen tot ware heiligheid. Ze kunnen (voor een tijd) iemand agressiever en vol vertrouwen maken in de overtuigingen die hij/zij reeds had, christen of niet. En daarom leidt het misschien tot meer religieuze activiteit: meer bidden, meer de bijbel bestuderen, meer evangeliseren. Maar deze dingen zijn geen overtuigend bewijs van authentieke groei in heiligheid (een gelovig leven, R.K.). Waar is de toegenomen eerbied voor God? De chaotische clownerie van de TB is berekend om aanbidding te vernietigen, niet te bevorderen. Waar is de onderwerping aan de Schrift? Het bestuderen van de bijbel is niet hetzelfde als je hieraan onderwerpen. Jehovah’s Getuigen bestuderen het. Maar waar heeft een TB voorstander zich bereid getoond om zijn ervaringen aan de Schrift te onderwerpen?
Ik wil ook toevoegen, uit persoonlijke ontmoetingen en gesprekken, dat de aanspraken op geestelijke vernieuwing door de TB schromelijk overdreven lijken tot het punt van de fantasie, zo niet bedrog. Geen van mijn vrienden die al ‘gezapt’ zijn, vertonen de geringste merkbare verhoging van heiligheid. En ik heb te veel verhalen gehoord over dat de moraal en geestelijke ervaring in werkelijkheid fors achteruit gingen na ontvangst van de TB. De enige vrucht van de TB die ik zag bij een vriendin van mij in Kent, was dat ze innerlijke stemmen begon te horen die haar vertelden dat ze zelfmoord moest plegen. (Ze heeft nu afstand gedaan van de TB en heeft zich aangesloten bij een niet-TB kerk.) Laten we dus niet in de maling worden genomen door deze overdrijvingen die de TB claimt aan geestelijke vernieuwing. Zoals aanspraken op onmiddellijke en perfect wonderbaarlijke genezing; weinig tot geen van hen zal standhouden tegen zorgvuldige Schriftuurlijke controle.

Op dit punt is het de moeite waard op te merken dat velen de TB ervaringen verdedigen, zelfs de meest bizarre en vernederendste, door een beroep te doen op de woorden van de Here Jezus Christus in Lukas 11:11-13:

Welke vader onder jullie zou zijn kind, als het om een vis vraagt, in plaats van een vis een slang geven? Of een schorpioen, als het om een ei vraagt? Als jullie dus, ook al zijn jullie slecht, je kinderen al goede gaven schenken, hoeveel te meer zal de Vader in de hemel dan niet de heilige Geest geven aan wie hem erom vragen. 

Het argument is dat TB ervaringen van God moeten komen, omdat hij niet zou toestaan dat zijn kinderen valse ervaringen ontvangen wanneer zij hem om de heilige Geest vragen. Maar dit argument snijdt echt geen hout. Wat verlangen of vragen of verwachten precies de mensen tijdens een TB bijeenkomst? Het antwoord is: een zekere ervaring. In hun eigen gedachten hebben zij de heilige Geest gelijkgesteld aan bepaalde vormen van ervaring, waarbij meestal fysieke manifestaties betrokken zijn. Dus als een gezalfde leider ‘de heilige Geest naar beneden roept’, bedoelt hij dat hij wil dat bepaalde ervaringen en manifestaties nu plaatsvinden in de bijeenkomst. Dit is wat de mensen ‘aan God vragen’. Met andere woorden: het iets graag willen, de vraag, neemt het voor lief of de verschillende emotionele en fysieke ervaringen binnen de  TB daadwerkelijk van de heilige Geest afkomstig zijn. Maar we hebben veel redenen gezien om anders te denken.

Waarom heeft God zijn kind niet beschermd tegen de valse ervaring? Omdat het kind al was bedrogen. Wel, we hebben zelf de persoonlijke verantwoordelijkheid om de geesten te toetsen (1 Johannes 4:1). Als we zelf niet de verantwoordelijkheid dragen dit uit te voeren door de Schrift zorgvuldig en onderdanig te onderzoeken, en alles te toetsen wat de Schrift duidelijk leert, kunnen we God niet de schuld geven als we in misleiding en valse ervaringen vallen. Dit zou hetzelfde zijn als God de schuld geven voor ons niet te beschermen tegen elektrocutie als we falen in het proberen een generator te repareren, zonder zorgvuldig de technische handleiding te bestuderen.

3. Hypnotische krachten

We hebben gezien dat we in de TB te maken hebben met een niet-christelijke vorm van spiritualiteit die mensen leidt naar gevoelens en ervaringen die ze even goed kunnen hebben in de New Age beweging, het Hindoeïsme, het zenboeddhisme, transcendente meditatie, of een dozijn andere vormen van oosterse mystiek. Laten we ons nu eens afvragen wat het is dat deze hersenloze ervaringen van vreugde, vrede en liefde veroorzaakt, en de fysieke manifestaties die hiermee samengaan: het omvallen, het hysterisch gelach, enzovoort. Het eerste dat ongetwijfeld veel van deze ervaringen kan veroorzaken is de kracht van hypnose en hypnotische invloed.

In het tijdschrift ‘The Briefing’, noemt Tony Payne de volgende ervaringen die mensen die de TB ontvangen, ondergaan:

• Gevoelens van gewichtloosheid
• Gevoelens van zwaarte
• Een gevoel van uitgerekt worden
• Katalepsie (toestand van algehele verstijving van de ledematen; een stadium bij hypnose)
• Schudden
• Herhalende beweging van lichaamsdelen
• ‘Rapid eye’ bewegingen (haastig je ogen heen en weer bewegen, R.K.)
• Veranderingen in de ademhaling
• Tintelingen
• Verlichting van pijn en ziekten
• Een gevoel dat lichaamsdelen veranderen in grootte of opzwellen
• Een machtig gevoel van energie of elektriciteit die door het lichaam stroomt
• Een zoemend geluid horen
• Veranderingen in het gehoor
• Een zoete geur ruiken, zoals van bloemen
• Het zien van een helder licht
• Zich bewust zijn van warme en koude gebieden op het lichaam
• Dronken voelen
• Schoongewassen voelen
• Een verstoring in het bewustzijn van de tijd, leeftijd regressie (levendig herinneren en zelfs incidenten uit de jeugd naspelen)
• Ongecontroleerd lachen.

Tony Payne beargumenteert dan: ‘al deze verschijnselen zijn ook goed bekend als zijnde de gemeenschappelijke resultaten van hypnose. Personen die massahypnose ondergaan, vertonen regelmatig precies dezelfde verschijnselen, soms door autosuggestie en soms spontaan.’ [8]

Dus hier hebben we een mogelijke verklaring van veel van deze ervaringen: hypnotische kracht en invloed. Het is al eeuwen bekend dat hypnose deze ervaringen kan genereren. Hypnose wordt ook wel mesmerisme genoemd, naar Franz Mesmer, een Oostenrijkse arts en gebedsgenezer die in 1780 in Frankrijk op het toppunt van zijn bekendheid was. Hij was in veel opzichten de grondlegger van de moderne westerse hypnose. Hier is een beschrijving van één van de bijeenkomsten van Mesmer’s:

Mesmer marcheerde majestueus in een bleek lila gewaad, zijn handen bewegend over de lichamen van de patiënten en ze aanrakend met een lange ijzeren staf. De resultaten waren wisselend. Sommige patiënten voelden helemaal niets, sommigen hadden het gevoel alsof insecten over hen heenkropen, anderen werden in beslag genomen met hysterisch gelach, stuiptrekkingen of toevallen van de hik. Sommigen gingen op in tierend delirium (waanzinnigheid); dit heette ‘De Crisis’ en werd als zeer gezond beschouwd. [9]

Een koninklijke commissie werd aangesteld om de activiteiten van Mesmer te onderzoeken. De samenstelling bestond uit leden van de Royal Society of Medicine en de Faculty of Medicine of the Academy of Sciences. In het verslag concludeerde de commissie dat ‘iemand invloed kan uitoefenen op iemand op elk moment, en bijna naar believen, door zijn verbeelding ‘aan te steken’; dat de eenvoudigste gebaren en tekens de meest krachtige effecten kunnen hebben, en dat de acties van de mens op de verbeelding kan worden teruggebracht tot een kunst, en uitgevoerd met methode, bij proefpersonen die geloof hebben.’[10] De originele tekst:

‘man can act upon man at any time, and almost at will, by striking his imagination; that the simplest gestures and signs can have the most powerful effects; and that the actions of man upon the imagination may be reduced to an art, and conducted with method, upon subjects who have faith.’ [10]

De meest effectieve ‘gezalfde mannen’, zoals Benny Hinn en Rodney Howard-Browne, zijn misschien wel niets meer dan ‘verchristelijkte’ hypnotiseurs, die hun mesmeric-praktijken hebben gereduceerd tot een kunst, en het uitvoeren met methode, bij proefpersonen die hierin geloven. Hierdoor kunnen hun eenvoudigste gebaren en tekens de krachtigste effecten hebben en zij kunnen inwerken op anderen bijna naar believen door in te werken op hun verbeelding.
We kunnen dit hypnotische element aan het werk zien door de verschillende ‘warming-up’ technieken die worden gebruikt door Benny Hinn, Rodney Howard-Browne en anderen in hun bijeenkomsten, om mensen in de juiste emotionele gemoedstoestand te brengen: veel repetitief (herhalend) refrein zingen, emotioneel verleidelijke muziek, mensen hun handen in de lucht laten houden voor een lange tijd, of te staren in elkaars ogen, allemaal gericht op het afbreken van mensen hun remmingen en rationele zelfbeheersing.
Dan is er nog het belangrijke psychologische klimaat van verwachting: mensen verwachten dat er iets gaat gebeuren, ze verwachten dat de Geest aan het werk is, ze verwachten te vallen en doen dit dus ook als Benny of Rodney ze aanraakt. We kunnen dus veel van wat gebeurt verklaren door simpelweg de psychologische krachten van hypnose en mesmerisme.

4. Fysieke kracht punten

Een andere bron van deze ervaring wordt gevonden in oosterse religies en New Age spiritualiteit. Dit is het concept dat er verschillende punten (chakra’s*) in het menselijk lichaam zijn waar een mysterieuze energie is geconcentreerd. Deze energie kan worden ontketend door degenen die weten hoe dit te doen, gewoon door het aanraken van deze krachtpunten van het lichaam.

* Extra informatie: De chakra’s staan centraal in een meditatietechniek die bekend staat als kundalini, wat letterlijk ‘dat wat is gerold’ betekent. De (oosterse) overtuiging is dat kundalini een goddelijke kracht betreft die zich bevindt aan de basis van de wervelkolom en, wanneer ‘ontwaakt’, door de wervelkolom (de Sushumna) reist, door elke chakra (energiepunt), totdat ze de kruin van het hoofd bereikt heeft. Langs deze weg brengt deze kracht spiritueel bewustzijn tot het individu. Als de kracht de bovenste chakra heeft bereikt, wordt beweerd dat deze een onuitsprekelijke, zeer mystieke ervaring veroorzaakt. Personen die deze vorm van mantra (korte zin met een bepaalde betekenis, die steeds herhaald wordt; contemplatief) meditatie beoefenen, zullen getuigen van zowel zijn kracht als zijn gevaar. (Bron: http://www.gotquestions.org/what-is-a-chakra.html)

LeNadi
De zeven chakra’s met de drie nadi’s

Ik was onlangs in een New Age boekwinkel in Londen, waar ze een mooi gekleurde tekening van het menselijk lichaam waarop de krachtpunten waren getoond, verkochten. De belangrijkste daarvan is het midden van het voorhoofd, in oosterse religie bekend als ‘het derde oog’. Een hindoeleider of -goeroe zal vaak een geestelijke zegen overbrengen aan zijn leerlingen door ze aan te raken op het derde oog, met als gevolg dat de leerling zal omvallen. Dit is interessant, want dit is vaak waar TB goeroes hun discipelen aanraken, met hetzelfde resultaat. Andere krachtpunten zijn de bovenkant van het hoofd, de bovenkant van de borst, de buik en de onderkant van de wervelkolom. Ook hier is het interessant dat als Rodney Howard-Browne iemand niet om te vallen krijgt door het aanraken van het voorhoofd, hij soms hun buik en de basis van hun ruggengraat tegelijk aanraakt. Het lijkt alsof hij ze omhelst, maar in werkelijkheid raakt hij deze twee krachtpunten aan .

Leigh Belcham vertelt hoe dit aanraken van de krachtpunten gebeurde bij hem in Toronto:

Handen werden geplaatst op mijn voorhoofd, en toen werden mijn buik en borst gemasseerd, terwijl de ene bidder herhaalde ‘Meer, meer!’ en ‘Drinken, drinken!’ [11]

De vraag is natuurlijk: wat er gebeurt hier werkelijk? Is het menselijk lichaam echt in het bezit van deze krachtpunten die sommige mensen kunnen aanboren om te activeren door een soort van natuurlijk vermogen? Of is dit uiteindelijk een bovennatuurlijke demonische macht? Wat we ook geloven, er is zeker geen basis in de Schrift voor de idee dat ware geestelijke zegen kan worden ontvangen door te tikken op kosmische krachtpunten van het menselijk lichaam. Dit kan goede oosterse mystiek en New Age spiritualiteit zijn, maar het is geen bijbels christendom.

5. Demonische invloeden

Laten we tot slot eens kijken naar een aantal aspecten van de TB die moeilijk uit zijn te leggen in termen van hypnotische kracht. Ik wil twee getuigenissen beschouwen van mensen die de TB hebben ontvangen. De eerste is een man genaamd Mick Brown. Hij ging naar Toronto en woonde een bijeenkomst bij, geleid door John Arnott, predikant van de Toronto Airport Vineyard. Hier is Mick Browns getuigenis:

Een lichaam kwam naar me toe vallen. Ik legde het op de grond en ging verder. Ik merkte dat ik naast John Arnott liep, die door de menigte heenliep, mensen zegenend, die als kegels vielen. Ik zag niet eens zijn hand komen toen deze door de lucht boog en me zachtjes aanraakte, maar heel weinig, op het voorhoofd. ‘En zegen deze, Heer ….’ Ik kon een schok voelen die door me heenging, toen was ik achterover aan het vallen, alsof mijn benen onder me weg waren geschopt. Ik raakte de vloer – ik zweer, dit is de waarheid – lachend als een ‘drain’ (niet vertaalt, R.K.). [12]

Het interessante van dit getuigenis is dat Mick Brown geen christen is. Hij is een onbekeerde journalist die naar Toronto ging voor een verslag over de TB voor het tijdschrift de Daily Telegraph, waaruit het bovenstaande citaat is ontleend. Maar toen John Arnott hem aanraakte, ervoer Mick Brown precies dezelfde verschijnselen als alle belijdende gelovigen. Hij viel in de geest en lachte hysterisch. Later vertelde hij aan een christelijke krant dat zijn ervaring geen verschil heeft gemaakt voor zijn ongeloof in het christendom. Hij was en is nog steeds een ongelovige. Dus we hebben dezelfde fysieke en emotionele ervaring, dezelfde TB, maar de persoon die het onderging is geen christen. Dit zet ons tot het stellen van twee vragen.

Ten eerste: Hoe kan dit de heilige Geest zijn die aan het werk is? Schenkt hij dezelfde emotionele en fysieke ervaring aan een gelovige als aan een ongelovige, zoals vallen in de geest, ongecontroleerd lachen, een staat van euforie? Als deze zaken geen geestelijke betekenis of rol speelden in het leven van de niet-christelijke Mick Brown, hoe kunnen dan precies dezelfde zaken enig authentieke spirituele betekenis of betekenis hebben in het leven van belijdende christenen? Het is duidelijk dat we te maken hebben met een ervaring die niet echt geestelijk van aard is, maar vrolijk kan worden gedeeld door zowel gelovigen als ongelovigen.

Tweede vraag: Wat is de kracht die John Arnott bezit om deze ervaring te veroorzaken in een niet-christen die absoluut niet gelooft dat de TB een werk van God is, omdat hij niet eens in God gelooft? Het is moeilijk te geloven dat dit hypnose is die werkt op een beïnvloedbare geest; Mick Brown had aan geen één van de warming-up technieken van de eredienst deelgenomen, en hij had geen verwachting dat er iets met hem zou gebeuren. Maar John Arnott raakt hem, heel toevallig, aan en daar gaat hij. Dit lijkt ons in de richting te sturen dat John Arnott, en anderen zoals hij, daadwerkelijk in het bezit is van een echte bovennatuurlijke kracht. En als het niet de kracht van de heilige Geest is, moet het de kracht van een boze geest zijn (zie onderstaande kritiek hierop! R.K.).

Het tweede getuigenis dat ik wil beschouwen is dat van Glenda Waddell, een medewerkster van Holy Trinity Brompton, de Anglicaanse kerk in Londen, die fungeert als het Britse hoofdkwartier van de TB. Hier is mevrouw Waddells getuigenis van hoe ze voor het eerst de TB ontving:

Tot mijn absolute ontzetting wist ik zonder enige twijfel dat mijn handen vreemde dingen aan het doen waren en ik was van plan om te gaan brullen. Ik zei: ‘O Heer, ik zal alles doen, maar alsjeblieft, alsjeblieft, laat me niet brullen. Alleen de mannen brullen en de vrouwen brullen niet.’ Maar het kwam en ik brulde nogal luid en ik maakte vreselijk veel lawaai en ik kroop over de vloer en deed vreselijke dingen, en de helft van me dacht: ‘Dit kan ik niet zijn.’ Maar een ander deel van mij wist dat ik het was. [13]

Het verontrustende van mevrouw Waddells getuigenis is dat het ons een beeld geeft van de heilige Geest zogenaamd aan het werk, waardoor het pijnlijk duidelijk is dat het niet de heilige Geest (aan het werk) was. Door haar eigen schuld werd mevrouw Waddell binnengevallen en bezeten door een macht die haar teruggebracht tot beestachtig gedrag, rondkruipen en brullen. De helft van haar herkende niet eens zichzelf in wat er gebeurde. Er was geen gebruik van de geest (het verstand, R.K.) betrokken bij mevrouw Waddells ervaring, in welke vorm dan ook. Ze werd gewoon overgenomen, lichamelijk en geestelijk, door een controlerende kracht. Dit is niet hoe de heilige Geest werkt in het leven van een gelovige. Hij heiligt ons niet door als een demon bezit te nemen van ons en ons te dwingen om rare, submenselijke dingen doen. Hij werkt door het Woord van God, brengt de waarheid tot uiting in onze geest (ons verstand, R.K.), verlicht ons begrijpen en overtuigt ons te gehoorzamen.

Maar in het geval van mevrouw Waddell, kwam het ding dat zij de heilige Geest noemt, op haar af als een roofzuchtig beest, greep haar, bezat haar en dwong haar te brullen en rond te kruipen als een leeuw. Zeker ieder met enig geestelijk onderscheidingsvermogen moet toch inzien dat deze duistere kracht niet de heilige Geest was. Dus wat was het? Hypnotische invloed? Mogelijk, maar het lijkt mij meer een echte objectieve geestelijke kracht die tijdelijk bezit van deze ongelukkige dame nam (zie onderstaande kritiek hierop! R.K.). Haar ervaring is een huiveringwekkende herinnering van Swami Baba Muktananda’s ‘brullen als een leeuw’ onder de invloed van de demongodin Chiti.

Ik geloof niet dat ware christenen daadwerkelijk door demonen kunnen worden bezeten. Maar als demonen ons kunnen misleiden door ons te laten denken dat zij de heilige Geest zijn, en op basis daarvan ons zover krijgen ons open te stellen voor hun invloed, kunnen wij worden gegrepen en beïnvloed worden door demonische macht, althans tijdelijk. Het is goed mogelijk dat dit gebeurt naast de hypnotische krachten die aan het werk zijn in de TB.

6. Samenvatting en conclusie

Ik stel voor dat we de Toronto Blessing (TB) moeten zien als een combinatie van hypnotische kracht en invloed, en bovennatuurlijke demonische macht (zie onderstaande kritiek hierop! R.K.). Om ons te beschermen tegen zo’n misleidende beweging, moeten we een goed begrip hebben van hoe de heilige Geest werkt in de gelovige, en de Schrift leidt ons tot de conclusie dat hij werkt door het Woord van God, door de waarheid, en dat het eerste punt van contact dat de heilige Geest gebruikt in ons, ons verstand is (onze geest). We moeten daarom alle zogenaamde spirituele ervaringen verwerpen die de geest voorbijgaat of kortsluit, of die niet worden geproduceerd door de geestelijke toepassing van de waarheid voor geest en hart. We moeten ervoor waken dat het een geest betreft die een prominente plaats geeft aan onze geest (ons verstand, R.K.), om de waarheid te begrijpen, en we moeten ervoor zorgen dat de Schrift centraal staat in onze relatie met God, en ook in onze aanbidding van God , door de prediking en leer van Gods Woord. Jesaja 8:20: ‘ga dan alleen af op dit onderricht, op mijn getuigenis. Spreek uitsluitend volgens deze woorden, waartegen geen bezwering bestand is.’ 

Eindnoten:
1. HTB in Focus, October 9th, 1994, p. 12.
2. What in the World is Happening to Us, p. 1.
3. Radio 4 documentary The Second Coming, 9/4/92
4. Banner of Truth, May 1995, p. 19
5. Testimony of former Muktananda disciple Joy Smith, in Focus magazine 12, winter 1994/5.
6. Quoted by Tal Brooke, Riders of the Cosmic Circuit, p. 45.
7. Works of Edwards, Banner of Truth edition, vol. 1, pp. 281-2; emphasis added.
8. The Briefing 152, pp 5-6.
9. Richard Cavendish, The Magical Arts, p.180.
10. R.B.Ince, Three Famous Occultists, pp 107-8.
11. Toronto: The Baby or the Bathwater? p. 8.
12. Daily Telegraph magazine, 3rd December, 1994.
13. HTB in Focus, October 9th, 1994, p.12.
 

Weerlegging Nick Needhams conclusie over demonische activiteit TB

Newton
Newton

Andrew Newton is hoofddocent Hypnose bij de Hypnoseakademiet in Noorwegen, Europa’s belangrijkste hypnose en EFT trainingsschool. Hij werkt af en toe met mensen die zijn geïndoctrineerd door religieuze sekten. In het volgende hoofdstuk (10.6.) staat een bewerkt artikel van hem (‘hypnose in religie’). Ik (R.K.) heb op 26 februari 2014 contact met hem gehad met betrekking tot de laatste twee situaties beschreven door Nick Needham en waarvan deze concludeert dit te moeten zien als een vorm van bovennatuurlijke demonische macht. Newton is het hier niet mee eens. Ik geef zijn originele Engelse reactie hieronder weer (met enkele verduidelijkingen van mijn kant) met daaronder een vertaling van de tekst.

Newton schrijft:
An important thing to understand about mass hysteria is that it can creep up even on those who are on their guard against it. From the accounts of the two people in the extract you attached (the journalist and the woman who roared like a lion, R.K.), it seems to me that this is what happened.
I once found myself caught up in a crowd in America running from a supposed gunman. The compulsion to get away quickly was all consuming and I ran with the rest of them as fast as I could. My heart was beating, I was in fear, and yet I had no idea WHY we were running until we got round a corner and someone told me a man had a gun. The feelings and emotions were overpowering and I felt slightly ashamed afterwards – not out of cowardice, but because I had been drawn into this behaviour. I thought about it (especially my own reactions) a lot in the following days. I had been surprised by my total and sudden inability to retain my individuality.

Also, throwing people down on the floor, even by just touching them, is an old stage hypnotist’s trick. In this case (the journalist, R.K.) social compliance comes into play. Social compliance is extremely powerful and has it’s roots in the evolutionary survival strategy. Humans have to work together to survive and anyone who ‘rocks the boat’ can be deemed ‘anti-social’ and quickly ostracised from the group. To NOT behave as one is expected to behave is a serious social impropriety. People are often extremely surprised that they comply in stage hypnosis for example.

Allowing oneself to be touched (having one’s personal space invaded by another, even someone you may not like or trust) is one very powerful way in which the other person gains superiority. Again, even if warned beforehand, or one is on one’s guard, when the moment comes, it is irresistible. In the case of the preacher (John Arnott, R.K.) and the two cases you mention (the journalist and the woman, R.K.), the loss of self control and self determination happens at an unconscious level, while the person is still conscious. Therefore, even though conscious, they are unaware of the changes happening in their own brain and this explains the puzzlement of the two people in the report.

As for roaring like a lion (another old stage hypnosis trick) its is akin to trying to stop oneself yawning. The more you think about trying not to yawn, the more difficult it becomes not to yawn. Or sneeze. Or fall to the ground.

It is not unknown for charismatic preachers to use trickery in these circumstances either. A mild electric shock is enough to convince even the most hardened skeptic that something unusual has actually happened. Sometimes the apparatus delivering the amps is hidden in a decorated wooden cross or such like. The shock is delivered not to the head, but to the lower body. This misdirection is something well understood by magicians. The eyes of the spectators follow the hand that touches the head, unaware that the preacher is delivering the electric shock to another part of the body lower down. To the recipient, the sensation is so quick that it is indistinguishable.

I never cease to be amazed how easily some people are fooled, especially by those who use religion and spirituality for their own purposes.

Andrew Newton
 

Vertaling:
Een belangrijk ding om te begrijpen over massahysterie (onbeheerste opwinding van/binnen een massa)  is dat het zelfs degenen die op hun hoede hiervoor zijn kan beïnvloeden. Uit de voorbeelden van de twee mensen in het artikel (dat ik als bijlage had meegestuurd; de journalist en de vrouw die brulde als een leeuw, R.K.) lijkt het mij dat dit is wat er gebeurd is.
Ik vond mijzelf een keer gevangen in een menigte in Amerika, wegrennend van een vermeende schutter. De dwang om snel weg te komen was alles overheersend en ik rende met de rest van hen zo snel mee als ik kon. Mijn hart klopte, ik was in angst, en toch had ik geen idee WAAROM we renden, tot we om een bocht kwamen en iemand me vertelde dat een man een pistool had. De gevoelens en emoties waren overweldigend en ik voelde me een beetje beschaamd achteraf; niet om mijn lafheid, maar omdat ik was meegetrokken in dit gedrag. Ik heb er veel over nagedacht (vooral over mijn eigen reacties) de volgende dagen. Ik was verrast door mijn totale en plotselinge onvermogen om mijn individualiteit te behouden .

Daarnaast, het mensen op de grond laten vallen, zelfs door ze gewoon aan te raken, is een oude podium hypnotiseur truc. In dit geval (de journalist, R.K.) komt ‘social compliance’ (sociaal volgen) in het spel. ‘Social compliance’ is zeer krachtig en heeft zijn wortels in de evolutionaire overlevingsstrategie. Mensen moeten samenwerken om te overleven en iedereen die ‘rocks the boat’ (zich anders gedraagt) kan beschouwd worden als asociaal en snel verbannen worden uit de groep. Je NIET gedragen zoals men verwacht, is een ernstige sociale ongepastheid. Mensen zijn vaak erg verbaasd dat ze bijvoorbeeld gehoorzamen aan podium hypnose.

Toelaten zich te laten aanraken (waardoor je persoonlijke ruimte binnengevallen wordt door een ander, zelfs door iemand waarvan je dit niet wilt of die je niet vertrouwt) is een zeer krachtige manier waarop de andere persoon superioriteit (ver)krijgt. Nogmaals, zelfs indien men op voorhand gewaarschuwd is, of men is op zijn hoede; wanneer het moment komt is het onweerstaanbaar. In het geval van de voorganger (John Arnott, R.K.) en de twee gevallen die u noemt (de journalist en de vrouw, R.K.), gebeurt het verlies van zelfbeheersing en zelfbeschikking op een onbewust niveau, terwijl de persoon nog bij bewustzijn is. Daarom, ook al bij bewustzijn, zijn ze zich niet bewust van de veranderingen die er in hun eigen hersenen plaatsvinden en dit verklaart de verwarring van de twee mensen in het verslag.

Voor het brullen als een leeuw (een andere oude podium hypnose truc) geldt dat dit verwant is aan het proberen jezelf te stoppen te gapen. Hoe meer je nadenkt over het proberen niet te gapen, hoe moeilijker het wordt niet te gapen. Of niezen. Of op de grond vallen.

Het is niet ongewoon voor charismatische predikers om ook bedrog te gebruiken in deze omstandigheden. Een milde elektrische schok is genoeg om zelfs de meest geharde scepticus te overtuigen dat er daadwerkelijk iets ongewoons is gebeurd. Soms is de ‘apparatus’ (materiaal of apparaat dat wordt gebruikt voor een bepaald doel) dat de versterking levert verborgen in een versierd houten kruis of iets dergelijks (misschien een in de hand gehouden bijbel? R.K.). De schok wordt niet op het hoofd gegeven, maar op het onderlichaam. Deze misleiding is iets dat zeer goed begrepen wordt door goochelaars. De ogen van de toeschouwers volgen de hand die het hoofd aanraakt, niet wetende dat de prediker de elektrische schok levert op een ander lager deel van het lichaam. Voor de ontvanger is de sensatie zo snel dat het niet te onderscheiden is.

Ik sta elke keer weer versteld hoe gemakkelijk sommige mensen voor de gek kunnen worden gehouden, vooral door degenen die gebruik maken van religie en spiritualiteit voor hun eigen doeleinden.

Andrew Newton
 

Conclusie: de verklaring van de manifestaties ‘in de geest’ moeten we zoeken in hypnose- en beïnvloedende situaties.
 

10.6. Hypnose- en beïnvloedende situaties binnen de charismatische beweging

De volgende tekst is een bewerking door mij (R.K.) van een artikel van Andrew Newton met als onderwerp ‘Hypnose in religie’. Vertaalt door mij (R.K.). Bron: http://www.newtonhypnosis.com/hypnosis-in-religion-part-1/

Hypnose in religie

Andrew Newton
Andrew Newton

Andrew Newton spreekt regelmatig op psychologieconferenties in Groot-Brittannië en geeft lezingen aan studenten psychologie met betrekking tot hypnose, suggestie en groepsgedrag. Hij is hoofddocent Hypnose bij de Hypnoseakademiet in Noorwegen, Europa’s belangrijkste hypnose en EFT trainingsschool; een positie die hij bekleedt sinds 2008. Hij werkt af en toe met mensen die zijn geïndoctrineerd door religieuze sekten.
Newton mag aanspraak maken op het grootste publiek voor een hypnose-show: dertigduizend mensen bij Kasteel York op 5 november 1993. Hij heeft wereldwijd meer dan zestigduizend mensen gehypnotiseerd, waaronder vele bekende namen uit het Verenigd Koninkrijk en in het buitenland, en hij heeft meer dan zesduizend podium- en televisie-optredens gedaan. In 1997 verhuisde Newton naar Kaapstad, Zuid-Afrika, waar hij nu woont.

‘Degenen die extreme religieuze gevoelens ervaren, moeten weten dat hun cognitieve (waarnemend) immuunsysteem inactief is. Gandhi zei dat “het geloof moet worden versterkt door de rede” en er is een grote mate van waarheid in deze bijzonder rationele en logische bewering.’